RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Middelburg Zaaknummer: 11422053 \ CV EXPL 24-4031 Vonnis van 4 juni 2025 in de zaak van STICHTING PERSOONLIJK VO, te Geldermalsen, eisende partij in conventie, verwerende partij in het incident, verwerende partij in (deels voorwaardelijke) reconventie, hierna te noemen: PVO, gemachtigde: mr. L.A. van Amsterdam, tegen [persoon] , te [plaats 1] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in het incident, eisende partij in (deels voorwaardelijke) reconventie, hierna te noemen: [persoon] , gemachtigde: mr. J.W. Adriaansens. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 5 maart 2025 met de daarin genoemde stukken, - de conclusie van antwoord in (deels voorwaardelijke) reconventie, tevens houdende akte vermeerdering van eis, - de mondelinge behandeling van 17 april 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de pleitnota van PVO, - de pleitnota van [persoon] . 2De feiten 2.
- Op grond van de huurovereenkomst van 28 december 2012 huurt (de rechtsvoorganger van) PVO van [persoon] bedrijfsruimte aan [adres] te [plaats 2] (hierna: het pand). De maandelijkse huurprijs bedraagt € 27.329,
- 2.
- PVO biedt op non-profit basis publiek bekostigd voortgezet onderwijs aan. Zij heeft daarvoor het pand gehuurd en heeft daarin een school geëxploiteerd. Nadat de minister voor Primair en Voorgezet Onderwijs de rijksbekostiging van de school in [plaats 2] met ingang van 1 augustus 2024 heeft beëindigd, is de school per 1 augustus 2024 gesloten. 2.
- Bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 oktober 2024 is de vordering van [persoon] tot nakoming van PVO van de exploitatieverplichting voor het pand afgewezen. 2.
- Bij aangetekende brief van 21 oktober 2024 heeft PVO de huurovereenkomst opgezegd tegen 31 december
- 3Het geschil In de hoofdzaak In conventie 3.
- PVO vordert na wijziging van eis - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: primair, de huurovereenkomst per 1 augustus 2024 te ontbinden, althans zodanig te wijzigen dat PVO per 1 augustus 2024 niet langer gehouden is de verplichtingen daaruit te voldoen; [persoon] te veroordelen tot betaling van € 165.478,78 met de wettelijke rente daarover vanaf de dagvaarding; subsidiair, - voor recht te verklaren dat de huurovereenkomst per 31 december 2025 eindigt; primair en subsidiair, [persoon] te veroordelen tot betaling van € 50.000,- met de wettelijke rente daarover vanaf de dagvaarding; [persoon] te veroordelen in de proces- en nakosten met de wettelijke rente daarover. 3.
- PVO legt aan haar vorderingen - samengevat - het volgende ten grondslag. De beëindiging van de rijksbekostiging van de school in [plaats 2] per 1 augustus 2024 is een onvoorziene omstandigheid ex artikel 6:258 lid 1 BW, op grond waarvan de huurovereenkomst met terugwerkende kracht moet worden ontbonden per 1 augustus
- Door de beëindiging van de rijksbekostiging van de school is PVO niet meer in staat om het pand te exploiteren en de huur te betalen. Bij ontbinding van de huurovereenkomst per 1 augustus 2024 is de huur vanaf 1 augustus 2024 tot en met januari 2025 en de contractuele boete onverschuldigd door PVO betaald, zodat zij terugbetaling daarvan vordert. Voor zover de primaire vordering wordt afgewezen, stelt PVO zich op het standpunt dat de huurovereenkomst per 31 december 2025 eindigt. Op grond van artikel 3.2 van de huurovereenkomst is huur na de initiële periode van acht jaar en drie maanden voortgezet voor een aansluitende periode van vijf jaar, te weten tot en met 31 december
- PVO heeft op 21 oktober 2024 de huurovereenkomst met inachtneming van de opzegtermijn van minstens één jaar, opgezegd tegen 31 december
- Daarnaast heeft PVO bij aanvang van de huur een waarborgsom van € 50.000,- aan [persoon] betaald, waarvan PVO terugbetaling vordert. 3.
- [persoon] voert verweer. [persoon] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van PVO, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van PVO, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van PVO in de kosten van deze procedure en de wettelijke rente daarover. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. In (deels voorwaardelijke) reconventie 3.
- [persoon] vordert - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, PVO te veroordelen tot; primair, - nakoming van de huurovereenkomst; subsidiair, indien de huurovereenkomst wordt ontbonden, - betaling van een schadevergoeding aan [persoon] , gelijk aan de verschuldigde huur tot en met 31 december 2030 met de wettelijke rente daarover; primair en subsidiair, - betaling van de beslag-, proces- en nakosten met de wettelijke rente daarover. 3.
- [persoon] legt aan zijn vorderingen - samengevat - het volgende ten grondslag. Er is geen sprake van onvoorziene omstandigheden in de zin van artikel 6:258 lid 1 BW, zodat ontbinding van de huurovereenkomst niet aan de orde is en PVO haar exploitatie- en betalingsverplichting uit hoofde van de huurovereenkomst dient na te komen. Voor zover de huurovereenkomst wordt ontbonden dient de schade die [persoon] daardoor lijdt voor rekening te komen van PVO. Deze schade bestaat uit de niet betaalde huur tot en met 31 december
- Daarbij stelt [persoon] zich op het standpunt dat op basis van de allonge van 10 september 2013 de huurovereenkomst tussen partijen is verlengd tot 31 december
- Verder vordert [persoon] een totaalbedrag van € 3.189,50 aan beslagkosten voor het door hem op 17 januari 2025 gelegde conservatoir derdenbeslag op de bankrekening van PVO. 3.
- PVO voert verweer. PVO concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [persoon] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [persoon] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon] in de kosten van deze procedure en de wettelijke rente daarover. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. In het incident 3.
- [persoon] vordert - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, op grond van artikel 223 Rv een voorlopige voorziening om: PVO te veroordelen om gedurende de looptijd van deze procedure de maandelijkse huur tijdig aan [persoon] te voldoen; PVO te veroordelen om over te gaan tot het aanwijzen van een leegstandsbeheerder op straffe van een dwangsom dat PVO niet aan deze veroordeling voldoet. 3.
- PVO voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen in het incident, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon] in de kosten van dit incident. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling In het incident 4.
- Op grond van artikel 223 Rv kan een partij een voorlopige voorziening vorderen. Een voorlopige voorziening verliest haar werking zodra in de hoofdzaak einduitspraak is gedaan, ongeacht of tegen die einduitspraak een rechtsmiddel wordt aangewend. Onder verwijzing naar hetgeen hierna in de hoofdzaak wordt overwogen en gelet op het feit dat in de hoofdzaak eindvonnis wordt gewezen, heeft [persoon] om die reden geen rechtens te honoreren belang meer bij het opleggen van de door hem verzochte voorlopige voorzieningen. De vorderingen in het incident worden daarom afgewezen. 4.
- [persoon] is in het incident in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van PVO worden begroot op € 271,- aan salaris advocaat en € 135,- aan nakosten. In de hoofdzaak in conventie en in (deels voorwaardelijke) reconventie 4.
- Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in (deels voorwaardelijke) reconventie zullen zij hierna gezamenlijk worden beoordeeld. 4.
- Allereerst bestaat tussen partijen verdeeldheid over de vraag of de allonge van 10 september 2013 waarmee de huurovereenkomst zou zijn verlengd tot 31 december 2030 geldig is, dan wel of PVO daaraan gehouden kan worden. De allonge is gesloten tussen Wibo Beheer B.V. en de rechtsvoorganger van PVO. [persoon] is geen partij bij de allonge zodat de allonge voor de huurovereenkomst geen gevolgen heeft. De allonge zal dan ook bij de beoordeling van de duur van de huur buiten beschouwing worden gelaten. Bij de verdere beoordeling zal uit worden gegaan van de huurovereenkomst van 28 december
- 4.
- PVO legt aan haar primaire vorderingen een beroep op onvoorziene omstandigheden ten grondslag. Dit beroep slaagt gelet op artikel 6:258 lid 2 BW niet, zodat die vorderingen worden afgewezen. De omstandigheden die tot het stopzetten van de rijksbekostiging van de school in [plaats 2] hebben geleid komen krachtens de in het verkeer geldende opvatting voor rekening van PVO. Vast staat dat PVO niet heeft voldaan aan de twee voorwaarden die de minister heeft gesteld aan de bekostiging voor het schooljaar 2024/2025, namelijk de kwaliteit van onderwijs moest ten minste als ‘voldoende’ worden beoordeeld en het bestuur moest aannemelijk maken en erop aansturen dat de school per 1 oktober 2025 voldoende leerlingen zal hebben. Doordat aan die twee voorwaarden niet is voldaan is de bekostiging stopgezet. Het voldoen aan die voorwaarden ligt slechts in de invloedsfeer van PVO en valt alleen onder haar verantwoordelijkheid. Het zijn ook voorwaarden die al langer gelden en waarmee PVO bekend is. Van een (onvoorzien) gewijzigd overheidsbeleid is geen sprake. Voor zover het aan wanbeheer van het voormalig bestuur van PVO te wijten is dat aan die voorwaarden (eerder) niet is voldaan, geldt dat de gevolgen van deze bedrijfsvoering voor rekening en risico van PVO moet blijven. Zij mag dit niet afwentelen op [persoon] . De verwijzing van PVO naar de door haar in de dagvaarding aangehaalde uitspraken gaat gelet op voorgaande dan ook niet op. 4.
- Voorgaande betekent dat de huurovereenkomst eindigt na 31 december
- Tot en met 31 december 2025 moet PVO voldoen aan haar huurbetalingsverplichtingen. Het niet kunnen betalen van de huur wegens het wegvallen van de rijksbekostiging, staat aan veroordeling van PVO tot betaling van huur niet in de weg. Voor de exploitatieverplichting op grond van de huurovereenkomst geldt dat nakoming daarvan onmogelijk is geworden, zodat PVO niet veroordeeld kan worden tot nakoming van die verbintenis (vgl. HR 21-5-1976, LJN: AC5738). De school is per 1 augustus 2024 gesloten, er zijn geen leerlingen en docenten meer. 4.
- De door PVO gevorderde betaling van de waarborgsom wordt ook afgewezen. Op grond van artikel 6.3 van de huurovereenkomst dient [persoon] uiterlijk twee maanden na beëindigen van het huurcontract de waarborgsom (terug) te betalen minus de eventueel openstaande huurtermijnen. Nu de huurovereenkomst nog niet is geëindigd, is betaling van de waarborgsom nog niet opeisbaar en wordt daarop ook niet vooruitgelopen. 4.
- Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen worden de primaire vorderingen van PVO afgewezen. De door PVO subsidiair gevorderde verklaring voor recht wordt toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld. De door [persoon] primair gevorderde nakoming van de huurovereenkomst wordt gedeeltelijk toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld. Nu de huurovereenkomst niet wordt ontbonden, wordt niet toegekomen aan de beoordeling van de voorwaardelijke reconventionele vordering van [persoon] tot betaling van schadevergoeding wegens ontbinding van de huurovereenkomst. 4.
- [persoon] vordert betaling van de beslagkosten voor het door hem op 17 januari 2025 gelegde conservatoire beslag. Deze vordering wordt afgewezen. Tijdens de zitting is namelijk vast komen te staan dat dit beslag is opgeheven wegens betaling door PVO. 4.
- Omdat partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten in zowel conventie als in reconventie worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen. Nu er geen kostenveroordeling wordt toegewezen zijn gevorderde nakosten niet toewijsbaar. 5De beslissing De kantonrechter: in het incident 5.
- wijst het gevorderde af; 5.
- veroordeelt [persoon] in de proceskosten van het incident, waarvan € 406,00 aan PVO te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [persoon] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 5.
- verklaart het vonnis voor zover het de veroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad; in de hoofdzaak in conventie 5.
- verklaart voor recht dat de huurovereenkomst van 28 december 2012 tussen partijen per 1 januari 2026 eindigt; 5.
- compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; 5.
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af; in reconventie 5.
- veroordeelt PVO tot nakoming van de huurovereenkomst van 28 december 2012 voor wat betreft de huurbetalingsverplichting tot 1 januari 2026; 5.
- compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; 5.
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Luijks en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2025.