RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Tilburg Zaaknummer: 11464304 \ CV EXPL 24-6407 Vonnis van 4 juni 2025 in de zaak van de stichting STICHTING WONENBREBURG, gevestigd te Tilburg, eisende partij, hierna te noemen: WonenBreburg, gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders te Eindhoven, tegen [huurder] , wonende te [plaats] aan het [adres] , gedaagde partij, hierna te noemen: [huurder] , gemachtigde: mr. J. Pearson, advocaat te ‘s-Gravenhage. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 19 maart 2025 met de daarin genoemde stukken; - de op 2 mei 2025 ter griffie ontvangen akte van WonenBreburg, waarin de actuele huurachterstand is opgenomen; - de mondelinge behandeling van 9 mei 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De zaak in het kort WonenBreburg vordert ontbinding van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst en ontruiming van de gehuurde woning. [huurder] voert bij conclusie van antwoord aan dat zij lange tijd geen stabiel inkomen heeft gehad, waardoor schulden zijn ontstaan. Zij heeft op dit moment een inkomen en is bezig met het inlossen van haar schulden. In de aanloop naar de mondelinge behandeling is vervolgens gebleken dat de huurachterstand alleen maar is opgelopen. Op de mondelinge behandeling is [huurder] niet verschenen, zodat de gestelde hoogte van de huurachterstand onweersproken is gebleven. Deze ernstige tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst rechtvaardigt de ontbinding van de huurovereenkomst. De vorderingen van WonenBreburg worden toegewezen.
- Het geschil 3.
- WonenBreburg vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de woning, staande en gelegen te [plaats] aan het [adres] (verder: het gehuurde), te ontbinden; [huurder] te veroordelen tot betaling van (achterstallige) huur, gebruiksvergoeding, rente en (proces)kosten. 3.
- WonenBreburg voert ter onderbouwing van haar vordering aan dat [huurder] een huurachterstand heeft laten ontstaan. In de aanloop naar de mondelinge behandeling heeft zij een akte overgelegd, waaruit volgt dat de huurachterstand tijdens de procedure is opgelopen. Dit is volgens WonenBreburg een voldoende ernstige tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst dat het gerechtvaardigd is de huurovereenkomst tussen partijen te ontbinden met toewijzing van de overige vorderingen. 3.
- [huurder] voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van WonenBreburg, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van WonenBreburg, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van WonenBreburg in de kosten van deze procedure. 3.
- In de conclusie van antwoord voert zij aan dat zij lange tijd geen stabiel maandelijks inkomen had. Hierdoor zijn schulden ontstaan. Inmiddels ontvangt zij een stabiel maandelijks inkomen en is zij in contact getreden met de gemeentelijke kredietbank om haar schulden in te lossen. Er is dus sprake van een eenmalige nare periode. Zij werkt eraan om daaruit te komen en zal in de toekomst aan haar verplichtingen kunnen voldoen. Er is primair dan ook geen reden om de huurovereenkomst te ontbinden. Subsidiair is het, gelet op de omstandigheden van het geval, in strijd met de redelijkheid en billijkheid de huurovereenkomst te ontbinden. Op de mondelinge behandeling is alleen de gemachtigde van [huurder] verschenen. Hij gaf aan dat hij contact heeft gezocht met [huurder] , maar geen contact kon krijgen. 4De beoordeling 4.
- Bij dagvaarding vordert WonenBreburg € 2.326,16 aan achterstallige huur. Dit bedrag is niet weersproken, zodat dit deel van de vordering wordt toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag is eveneens toewijsbaar. 4.
- Op grond van artikel 6:265 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft iedere tekortkoming van een partij de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te (doen) ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding niet rechtvaardigt. De huurachterstand in de dagvaarding bedroeg al drie maanden en niet is weersproken dat deze tijdens de procedure is opgelopen tot acht maanden. In feite komt het er op neer dat [huurder] de eerste huurtermijn heeft betaald en tijdens de procedure (na de conclusie van antwoord) nog één huurtermijn heeft betaald. Alle overige huurtermijnen zijn door haar niet betaald. Gelet hierop is de ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd. 4.
- Het verweer van [huurder] kan niet tot een ander oordeel leiden. Uit de opgelopen huurachterstand volgt immers dat de financiële situatie van [huurder] niet is zoals deze door haar is geschetst in de conclusie van antwoord. Kennelijk is er geen sprake van een eenmalige nare periode waardoor zij haar huur niet kan betalen. 4.
- Het voorgaande leidt ertoe dat de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst, de ontruiming van het gehuurde en de bijbehorende nevenvorderingen worden toegewezen. uit de door WonenBreburg overgelegde akte volgt dat de huur per 1 januari 2025 € 569,54 per maand bedraagt, zodat dit bedrag aan toekomstige huur/gebruiksvergoeding wordt toegekend. 4.
- [huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Voor de akte van WonenBreburg wordt geen salaris toegekend, nu deze geen bijzondere inhoud heeft. De proceskosten van WonenBreburg worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 137,39 - griffierecht € 385,00 - salaris gemachtigde € 408,00 (2 punten × € 204,00) - nakosten € 102,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.032,39 5De beslissing De kantonrechter 5.
- ontbindt met ingang van de dag na heden de huurovereenkomst tussen partijen betreffende de woning, staande en gelegen te [plaats] aan het [adres] ; 5.
- veroordeelt [huurder] om het gehuurde binnen twee weken na de betekening van dit vonnis met al de haren en het hare te ontruimen en te verlaten en met afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van WonenBreburg te stellen; 5.
- veroordeelt [huurder] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan WonenBreburg te betalen: - een bedrag van € 2.371,53 aan achterstallige huur vanaf september 2024 tot en met december 2024 (inclusief verschenen rente), te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 2.326,16 vanaf 13 december 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening; - een bedrag van € 569,54 aan huur per maand of gedeelte daarvan vanaf 1 januari 2025 tot de dag van ontbinding van de overeenkomst; - een bedrag van € 569,54 aan gebruiksvergoeding voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [huurder] het gehuurde na de ontbinding van de huurovereenkomst feitelijk in gebruik houdt; 5.
- veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.032,39, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
- verklaart de hiervoor uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2025.