vonnis RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Cluster I Civiele kantonzaken Bergen op Zoom zaak/rolnr.: 11337356 EL EXPL 24-5 vonnis d.d. 28 mei 2025 inzake 1 [naam 1] , 2. [naam 2] , beiden wonende te [plaats] , eisende partij in conventie in de hoofdzaak, verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident, gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces, tegen de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak, eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident, gemachtigde: USG Legal Professionals. Partijen worden hierna [partij 1] (in mannelijk enkelvoud) en Dexia genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 25 september 2024; de incidentele vordering ex artikel 843a, tevens houdende de conclusie van antwoord en een eis in reconventie in de hoofdzaak; de conclusie van antwoord in het incident, tevens houdende de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie in de hoofdzaak; de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie in de hoofdzaak; de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties, in de hoofdzaak; 1.2. Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen. 2 2. De feiten 2.1. [partij 1] heeft de volgende leaseovereenkomsten (verder: de overeenkomsten) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia: Nr. Contractnr. Datum Naam overeenkomst I. [contractnummer 1] 2-8-2000 Profit Effect II. [contractnummer 2] 2-8-2000 Profit Effect III. [contractnummer 3] 2-8-2000 Profit Effect 2.2. Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat: Nr. Datum eindafrekening Resultaat Betaald I. 21-6-2006 - € 2.881,65 Ja II. 21-6-2006 - € 2.881,65 Ja III. 21-6-2006 - € 2.881,65 Ja 2.3. Volgens opgave van Dexia heeft [partij 1] op grond van de overeenkomsten – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 8.699,52 aan maandtermijnen en een bedrag van € 8.644,95 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [partij 1] € 1.712,01 aan dividenden ontvangen en € 790,05 aan fiscaal voordeel genoten. Dexia heeft € 144,18 aan dividenden verrekend. Op 18 januari 2012 heeft Dexia een bedrag van € 7.402,80 aan [partij 1] uitgekeerd, volgens Dexia tweederde van de restschuld inclusief reeds verschenen rente. 2.4. De gemachtigde van [partij 1], Leaseproces, heeft bij brief van 28 november 2005 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren. 3De vordering en het verweer in de hoofdzaak en in het incident 3.1. [partij 1] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: - voorwaardelijk: Dexia ex artikel 843a zal veroordelen de aanvraagformulieren en haar versie van de ondertekende overeenkomsten aan [partij 1] te verstrekken, - in de hoofdzaak: voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [partij 1] en/of toerekenbaar is tekort geschoten, voor recht zal verklaren dat [partij 1] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden, Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [partij 1] van al datgene dat [partij 1] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [partij 1] met rente, Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten met rente. 3.2. Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij Dexia vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: - in het incident: [partij 1] ex artikel 843a zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier waar de door Leaseproces namens [partij 1] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend, - in de hoofdzaak: voor recht zal verklaren dat Dexia niets meer aan [partij 1] verschuldigd is, [partij 1] zal veroordelen in de proceskosten. 3.3. Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan. 4. Beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en in het incident algemeen 4.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [partij 1] 4.2. De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen. 4.3. Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies: er is sprake van huurkoop; er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck; Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld; [partij 1] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld; er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia. verjaring 4.4. Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [partij 1] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen. tussenpersoon 4.5. [partij 1] heeft de overeenkomsten met Dexia afgesloten via de tussenpersoon Basic Investments (verder: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd. 4.6. De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [partij 1] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [partij 1], anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [partij 1] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [partij 1] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn. Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [partij 1] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard. 4.7. [partij 1] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende: “(…) [partij 1] kwam in contact met Basic Investments, doordat adviseurs van Basic Investments (ongevraagd) aan de deur langskwamen. De adviseurs vroegen [partij 1] of hij geïnteresseerd was om geadviseerd te worden over zijn financiële mogelijkheden. De adviseurs werden door [partij 1] binnengelaten om de financiële situatie van [partij 1] door te nemen. (…) Tijdens het gesprek hebben de adviseurs van Basic Investments, de heer [naam 3] en de heer [naam 4] (hierna te noemen: ‘adviseurs’), geïnformeerd naar de financiële wensen en de financiële situatie van [partij 1] Met de adviseurs is gesproken over het feit dat de heer [partij 1] brandweerman was en dat hij vanwege Functioneel Leeftijdsontslag (FLO) een periode van tien jaar diende te overbruggen met een lager inkomen. Derhalve had [partij 1] de wens om vermogen op te bouwen voor die periode, zodat [partij 1] er niet achteruit op zou gaan. De adviseurs gaven aan dat mogelijk was om dit doel te bereiken en dat zij hier geschikte producten voor wisten. (…) De adviseurs adviseerden [partij 1] om het Profit Effect product van Bank Labouchere af te sluiten. Volgens de adviseurs zou [partij 1] op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, zodat [partij 1] na het FLO hetzelfde inkomen zou behouden als daarvoor. [partij 1] gaf aan dat hij maandelijks NLG 300,- ter beschikking had om te investeren. Aan de hand van een cashflow overzichten lieten de adviseurs zien wat de opbrengst zou zijn na tien jaar. De adviseurs lichtte de cashflow overzichten mondeling toe en maakten daarbij aantekeningen. De cashflow overzichten hielden geenszins rekening met tegenvallende koersresultaten. (…) Voorts zou er volgens de adviseurs belegd gaan worden in betrouwbare, rendabele fondsen. (…) De adviseurs vertelden [partij 1] dat hij maar drie jaar lang maandelijks NLG 300,- hoefde in te leggen voor dit product. De adviseurs adviseerden om de inleg te spreiden over drie Profit Effect overeenkomsten met ieder een maandelijkse inleg van NLG 100,-. (…) De adviseurs hebben [partij 1] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s en de daadwerkelijke constructie van dit product. Zo hebben zij er niet op gewezen dat er belegd ging worden met geleend geld en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een restschuld kon ontstaan uit hoofde van het effectenleaseovereenkomsten. Sterker nog, de adviseurs lieten een document van de Consumentenbond zien waarop vermeld stond dat de kansen op negatieve rendementen en bijbetalingen aan het eind van de looptijd 0% was. (…) Als [partij 1] op deze risico’s gewezen was, had hij de Profit Effect overeenkomsten nooit afgesloten. (…) [partij 1] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseurs en hun advies. Om deze reden heeft [partij 1] het advies van de adviseurs opgevolgd. Conform het advies van de adviseurs heeft [partij 1] drie Profit Effect overeenkomsten met ieder een maandbetaling van NLG 99,85 afgesloten bij Bank Labouchere. De aanvraagformulieren werden ter plekke ingevuld samen met de adviseurs. De overeenkomsten werden door Basic Investments per post toegestuurd (…) [partij 1] heeft de overeenkomsten ondertekend geretourneerd. (…)”. 4.8. [partij 1] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:- een cashflow van het afgesloten product; - kopieën van de overeenkomsten van 2 augustus 2000 met contractnummers [contractnummer 1] , [contractnummer 2] en [contractnummer 3] voorzien van het adviseursnummer: [adviseursnummer] -Basic Investment, - de aanbiedingsbrief van 3 augustus 2000 op briefpapier van Basic Investments, gerecht aan [partij 1], waarbij de overeenkomsten waren gevoegd; - een kopie van een uittreksel van de KvK van de eenmanszaak met als handelsnaam Basic Investments met als beschrijving van de werkzaamheden ‘Bemiddeling bij het inzetten van vertegenwoordigers bij derden, tevens het adviseren en aanbrengen van particulieren bij commissionairs en banken’. 4.9. Met deze feitelijke uiteenzetting en stukken heeft [partij 1] voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dexia heeft de door [partij 1] geschetste gang van zaken slechts in algemene termen betwist. Dexia had echter meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds geen sprake is geweest van advisering. Zo had Dexia moeten uiteenzetten op welke wijze de overeenkomsten in haar visie tot stand was gekomen. Dexia heeft weliswaar erop gewezen dat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [partij 1] en de adviseur van de tussenpersoon, maar dat kan Dexia niet baten. Voor zover Dexia daardoor in bewijsnood is, komt dat voor haar rekening en risico. Niet alleen had zij zoals hiervoor is overwogen eerder bewijs kunnen verzamelen maar daarbij komt dat Dexia destijds ervan heeft afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten en gebruik heeft gemaakt van deze tussenpersoon voor de afzet van haar producten. Dit terwijl het voor haar als aan toezicht onderworpen effecteninstelling verboden was om van die tussenpersoon cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt. Het had op haar weg gelegen om daarop controle uit te oefenen en ervoor te zorgen dat zij wel over concrete informatie beschikte over de totstandkoming van een contract en de daarbij betrokken (medewerker van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.