← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2025:6645

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/437566 / JE RK 25-1264 Datum uitspraak: 12 augustus 2025 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, gevestigd te Etten-Leur, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI), over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige]. De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1], [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2]. 1Het procesverloop 1.

  1. Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken: het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 8 juli 2025, ingekomen bij de griffie op diezelfde datum; de berichten van de voormalige advocaat van de vader, mr. P.F.M. Gulickx, van 11 juli 2025 en 17 juli 2025; het e-mailbericht van de vader van 4 augustus
  2. 1.
  3. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 augustus
  4. Daarbij was een vertegenwoordigster van de GI aanwezig. 1.
  5. De moeder is correct opgeroepen maar niet bij de zitting verschenen. 1.
  6. De vader is correct opgeroepen maar niet bij de zitting verschenen. De vader heeft de rechtbank op 4 augustus 2025 geïnformeerd dat hij wegens omstandigheden niet bij de zitting aanwezig kon zijn. 1.
  7. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2De feiten 2.
  8. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige]. 2.
  9. Bij beschikking van 7 februari 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 13 februari 2025 tot 13 augustus
  10. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten bij de opa vaderszijde, en daarnaast een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 13 februari 2025 tot 13 augustus
  11. 2.
  12. Op grond van voornoemde machtiging verbleef [minderjarige] bij de opa vaderszijde. Sinds april 2025 verblijft [minderjarige] in een gezinshuis in [plaats]. 3Het verzoek 3.
  13. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. 3.
  14. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4Het standpunt van de GI 4.
  15. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI, samengevat, het navolgende aangevoerd. [minderjarige] was bij de opa vaderszijde geplaatst maar, onder meer door de leeftijd van de opa vaderszijde, is [minderjarige] uiteindelijk in een gezinshuis geplaatst. Hij doet het goed bij het gezinshuis en is gestart met traumabehandelingen bij de GGz. Gezien wordt dat [minderjarige] zichzelf beter kan uiten en dat hij zich meer openstelt. [minderjarige] heeft op dit moment wisselend telefonisch contact met zijn moeder. Als het contact niet prettig verloopt, ervaart [minderjarige] veel stress en lichamelijke klachten. Binnen het GGz-traject zal er aandacht worden besteed aan het weerbaar maken van [minderjarige] in het contact met zijn moeder. 4.
  16. [minderjarige] gaat om het weekend naar zijn vader en ziet de opa vaderszijde dan ook. De vader en de opa vaderszijde hebben goed contact met de gezinshuisouders. De vader krijgt ondersteuning vanuit SDW. SDW geeft aan dat de vader het soms lastig vindt om consequent te zijn en om regels te stellen aan [minderjarige]. De vader wil [minderjarige] op termijn weer thuis hebben maar de GI betwijfelt of dat haalbaar is. De GI gunt het [minderjarige] en de vader om weer samen te wonen maar de vader mankeert lichamelijk veel en overvraagt zichzelf snel. Recent heeft de vader ook een terugval gehad. Doordat de vader vaak te veel geeft, loopt zijn herstel continu vertraging op. De vader ervaart ook veel stress door de situatie met de moeder. De moeder moet de echtelijke woning verlaten maar zij doet dit niet. De vader dient zijn huidige woning in december 2025 te verlaten maar hij komt moeilijk in aanmerking voor sociale huur omdat hij feitelijk veel eigen vermogen heeft vanuit de echtelijke woning. Positief is het dat de vader een nieuwe partner heeft die een positieve invloed op hem heeft. 4.
  17. Gelet op het voorgaande acht de GI een verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing noodzakelijk. Er zijn de laatste tijd veel positieve ontwikkelingen gaande maar het perspectief van [minderjarige] is nog niet duidelijk en de moeder blijft een onrustgevende factor vormen. Daarbij is de woonsituatie en de gezondheid van de vader nog instabiel en zit [minderjarige] nu midden in een traumabehandeling. De GI gunt het [minderjarige] om stabiliteit te ervaren en om tot ontwikkeling te kunnen komen. Daarvoor is zijn verblijf in het gezinshuis nog van groot belang. Het komend jaar wil de GI inzetten op de punten, zoals omschreven op pagina drie van het verzoekschrift. De GI hoopt dat de vader en [minderjarige] het komend jaar aan zichzelf kunnen werken, zodat daarna de mogelijkheden voor een terugkeer naar huis onderzocht kunnen worden. [minderjarige] heeft in deze zomervakantie drie weken bij de vader verbleven. De GI was in beginsel niet meegenomen in dit plan en wenst daarom de komende periode duidelijke kaders te stellen en stelselmatig de contactmomenten te evalueren. De GI wenst ook met de moeder in gesprek te gaan, nu deze heeft aangegeven ontevreden te zijn over de GI. De GI hoopt met de moeder een vorm van samenwerking te kunnen bereiken. 4.
  18. Wat de duur van de verlenging betreft geeft de GI aan te verwachten dat er nog een jaar nodig zal zijn om de doelen te kunnen behalen. Een wisseling in verblijfplaats gedurende het schooljaar vindt de GI, gezien het schoolverleden van [minderjarige], ook niet in het belang van [minderjarige]. Desondanks begrijpt de GI ook dat een kortere verlenging een drijfveer voor [minderjarige] en de vader kan zijn. Zij verzet zich dan ook niet tegen een verlenging van zes maanden, onder aanhouding van het overige deel. 5De standpunten van de minderjarige en de belanghebbenden 5.
  19. [minderjarige] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter, samengevat, verteld dat het goed gaat bij het gezinshuis maar dat hij zijn vader en zijn vrienden mist als hij daar is. [minderjarige] wil heel graag weer bij zijn vader wonen. Hij is nu drie weken op vakantie bij zijn vader en dat bevalt hem erg goed. Voorheen heeft [minderjarige] ook bij zijn vader gewoond. De vader kon goed voor [minderjarige] zorgen maar vanwege de gezondheid van de vader is [minderjarige] toen uit huis geplaatst. Wat het contact met de moeder betreft, geeft [minderjarige] aan het goed te vinden zoals het nu gaat. [minderjarige] en de moeder hebben telefonisch contact met elkaar op initiatief van [minderjarige]. Tot slot geeft [minderjarige] aan hulp te krijgen van de GGz en dit als prettig te ervaren. 5.
  20. Het standpunt van de moeder is niet bekend. De moeder is niet op de zitting verschenen en heeft ook niet schriftelijk haar standpunt kenbaar gemaakt. 5.
  21. De vader heeft, schriftelijk, aangevoerd dat hij akkoord gaat met een verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige] in het gezinshuis voor het komend schooljaar. 6De beoordeling Wettelijk kader 6.
  22. Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. 6.
  23. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. 6.
  24. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Inhoudelijke beoordeling 6.
  25. Uit de overgelegde stukken en uit de behandeling op zitting blijkt naar het oordeel van de kinderrechter dat de doelen van de ondertoezichtstelling nog niet volledig zijn behaald. Hoewel er een positieve ontwikkeling zichtbaar is, zijn de zorgen om [minderjarige] nog niet geheel geweken. [minderjarige] heeft in zijn leven veel meegemaakt en is vaak van verblijfplaats gewisseld. Vaststaat dat [minderjarige], mede hierdoor, de nodige problematiek ervaart en dat hij hulpverlening nodig heeft. De zorgen over de (opvoed)situatie van de vader zijn ook nog steeds aanwezig. De vader kampt met zorgen over zijn gezondheid en is op dit moment herstellende van een terugval. Ook is de thuissituatie van de vader nog niet geheel stabiel vanwege problematiek met de moeder over de echtelijke woning. Tot slot vraagt ook het contact tussen [minderjarige] en diens moeder nog de nodige aandacht. Op dit moment ervaart [minderjarige] het contact als prettig maar in het verleden is gebleken dat het contact wisselend kan verlopen en dat [minderjarige] daarvan stress en lichamelijke klachten kan ervaren. 6.
  26. Vanwege voornoemde zorgen acht de kinderechter een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk. Hoewel de vader zijn medewerking verleent aan hulpverlening kan hij zichzelf, vanuit zijn wens om [minderjarige] weer thuis te laten wonen, snel overvragen. De kinderrechter acht de betrokkenheid van de GI noodzakelijk om ervoor te waken dat de vader zijn grenzen overschrijdt en dat hij daarmee zijn herstel belemmert. Daarnaast acht de kinderrechter hulpverlening in het gedwongen kader nog nodig vanwege de ambivalente houding van de moeder tegenover de hulpverlening en de GI. 6.
  27. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] op dit moment nog noodzakelijk is in het belang van diens verzorging en opvoeding. Hoewel de kinderrechter de wens van [minderjarige] en de vader om weer bij elkaar te wonen, begrijpt, is het op dit moment nog te vroeg om dat te kunnen realiseren. Met de GI is de kinderechter van oordeel dat de vader zich eerst dient te focussen op zijn herstel en op het stabiliseren van zijn (opvoed)situatie, alvorens [minderjarige] weer bij hem kan wonen. [minderjarige] heeft namelijk een stabiele opvoedsituatie nodig om zich verder in de positieve richting te kunnen ontwikkelen en om het traject bij de GGz tot een goed einde te kunnen brengen. Nu de vader [minderjarige] dit nog onvoldoende kan bieden, is de kinderrechter van oordeel dat het verblijf van [minderjarige] binnen het gezinshuis gecontinueerd dient te worden. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] dan ook verlengen. Nu de machtiging tot uithuisplaatsing alleen is bedoeld voor een plaatsing van [minderjarige] binnen het gezinshuis, zal de kinderrechter een machtiging verlenen voor een ‘gezinsgerichte voorziening’ en niet voor een ‘accommodatie van een jeugdhulpaanbieder’ zoals door de GI is verzocht. 6.
  28. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter beide verzoeken van de GI toewijzen. De kinderrechter zal echter afwijken van de verzochte duur van twaalf maanden. [minderjarige] en de vader hebben de nadrukkelijke wens om weer met elkaar te wonen. Gebleken is dat zowel [minderjarige] als de vader aan zichzelf werken en dat er een positieve ontwikkeling zichtbaar is. De kinderrechter wenst dan ook eerder te kunnen toetsen of de situatie bij de vader voldoende stabiel is om [minderjarige] weer terug te kunnen laten keren bij hem. De kinderrechter zal de verzoeken van de GI daarom toewijzen voor de duur van zes maanden, onder de aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Op deze manier hoopt de kinderrechter [minderjarige] én de vader ook te stimuleren om de positieve ontwikkeling voort te zetten. 6.
  29. De komende zes maanden verwacht de kinderrechter dat de GI gaat onderzoeken hoe de contacten tussen [minderjarige] en de vader (en diens partner) verlopen en of er mogelijkheden zijn om die uit te breiden. Ook de opa vaderszijde dient hierbij betrokken te worden omdat hij een steunende en corrigerende rol lijkt te hebben. Een eerste stap zal zijn om de drie weken, die [minderjarige] bij de vader heeft verbleven, te evalueren en om duidelijke afspraken voor de toekomst te maken in dit contact. Van de vader verwacht de kinderrechter dat hij zich in blijft zetten om een terugkeer van [minderjarige] naar huis te realiseren, ook als dit betekent dat hij zich moet focussen op zijn herstel. Tot slot gaat de kinderrechter ervan uit dat de GI blijft onderzoeken wat de mogelijkheden in het contact tussen [minderjarige] en zijn moeder zijn. Van de moeder wordt verwacht dat zij zich openstelt en dat zij een samenwerking met de GI aangaat. 6.
  30. Om voor alle betrokkenen duidelijkheid te verschaffen, merkt de kinderrechter de navolgende doelen voor de komende periode aan: [minderjarige] groeit op in een veilige en stabiele opvoedsituatie; [minderjarige] ervaart duidelijkheid over waar hij gaat wonen. Het toekomstperspectief van [minderjarige] wordt bepaald en/of onderzocht; [minderjarige] heeft structureel en onbelast contact met beide ouders en met opa (vz); [minderjarige] krijgt de hulpverlening die hij nodig heeft. De al ingezette hulpverlening vanuit de GGz wordt gemonitord en de GI onderzoekt of deze hulpverlening afdoende is of dat [minderjarige] gebaat is bij meer, of andere, hulpverlening. Tijdens de zitting is gebleken dat de GI zeer betrokken is bij deze zaak. De kinderrechter vertrouwt er dan ook op dat de GI de stappen zal nemen die zij in het belang van [minderjarige] noodzakelijk acht. 6.
  31. De beoordeling van het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden tot een nader te bepalen mondelinge behandeling. De datum is bij het afgeven van de beschikking nog niet bekend. De betrokkenen zullen bij separate brief worden opgeroepen voor die zitting. 6.
  32. De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk één week voorafgaand aan de volgende mondelinge behandeling een schriftelijk verslag over te leggen, met daarin een weergave van het verloop van de ondertoezichtstelling, onder de gelijktijdige toezending van een afschrift van dat verslag aan de ouders. De kinderrechter wenst van de GI te vernemen hoe de contactmomenten tussen [minderjarige] en zijn ouders verlopen, wat het perspectief van [minderjarige] is en of een terugkeer van [minderjarige] naar de vader (op korte termijn) tot de mogelijkheden behoort. Uitvoerbaar bij voorraad 6.
  33. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. Kindbrief aan [minderjarige] 6.
  34. De kinderrechter zal zoals afgesproken met [minderjarige] hem een brief sturen met daarin uitleg over de beslissing die is genomen. In de brief aan [minderjarige], die naar het adres van het gezinshuis in [plaats] zal worden gestuurd, zal het volgende worden aangegeven: Beste [minderjarige], Op 5 augustus 2025 heb ik met jou gesproken. Wij hebben het toen gehad over het verzoek van de Jeugdbescherming om jouw ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing te verlengen. Ik heb je toen uitgelegd dat dat onder andere zou kunnen betekenen dat je blijft wonen in het gezinshuis in [plaats]. Je hebt mij toen verteld dat het wel goed gaat in het gezinshuis maar dat je het liefst thuis zou wonen bij je vader. Je hebt in de vakantie drie weken bij je vader verbleven en dat was goed gegaan. Ook heb je verteld dat het telefonisch contact tussen jou en je moeder nu goed verloopt en dat je het fijn vindt dat jij mag bepalen wanneer dat is. Nadat ik met jou heb gesproken, heb ik ook geluisterd naar de mening van de jeugdbeschermer. Je ouders heb ik niet persoonlijk gesproken maar je vader heeft mij wel een brief gestuurd. Je vader wil heel graag dat jij weer bij hem komt wonen maar hij vindt het voor nu goed als jij nog bij het gezinshuis blijft tot het volgend schooljaar. Ook de jeugdbeschermer vindt het belangrijk dat jij nog even bij het gezinshuis blijft wonen. Je vader heeft namelijk wat problemen met zijn gezondheid en moet eerst herstellen voordat hij goed voor jou kan zorgen. Ik ben het met je vader en de jeugdbeschermer daarover eens en heb daarom besloten dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing worden verlengd. Een verlenging van de ondertoezichtstelling houdt in dat de jeugdbeschermer nog bij jullie betrokken blijft. Ik vind het namelijk belangrijk dat de jeugdbeschermer papa en mama helpt met hun eigen situatie. Voor je mama is dat belangrijk zodat jullie fijn contact met elkaar kunnen hebben. Voor je papa is dat belangrijk vanwege zijn gezondheid en om ervoor te zorgen dat hij weer goed voor jou kan zorgen. Ook kan de jeugdbeschermer jou helpen. Je hebt veel meegemaakt en ik wil ervoor zorgen dat je alles goed kan verwerken en dat je de hulp van de GGz blijft krijgen. Mijn beslissing om jouw uithuisplaatsing te verlengen heeft tot gevolg dat je nog bij het gezinshuis blijft wonen. Ik vind het fijn om te horen dat het goed met jou gaat in het gezinshuis en dat het daar rustig is. Ik vind het belangrijk dat je voorlopig deze rustige plek hebt om op te groeien. Natuurlijk heb ik ook jouw wens gehoord om terug naar je vader te gaan. Ik heb er daarom voor gekozen om de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing te verlengen voor zes maanden in plaats van één jaar. De afgelopen tijd gaat het best wel goed. Jij doet het goed bij het gezinshuis en op school en je bent heel knap bezig met je traject bij de GGz. Je vader probeert ook te herstellen van zijn lichamelijke klachten en zo goed mogelijk voor jou te kunnen zorgen. Daarom wil ik over zes maanden nog een keer kijken hoe het met jou en met je vader gaat en of jullie nog steeds zo goed bezig zijn. Ook wil ik dan nog een keer praten met iedereen over jouw wens, en die van je vader, om terug bij je vader te gaan wonen. Ik ga jou ook een uitnodiging sturen om nog een keer met mij te komen praten.. Je kunt ook een briefje naar mij sturen, waarin je schrijft hoe het met je gaat. Het hoeft niet, alleen als jij dat fijn vindt. Ik hoop dat je de komende tijd rustig kan opgroeien in het gezinshuis en dat je veel hebt aan de hulp van de GGz. Ook hoop ik dat je fijn contact blijft houden met je vader, je opa én met je moeder. Als je nog vragen hebt, kun je die stellen aan de jeugdbeschermer. De jeugdbeschermer kan jou het beste uitleggen hoe het nu verder gaat en waar je rekening mee kunt houden. Ik wens je het allerbeste toe. Vriendelijke groeten, ook namens de griffier, mr. Bogaert, de kinderrechter. 6.
  35. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 7De beslissing De kinderrechter: 7.
  36. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 13 augustus 2025 tot 13 februari 2026; 7.
  37. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 13 augustus 2025 tot 13 februari 2026; 7.
  38. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad. 7.
  39. houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek aan tot een nader te bepalen zitting bij mr. Bogaert bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, aan de Stationslaan 10, 4815 GW te Breda; 7.
  40. bepaalt dat de GI, de moeder en de vader bij separate brief worden opgeroepen voor die zitting; 7.
  41. bepaalt dat [minderjarige] bij separate brief wordt opgeroepen om voorafgaand aan die zitting zijn mening te geven in een zogenoemd kindgesprek of op een andere manier; 7.
  42. bepaalt dat de gezinshuisouders van [minderjarige] bij separate brief worden opgeroepen om als informant bij die zitting aanwezig te zijn; 7.
  43. behoudt zich iedere verdere beslissing voor. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2025 door mr. Bogaert, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Linde als griffier. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.