← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2025:6691

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Tilburg Zaaknummer: 11560644 \ VV EXPL 25-15 Vonnis in kort geding van 3 april 2025 in de zaak van de besloten vennootschap [eiser] B.V., gevestigd te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. J.J.L. Paijmans, advocaat te Tilburg, tegen de besloten vennootschap [gedaagde] B.V., gevestigd en kantoorhoudende te [plaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. J.G.A. Linssen, advocaat te Tilburg. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 5 maart 2025 met producties;- de brief van 11 maart 2025 van [eiser] met één productie;- de conclusie van antwoord van 12 maart 2025 met producties;- de akte overlegging producties van [eiser] van 13 maart 2025 met producties; - de mondelinge behandeling van 13 maart 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de pleitnota van [eiser] ; - de pleitnota van [gedaagde] . 2De zaak in het kort 3De feiten Tussen partijen staat het volgende vast: - [eiser] is eigenaresse en verhuurder van de bedrijfsruimte, staande en gelegen te [plaats 2] (verder: het gehuurde); - [gedaagde] exploiteert een winkel in modeartikelen in het gehuurde; - sinds eind december 2023 is er sprake (geweest) van wateroverlast in het onderste kelderdeel en de liftschacht van het gehuurde. Vanaf januari 2024 is er tussen partijen correspondentie gevoerd over het herstel van de gebreken; - bij dagvaarding van 6 augustus 2024 heeft [gedaagde] een kort gedingprocedure aanhangig gemaakt met onder andere een vordering om de gebreken te herstellen. Ter mondelinge behandeling is de zaak aangehouden voor minnelijk overleg tussen partijen; - op 26 augustus 2024, 29 augustus 2024 en 17 september 2024 heeft de gemachtigde van [eiser] contact opgenomen met de gemachtigde van [gedaagde] met betrekking tot het herstel van de gebreken. Op 3 oktober 2024 heeft de gemachtigde van [gedaagde] op deze e-mailberichten gereageerd; - op 28 oktober 2024 bericht de aannemer van [eiser] aan de vastgoedbeheerder van [eiser] dat [gedaagde] heeft aangegeven dat zij liever heeft dat de werkzaamheden in het eerste kwartaal van 2025 zouden plaatsvinden. De gemachtigde van [eiser] heeft daarop navraag gedaan bij de gemachtigde van [gedaagde] of de werkzaamheden al in het laatste kwartaal van 2024 konden aanvangen. Op 29 oktober 2024 bericht de gemachtigde van [gedaagde] dat de werkzaamheden in het laatste kwartaal van 2024 kunnen aanvangen, maar dat er zorgen zijn bij [gedaagde] dat de verkopen in de winkel niet op een ongestoorde wijze kunnen worden gecontinueerd, terwijl november en december de maanden zijn waarin de meeste omzet wordt gedraaid door [gedaagde] ; - in aanvulling op het voorgaande stuurt de gemachtigde van [gedaagde] op 31 oktober 2024 aan de gemachtigde van [eiser] dat voor [gedaagde] van belang is dat de internetverbinding in stand blijft gedurende de werkzaamheden en dat de meeste omzet wordt gedraaid vanaf donderdagmiddag tot zondagavond met de vraag of daarmee rekening kan worden gehouden bij de uitvoering van de werkzaamheden; - bij vonnis van 1 november 2024 heeft de kantonrechter te Tilburg [eiser] onder andere veroordeeld om de gebreken (waterschade, stankoverlast, schimmelvorming en de niet werkende lift) te verhelpen binnen drie maanden na betekening van dat vonnis op straffe van verbeurte van een dwangsom; - de vastgoedbeheerder van [eiser] heeft op 1 november 2024 aan de directeur van [gedaagde] bericht dat de werkzaamheden zullen plaatsvinden van maandagochtend tot en met donderdagochtend. Ook zal een afsluitbare sluis worden geplaatst om overlast door bouwstof te minimaliseren. Tot slot zal een frame worden gemaakt om de server van [gedaagde] te beschermen; - op 4 november 2024 heeft [gedaagde] het vonnis laten betekenen aan [eiser] ; - op 19 november 2024 bericht de gemachtigde van [gedaagde] aan de gemachtigde van [eiser] dat, ondanks eerdere afspraken tussen partijen, werd medegedeeld dat de internetverbinding mogelijk zou moeten worden verbroken voor onbepaalde tijd. Hij vraagt duidelijkheid te verschaffen over de onderbreking van de internetverbinding en, als de internetverbinding wordt verbroken, of de schade aan de zijde van [gedaagde] wordt vergoed; - op 20 november 2024 heeft [naam 1] , gerechtsdeurwaarder te [plaats 2] , een proces-verbaal opgemaakt, waarin is opgenomen: “(…) In de kelder van de bedrijfsruimte werkzaamheden plaatsvinden die stof veroorzaken. De patchkast in de kelder zat volledig onder het stof, er waren geen, voor mij zichtbare, maatregelen genomen om binnendringend stof te voorkomen. (…) Daarnaast heb ik geconstateerd dat er geen internet was in de bedrijfsruimte van [gedaagde] . (…)”; - op 20 november 2024 bericht de gemachtigde van [gedaagde] aan de gemachtigde van [eiser] dat die dag het internet bij [gedaagde] is uitgevallen, waardoor er geen pinbetalingen meer konden plaatsvinden en de website van [gedaagde] niet werkte. [gedaagde] stelt [eiser] aansprakelijk voor de schade en sommeert per direct een monteur in te schakelen om de internetverbinding te herstellen. [eiser] heeft in reactie op dat e-mailbericht de aansprakelijkheid afgewezen, omdat het wegvallen van de internetverbinding pas aan het eind van de dag is gemeld. Er wordt toegezegd dat een monteur de internetverbinding zal komen herstellen; - op 2 december 2024 vraagt de gemachtigde van [eiser] aan de gemachtigde van [gedaagde] of de werkzaamheden geïntensiveerd kunnen worden naar zes dagen per week; - op 9 december 2024 vraagt de gemachtigde van [eiser] aan de gemachtigde van [gedaagde] of [gedaagde] [eiser] in de gelegenheid stelt meer tijd te nemen voor de herstelwerkzaamheden; - op 17 december 2024 vraagt de gemachtigde van [eiser] aan de gemachtigde van [gedaagde] nogmaals of de werkzaamheden geïntensiveerd kunnen worden; - op 23 december 2024 bericht de gemachtigde van [gedaagde] aan de gemachtigde van [eiser] onder andere dat een intensivering van de werkzaamheden niet nodig lijkt. Ook wordt niet ingestemd met opschorting, uitstel of verlenging van de termijn, waarbinnen de herstelwerkzaamheden plaats moeten vinden; - op 4 februari 2025 laat de gemachtigde van [eiser] aan de gemachtigde van [gedaagde] weten dat de herstelwerkzaamheden verband houdend met de aanvankelijk aanwezige gebreken in de kelder die de wateroverlast hebben veroorzaakt zijn afgerond, maar dat zeer recent nog een (kleine) nieuwe lekkage onder de trap is aangetroffen en dat [eiser] op een zo kort mogelijke termijn de naar verwachting laatste (nieuwe) herstelwerkzaamheden zal laten uitvoeren en afronden. 4Het geschil 4.
  2. [eiser] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: primair de bij vonnis van 1 november 2024 onder zaaknummer 11247693 \ VV EXPL 24-70 opgelegde dwangsommen te herzien, te wijzigen, (gedeeltelijk), al dan niet tegen zekerheidsstelling, op te heffen, te verminderen of op te schorten, in die zin dat deze pas (kunnen) komen te verbeuren 12 + 32,5 werkdagen (waaronder begrepen zaterdagen) na 4 februari 2025, dus eerst na 27 maart 2025, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum; subsidiair de tenuitvoerlegging van het vonnis van 1 november 2024 onder zaaknummer 11247693 \ VV EXPL 24-70 te schorsen tot 27 maart 2025 of tot een andere in goede justitie te bepalen datum; primair en subsidiair [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente daarover. 4.
  3. [eiser] stelt dat zij zich aantoonbaar volop heeft ingespannen om de gebreken aan het gehuurde binnen de gestelde termijn van drie maanden te verhelpen. [gedaagde] heeft zich eerst op het standpunt gesteld dat de herstelwerkzaamheden pas vanaf januari 2025 konden gaan plaatsvinden. Later is de mogelijkheid geboden de werkzaamheden eerder uit te laten voeren, maar [gedaagde] heeft [eiser] daarbij gevraagd om op donderdagmiddagen, vrijdagen, zaterdagen en zondagen geen werkzaamheden te laten verrichten. Hiermee is [eiser] gedurende de looptijd van de termijn voor herstel 32,5 werkdag verloren. Op 19 november 2024 heeft [gedaagde] bepaalde herstelwerkzaamheden tegengehouden. Daarnaast is het meerdere malen voorgekomen dat medewerkers van [gedaagde] regelmatig later aankwamen, terwijl medewerkers van de ingeschakelde aannemers al klaar stonden. Ook mochten werkvoertuigen vanaf 11 uur ’s ochtends niet meer bij het gehuurde parkeren. Tot slot waren er in de periode rondom kerst en oudjaar twaalf dagen dat er geen werkzaamheden werden uitgevoerd door de ingeschakelde aannemers. Het gewenste en noodzakelijke herstel is volgens [eiser] niet eenvoudig gebleken. Tijdens de uitvoering van de herstelwerkzaamheden zijn tussentijds steeds nieuwe, niet eerdere geconstateerde oorzaken van de wateroverlast ontdekt. Die ontdekte oorzaken van wateroverlast heeft [eiser] steeds vakkundig en voortvarend laten verhelpen. Ondanks het voorgaande is nu alleen nog sprake van een pas recent ontdekte oorzaak van een lekkage aan de achterzijde van het pand. Deze lekkage is daarop door deskundigen nader onderzocht en op 19 februari 2025 is een offerte uitgebracht voor de herstelwerkzaamheden. De herstelwerkzaamheden zijn door de aannemer op 3 maart 2025 aangevangen en zullen in de week na de mondelinge behandeling worden afgerond. Gelet op het voorgaande heeft [eiser] aan [gedaagde] om meer tijd verzocht om de gebreken te herstellen. [gedaagde] heeft daarop medegedeeld niet bereid te zijn uitstel te verlenen aan [eiser] . Gelet op het voorgaande vordert [eiser] – kortgezegd – de dwangsommen nog niet in te laten gaan voor de duur van de periode dat [eiser] door [gedaagde] niet aan herstelwerkzaamheden toekwam, dan wel de executie van het voornoemde vonnis op te schorten. 4.
  4. In reactie op het verweer van [gedaagde] voert [eiser] aan dat er tijdens de eerdere mondelinge behandeling niet is gezegd dat de werkzaamheden binnen één maand zouden zijn afgerond. Als dit wel het geval was geweest had de kantonrechter [eiser] niet drie maanden in de gelegenheid gesteld de werkzaamheden uit te voeren. Het is niet juist dat [eiser] zich voor het eerdere kort geding niet heeft ingezet de gebreken te herstellen. Zij kon daar echter pas laat in het jaar toe overgaan, omdat volgens deskundigen moest worden gewacht op de daling van het grondwaterpeil. In de periode dat de zaak is aangehouden heeft de gemachtigde van [eiser] steeds contact gezocht met de gemachtigde van [gedaagde] , maar die reageerde niet. Inmiddels is gebleken dat het herstel niet eenvoudig was en zijn er aantoonbaar veel werkzaamheden verricht. Gelet op het voorgaande en het nieuwe gebrek is het onredelijk dat [gedaagde] geen uitstel toestaat, zodat [eiser] bij haar standpunt blijft. 4.
  5. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente daarover. 4.
  6. Ter onderbouwing van haar verweer voert zij aan dat [eiser] al lange tijd bekend is met de gebreken en de daaruit voortvloeiende overlast. Zij was pas bereid iets te doen aan de gebreken op het moment dat het eerdere kort geding aanhangig werd gemaakt. Daarvoor bleef zij zich ten onrechte op het standpunt stellen dat de overlast werd veroorzaakt door het hoogstaande grondwater, terwijl juist uit het deskundigenrapport van LEKK volgt dat de wateroverlast meerdere oorzaken had. Het kort geding is vervolgens aangehouden om [eiser] in de gelegenheid te stellen de werkzaamheden uit te voeren. Ook toen werden er haast geen werkzaamheden uitgevoerd, zodat [gedaagde] uiteindelijk vonnis heeft gevraagd. Het is juist dat er geen correspondentie tussen partijen is gevoerd in die periode, maar van de zijde van [gedaagde] is een voorstel gedaan voor een bespreking en daar is geen tegenvoorstel op ontvangen. 4.
  7. In het vonnis heeft [eiser] drie maanden de tijd gehad om de gebreken te verhelpen, terwijl namens [eiser] op de mondelinge behandeling is medegedeeld dat de werkzaamheden binnen één maand zouden kunnen worden afgerond. Nadat het vonnis werd ontvangen (en is betekend) heeft [eiser] werkzaamheden laten uitvoeren, maar heeft ervoor gekozen te starten met werkzaamheden die niet in de deskundigenrapporten werden vermeld. [gedaagde] stelt dat zij voorafgaand aan de start van de werkzaamheden niet heeft gezegd dat de werkzaamheden pas in het eerste kwartaal van 2025 mochten plaatsvinden. Zij heeft hooguit aangegeven dat dit voor haar beter uit zou komen, omdat november en december haar drukste maanden zijn. Zij heeft een dag later bericht dat [eiser] kon beginnen met de werkzaamheden zoals was afgesproken tussen partijen. [eiser] heeft daarnaast gesteld dat [gedaagde] haar heeft verboden werkzaamheden uit te voeren op specifieke dagen, maar dat is niet het geval geweest. [gedaagde] heeft alleen haar zorgen geuit richting [eiser] of zij haar onderneming volledig kon blijven exploiteren tijdens de werkzaamheden. Zij heeft gevraagd om er rekening mee te houden dat november en december de maanden zijn voor [gedaagde] , waarin de meeste omzet wordt gerealiseerd. Vervolgens zijn de door [eiser] ingeschakelde derden op meerdere werkdagen niet of pas (veel) later dan mogelijk en/of afgesproken verschenen. Dat de bedrijfsauto’s van de aannemer niet bij het gehuurde konden parkeren na 11:00 uur betekent niet dat er geen werkzaamheden konden worden uitgevoerd. 4.
  8. In januari 2025 stelde [eiser] zich ineens op het standpunt dat alle gebreken waren verholpen en er enkel sprake was van een nieuw gebrek, zodat zij in januari en februari 2025 helemaal geen werkzaamheden heeft laten verrichten, ondanks dat van de zijde van [gedaagde] steeds werd medegedeeld dat er nog steeds sprake was van wateroverlast. In januari en februari 2025 had [eiser] volgens [gedaagde] juist de werkzaamheden kunnen intensiveren. Hier heeft zij niet voor gekozen. Het is ook onjuist dat enkel nog sprake is van een nieuwe lekkage. De wateroverlast in dat deel van het gehuurde is altijd aanwezig geweest en is (nog) niet afgenomen. Dit volgt ook uit de expertiserapporten en verklaringen van medewerkers van [gedaagde] . Daarbij groeide in die hoek van het gehuurde schimmels en zwammen die niet in een paar weken konden opkomen. 4.
  9. Het is volgens [gedaagde] verder juist dat er in november en december 2024 twee keer een discussie is geweest tussen partijen. De eerste keer was zonder toe- of instemming van [gedaagde] de serverkast ontkoppeld en was de webshop van [gedaagde] niet meer bereikbaar. Ook kon er niet meer worden gepind in de winkel. Dit zorgde ervoor dat [gedaagde] haar onderneming niet kon exploiteren. De aannemer van [eiser] gaf aan dat de server voor onbepaalde tijd werd afgesloten. Daar kon [gedaagde] niet mee instemmen. De tweede keer hebben medewerkers van de aannemer van [eiser] gewacht voor een gesloten deur, terwijl zij niet hadden aangebeld. Deze twee incidenten kunnen [gedaagde] niet worden verweten. 4.
  10. Voor zover de stellingen van [eiser] worden gevolgd kan er niet vanuit worden gegaan dat daarmee 32,5 dag verloren zou zijn gegaan, omdat het niet geloofwaardig is dat in het weekend werkzaamheden zouden worden uitgevoerd. [eiser] gaat er vervolgens ten onrechte vanuit dat de behandelend kantonrechter in het eerdere kort geding geen rekening heeft gehouden met de weken rondom kerst en oudjaar. Dit is ook onjuist. Dit blijkt niet uit het vonnis en ter mondelinge behandeling in dat kort geding heeft [eiser] medegedeeld ongeveer één maand nodig te hebben om de gebreken te herstellen. Ook is niet onderbouwd dat er niet kon worden gewerkt in die dagen. [eiser] is dus door haar eigen nalatige gedrag dwangsommen verschuldigd geworden. Gelet op het voorgaande en de stellingen van [eiser] heeft [eiser] haar waarheids- en substantiëringsplicht overtreden, zodat [gedaagde] vraagt daar de gevolgen aan te verbinden die de kantonrechter geraden acht. 4.
  11. Vervolgens voert [gedaagde] aan dat een dwangsom op grond van artikel 611d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) alleen kan worden opgeheven, opgeschort of verminderd als de onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen objectief en aantoonbaar is. Het handelen van [eiser] heeft ertoe geleid dat niet tijdig aan de veroordeling is voldaan, zodat van het voorgaande geen sprake is. Verbeurde dwangsommen kunnen niet worden verminderd, zodat de verbeurde dwangsommen vanaf 5 februari 2025 tot en met 5 maart 2025 in ieder geval verschuldigd blijven. [gedaagde] ziet vervolgens geen aanleiding de executie van het vonnis te schorsen in afwachting van de bodemprocedure, omdat het om een relatief overzichtelijke beoordeling gaat. Ook zou de verwijzing leiden tot onnodige vertraging, terwijl [gedaagde] al ruim veertien maanden wacht op het herstel van de gebreken. Ook is er geen zwaarwegend belang aan de zijde van [eiser] gesteld en is artikel 438 lid 3 Rv niet bedoeld om te ontkomen aan de executie van een vonnis. 5De beoordeling Spoedeisend belang: 5.
  12. In het eerder tussen partijen gewezen vonnis in de kort geding procedure is een termijn van drie maanden gegeven voor het herstel van de gebreken. Nu die termijn inmiddels is verlopen, vloeit het spoedeisend belang van [eiser] voort uit de aard van haar vorderingen. Toetsingskader: 5.
  13. Beoordeeld moet worden of het aannemelijk is dat de vorderingen in een bodemprocedure zullen worden toegewezen, waarbij tevens de wederzijdse belangen van partijen dienen te worden afgewogen. Als uitgangspunt geldt bovendien dat, gelet op de aard van het kort geding, in deze procedure in het algemeen geen plaats is voor uitgebreide bewijslevering. 5.
  14. In de onderhavige procedure staan twee onderwerpen centraal. [eiser] vordert op grond van artikel 611d Rv – kort gezegd – opschorting van de dwangsommen. Daarnaast maakt zij op de voet van artikel 438 Rv een executiegeschil aanhangig. Een beslissing op de eerste vordering is voorbehouden aan de dwangsomrechter, terwijl de executierechter een beslissing neemt over het executiegeschil. In onderhavig geval is de kantonrechter bevoegd om op te treden als dwangsomrechter en executierechter, omdat het vonnis in de eerdere kort geding procedure is gewezen door een kantonrechter van deze rechtbank. Dwangsom : 5.
  15. Tussen partijen staat vast dat in het eerder tussen partijen gewezen kort geding vonnis is geoordeeld dat [eiser] binnen drie maanden na betekening van het vonnis de gebreken aan het gehuurde (waterschade, stankoverlast, schimmelvorming en de niet werkende lift) dient te verhelpen. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld. Ook is (nog) geen bodemprocedure aanhangig gemaakt. Daarnaast staat tussen partijen vast dat er thans nog sprake is van wateroverlast, zodat niet aan de veroordeling in het vonnis is voldaan en de dwangsommen in beginsel zijn verbeurd. 5.
  16. Artikel 611d Rv bepaalt dat de dwangsomrechter de dwangsom kan opheffen, de looptijd ervan kan opschorten of de dwangsom kan verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde (in dit geval [eiser] ) om aan de veroordeling te voldoen. Van onmogelijkheid is sprake indien zich een situatie voordoet waarin de dwangsom als dwangmiddel, dat wil zeggen als geldelijke prikkel om nakoming van de veroordeling zoveel mogelijk te verzekeren, zijn zin verliest. Dit laatste moet worden aangenomen in een geval waarin niet tijdig aan de hoofdveroordeling is voldaan en het onredelijk zou zijn meer inspanning en zorgvuldigheid te vergen dan de veroordeelde heeft betracht. Het vorenstaande brengt mee dat de dwangsomrechter dient te onderzoeken of [eiser] als veroordeelde sinds zijn veroordeling op 1 november 2024 al het mogelijke heeft gedaan om aan de veroordeling te voldoen. De onmogelijkheid om de veroordeling uit te voeren moet dan ook in beginsel worden beoordeeld aan de hand van feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de veroordeling. Met feiten en omstandigheden van vóór de veroordeling is immers al rekening gehouden door de dwangsomrechter in het vonnis van 1 november
  17. Het is aan [eiser] om aannemelijk te maken dat zij sinds haar veroordeling redelijkerwijze al het mogelijke heeft gedaan om aan de hoofdveroordeling te voldoen. 5.
  18. De kantonrechter overweegt dat een groot deel van de stukken en stellingen van partijen gaan over de houding van partijen in aanloop naar (de betekening van) het kort geding vonnis dat tussen partijen is gewezen. Met betrekking tot dit onderdeel van de vordering is, gelet op hetgeen hiervoor onder r.o. 5.5 is overwogen alleen van belang wat er tussen het wijzen van het vonnis en de afloop van de daarin opgenomen termijn heeft plaatsgevonden. De kantonrechter laat het handelen van partijen voor 1 november 2024 dan ook buiten beschouwing bij de beoordeling van de vordering tot wijziging van de dwangsom. 5.7 [eiser] stelt zich op het standpunt dat zij zich aantoonbaar volop heeft ingespannen om de gebreken aan het gehuurde tijdig – binnen de gestelde drie maanden – te verhelpen. De onmogelijkheid om te voldoen aan de veroordeling wijt [eiser] aan het feit dat zij slechts een beperkt aantal werkdagen had om aan de veroordeling te voldoen. De beperking van werkdagen wordt door [eiser] berekend op 32,5 werkdag + 12 gemiste werkdagen in de kerstperiode. Verder stelt [eiser] dat zij pas eind januari 2025 op de hoogte raakte van de oorzaak van de wateroverlast bij de lift aan de achterzijde van het pand, zodat zij in de onmogelijkheid verkeerde om tijdig dit gebrek te verhelpen. 5.8 Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] aan [eiser] heeft medegedeeld dat haar drukste dagen vanaf donderdagmiddag tot zondagavond zijn. Tussen partijen is in geschil of daarmee tevens werd bedoeld dat [eiser] geen werkzaamheden mocht laten uitvoeren op die middag/dagen. Uit het e-mailbericht van 31 oktober 2024 van de gemachtigde van [gedaagde] volgt dat alleen wordt gevraagd maatregelen te nemen om de exploitatie van de onderneming van [gedaagde] niet te frustreren. [eiser] heeft vervolgens in overleg met [gedaagde] afgesproken dat op die middag/dagen geen werkzaamheden worden uitgevoerd, aangezien die dagen essentieel zijn voor de omzet van [gedaagde] . Daarmee is [eiser] tegemoet gekomen aan de wens van [gedaagde] om maatregelen te nemen om de exploitatie van [gedaagde] zo min mogelijk te frustreren. Het feit dat er in die dagen dus niet is gewerkt maakt niet dat [eiser] zich onvoldoende heeft ingespannen om aan de veroordeling te voldoen. Voorts heeft [eiser] al op 2 december 2024 verzocht om de werkzaamheden te mogen intensiveren en indien [gedaagde] daarvoor geen toestemming geeft, om verlenging van de termijn van drie maanden. Pas op 23 december 2024 bericht de gemachtigde van [gedaagde] dat intensivering van de werkzaamheden vooralsnog achterwege kan blijven, zodat het, gelet op het voorgaande, ook niet onbegrijpelijk is dat [eiser] niet alsnog de werkzaamheden heeft geïntensiveerd. Gelet op het vorenstaande is er derhalve na de veroordeling sprake geweest van een beperking/onmogelijkheid aan de zijde van [eiser] om tijdig aan de veroordeling te voldoen. Deze beperking kan (met uitzondering van week 52 van 2024 en week 1 van 2025) worden bepaald op 27,5 dagen (2,5 dag x 11 weken). Uit het aanbod van [eiser] van 2 december 2024 om 6 dagen per week te werken volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat [eiser] aannemers beschikbaar had om 2,5 dag extra te werken (naast de 3,5 dag die gewerkt werd op maandag, dinsdag, woensdag en donderdagmorgen). 5.9 Aan de stelling van [eiser] , dat [gedaagde] de werkzaamheden heeft gefrustreerd, gaat de kantonrechter voorbij. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat dit voor haar rekening en risico dient te komen. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is het begrijpelijk dat [gedaagde] de werkzaamheden heeft geweigerd op het moment dat haar werd medegedeeld dat de server voor onbepaalde tijd zou worden losgekoppeld, terwijl eerder was gecommuniceerd door [eiser] dat dit niet nodig zou zijn en de exploitatie van haar onderneming afhankelijk is van die server. Dat de werknemers van de aannemer meerdere malen niet (op de afgesproken tijd) zijn toegelaten tot het gehuurde wordt gemotiveerd betwist door [gedaagde] en is niet onderbouwd door [eiser] . 5.10 Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is voorts onvoldoende onderbouwd dat niet kon worden gewerkt als de bedrijfsauto’s van medewerkers van de aannemer niet voor het gehuurde konden worden geparkeerd. Er was immers parkeergelegenheid in de omgeving van het gehuurde. 5.11 De periode rondom kerst en oudjaar (week 52 van 2024 en week 1 van 2025) kan naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter slechts leiden tot een onmogelijkheid aan de zijde van [eiser] om – naast de onmogelijkheid van de donderdagmiddag, vrijdag en zaterdag – herstelwerkzaamheden te verrichten op 25 en 26 december 2024 en op 1 januari
  19. Voldoende aannemelijk is dat op deze officiële feestdagen niet gewerkt wordt door aannemers. Voor de overige dagen in die periode is onvoldoende onderbouwd dat het voor [eiser] onmogelijk was om op die dagen herstelwerkzaamheden te laten verrichten door aannemers. Het voorgaande betekent dat er aan de zijde van [eiser] in genoemde weken een beperking/onmogelijkheid bestond om te voldoen aan de veroordeling. De kanton-rechter berekent die beperking op 4 werkdagen in week 52 en 3,5 werkdag in week 1 van
  20. 5.12 Tot slot overweegt de kantonrechter met betrekking tot de aanwezige wateroverlast naast de trap en de lift dat niet uit te sluiten is dat pas eind januari 2025 de daadwerkelijke oorzaak van deze wateroverlast is ontdekt nadat alle door deskundigen geadviseerde herstelwerkzaamheden waren uitgevoerd. Wateroverlast kan immers meerdere oorzaken hebben, zoals ook volgt uit de diverse conclusies van de deskundigenrapporten die naar meerdere mogelijke oorzaken wijzen en waarbij in genoemde rapporten regelmatig wordt gewezen op het feit dat mogelijk nader onderzoek nodig is als een eerdere oorzaak niet tot herstel leidt. De wateroverlast naast de lift en trap is echter niet nieuw, aangezien deze wateroverlast al wordt genoemd in het rapport van [naam 2] van 3 oktober
  21. Wat de oorzaak van deze wateroverlast is wordt niet duidelijk in dit rapport. [naam 2] adviseert om de loodslabben aangebracht in de zijgevel te vervangen en de gebreken aan de dakbedekking te herstellen. Deze werkzaamheden zijn door [eiser] al in november 2024 uitgevoerd, maar hebben niet geleid tot een oplossing voor deze specifieke wateroverlast bij de lift. [eiser] heeft naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd welke extra inspanningen zij na november 2024 nog heeft verricht om de oorzaak van de blijvende wateroverlast bij de liftschacht en trap te achterhalen. Het onderzoek van [naam 3] in januari 2025 lijkt meer gericht te zijn geweest op de wateroverlast in de kelder aan de voorzijde van het pand dan aan de nog steeds waarneembare wateroverlast aan de achterzijde van het pand. De stelling van [eiser] dat zij niet tijdig aan de veroordeling kon voldoen omdat op het laatste moment nog een nieuwe oorzaak van wateroverlast is ontdekt wordt dus als onvoldoende onderbouwd gepasseerd. 5.13 Het voorgaande leidt ertoe dat de kantonrechter aanleiding ziet de dwangsom op te schorten tot 11 maart
  22. 5.14 Tot slot slaagt het beroep van [gedaagde] op artikel 611d lid 2 Rv niet. De onmogelijkheid heeft plaatsgevonden voordat de dwangsommen werden verbeurd, zodat de kantonrechter, als dwangsommenrechter, bevoegd is de dwangsommen vanaf afloop van de hersteltermijn op te schorten. Schorsing van de executie van het vonnis: 5.15 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, behoeft deze vordering geen behandeling meer. Overige stellingen en weren: 5.16 Uit hetgeen ter mondelinge behandeling is besproken en is opgenomen in de processtukken en bijlages spelen nog andere geschillen tussen partijen, zoals de vermindering van het huurgenot, geleden schade, de wijze waarop de aannemers hebben gewerkt en de door [gedaagde] aan [eiser] verschuldigde bedragen uit hoofde van de huurovereenkomst. Ook volgt uit de standpunten van partijen, de standpunten van diens bestuurders en de correspondentie tussen partijen dat hun onderlinge verhouding is aangetast. Deze stellingen zijn echter niet van belang voor de beoordeling van dit geschil, zodat deze buiten beschouwing zijn gelaten. Proceskosten: 5.17 [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 122,35 - griffierecht € 135,00 - salaris gemachtigde € 543,00 - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 935,35 5.18 De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 6De beslissing De kantonrechter 6.
  23. schort de looptijd van de dwangsommen op tot 11 maart 2025, 6.
  24. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 935,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 6.
  25. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 6.
  26. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 6.
  27. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Eijssen-Vruwink en in het openbaar uitgesproken op 3 april
  28. BF

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.