RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummers: 02-820136-14 en 02-665633-17 (gev. ttz) vonnis van de meervoudige kamer van 7 oktober 2025 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats] ( [land] ), zonder vaste woon- of verblijfplaats hier ten lande, thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting in Middelburg. Raadslieden: mr. S. van Minderhout en mr. M.E. Broekert, beiden advocaat te Breda . 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 maart, 18 maart, 24 maart, 22 mei en 29 augustus 2025. [verdachte] ) is niet verschenen op de zitting van 17 maart, 18 maart, 24 maart en 22 mei 2025, wel zijn verschenen zijn gemachtigde advocaten. Op de zitting van 29 augustus 2025 is verdachte ook verschenen. De officieren van justitie, mr. E.H. Smale en mr. H.G. Klootwijk, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 7 oktober 2025. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als Bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er -kort en feitelijk weergegeven- op neer dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan: - het medeplegen van handel in hennep en/of hasj, dan wel het bezit daarvan - het medeplegen van het bezit van 1276 gram hasj - deelname aan een criminele organisatie gericht op het plegen van Opiumwetmisdrijven - het medeplegen van (gewoonte)witwassen. 3De voorvragen 3.1 Geldigheid dagvaarding De dagvaarding is geldig. 3.2 Bevoegdheid rechtbank De rechtbank is bevoegd. 3.3 Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie Verweer I: De verdediging heeft ten aanzien van de tenlastelegging onder parketnummer 02-665633-17 een niet-ontvankelijkheids-verweer naar voren gebracht. De wijze waarop de tenlastelegging is opgesteld, levert een dubbele vervolging op. De verdediging heeft erop gewezen dat verdachte, ten aanzien van exact dezelfde uitvoeringshandelingen, wordt vervolgd zowel voor overtreding van artikel 420bis eerste lid onder a als voor overtreding van artikel 420bis eerste lid onder b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Door de cumulatieve wijze van tenlastelegging kan [verdachte] dubbel worden veroordeeld voor het witwassen van deze tenlastegelegde voorwerpen. De officieren van justitie moeten daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging voor dit feit. Verweer II De verdediging heeft bepleit dat de toepassing van stelselmatige informatie-inwinning, conform artikel 126j van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), niet voldoet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Daarnaast is betoogd dat de beoordeling van de informatie afkomstig uit het WOD-traject die heeft geleid tot de woning aan [adres 1] , evident onvoldoende transparant heeft plaatsgevonden, om welke reden niet gezegd kan worden dat er sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan witwassen, waardoor de start en de uitvoering van het onderzoek onrechtmatig is. Dit onherstelbare vormverzuim levert een schending op van de artikelen 1, 5 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). In combinatie met de overschrijding van de redelijke termijn levert dit een schending van artikel 6 van het EVRM op. De officieren van justitie moeten daarom niet-ontvankelijk worden verklaard, dan wel dient bewijsuitsluiting te volgen. De officieren van justitie hebben bij repliek de verweren gemotiveerd weersproken. Het oordeel van de rechtbank aangaande verweer I De rechtbank constateert dat [verdachte] onder parketnummer 02-665633-17 alternatief en cumulatief vervolgd wordt voor enerzijds witwashandelingen zoals die in artikel 420bis eerste lid onder a Sr zijn vermeld te weten: “de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd(
(2e)leenovereenkomst wordt als geleend bedrag een bedrag van € 700.000 en een bedrag van € 718.999 genoemd. De 2e lening is ondertekend op 24 augustus 2012. De bedragen uit de 2e lening zijn volgens de overeenkomst al verstrekt voorafgaand aan de datum van ondertekening. Er is een jaarlijks rentepercentage van 2% verschuldigd over het openstaande bedrag. Het geleende bedrag dat moet worden terugbetaald zal in 240 maandelijkse termijnen worden afgelost. Dit betekent dat elke maand € 2.916.67,- aan aflossing van de lening moet worden betaald, waarbij dan nog de rente moeten worden opgeteld. Dit levert hoge maandelijkse lasten op. Op 23 augustus 2015 is namens [getuige 1] , door een jurist uit Dubai, een brief verstuurd aan [medeverdachte 8] . In de brief wordt gewezen op het bestaan van een leenovereenkomst tussen hen, waarin het bedrag van € 700.000 staat vermeld. Als rentetarief wordt in de brief eerst 2% genoemd maar elders 4%. [medeverdachte 8] wordt ertoe gehouden alsnog over te gaan tot voldoening van achterstallige betalingen, evenals commerciële rente- rechtbank- en advocaatkosten. De verbouwing van het onroerend goed aan [adres 1] in [plaats 1] Uit het dossier blijkt dat er een verbouwing heeft plaatsgevonden aan [adres 1] in [plaats 1] , nadat het pand door [medeverdachte 8] is aangekocht. Ten behoeve van deze verbouwing werd door [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3] voor een totaalbedrag van € 535.989,50,- betaald aan leveranciers en bouwlieden, voor inventaris, bouwmaterialen en arbeidsloon. De facturen moesten op naam van [medeverdachte 8] worden gezet. Zowel [medeverdachte 7] als [medeverdachte 3] deden de betalingen steeds in contanten. [medeverdachte 3] raakte betrokken bij deze verbouwing nadat gebleken was dat er een bouwvergunning nodig was. [medeverdachte 3] heeft op verzoek van [medeverdachte 7] een vergunning uitbreiding woning aangevraagd en verkregen, nadat de verbouwing op last van de gemeente enige tijd was stilgelegd. De handtekening bij de naam [medeverdachte 8] op deze vergunning wijkt aanzienlijk af van de handtekening van [medeverdachte 8] onder haar verhoor. In de woning van [medeverdachte 3] is een notitieboekje gevonden, waarin hij de administratie van de verbouwing heeft bijgehouden. In het notitieboekje staan onder meer notities zoals: ‘ontvangsten van [verdachte] ’ en ‘ [plaats 1] [adres 1] [medeverdachte 3] afrekening voor [bijnaam 2] . De term ‘ [bijnaam 2] ’ is een bijnaam van [verdachte] . De loodgieter ( [getuige 2] ), de keukenspecialist ( [getuige 3] ), de dakdekker ( [getuige 4] ), de zwembadinstallateur ( [getuige 5] ), de vakman voor vloerverwarming ( [getuige 6] ) en tegelzetter ( [getuige 7] ) zijn als getuigen gehoord. Zij geven aan dat [medeverdachte 7] hen contant betaald heeft voor hun werkzaamheden. [medeverdachte 7] heeft meermalen aangegeven dat de facturen op naam van [medeverdachte 8] of [naam 9] kunnen worden gezet, nu de woning haar eigendom is. De werklieden hebben deze vrouw nooit gezien bij het pand. Op 9 juni 2015 is het pand aan [adres 1] doorzocht. Uit de foto’s blijkt dat verbouwing nog gaande was, maar al een vergevorderd stadium had bereikt. Tijdens de doorzoeking van de woning aan [adres 2] in [plaats 1] , waar [verdachte] en [naam 3] verbleven, is een tegel aangetroffen en gefotografeerd. [getuige 7] heeft de tegel herkend als een voorbeeldtegel uit zijn assortiment. [medeverdachte 7] heeft die tegel besteld en opgehaald ten behoeve van een plaatsing in [adres 1] in [plaats 1] . Omdat de kleur niet goed zou zijn geweest, is die tegelpartij uiteindelijk niet besteld, aldus de getuige. Daarnaast zijn voorbeeldtegels in mozaïekvorm van het merk ‘Dune’ op [adres 2] in [plaats 1] gefotografeerd. Dit tegelmerk is volgens [getuige 7] (en blijkens de factuur) besteld door [medeverdachte 3] en wel verwerkt in het pand aan [adres 1] in [plaats 1] . De verklaring van [medeverdachte 3] Volgens [medeverdachte 3] heeft [medeverdachte 7] hem eerst te verstaan gegeven dat zij werkzaamheden verrichtten voor [medeverdachte 8] . Volgens [medeverdachte 3] is [medeverdachte 8] nooit aanwezig geweest in het pand. Hij heeft haar überhaupt nooit gezien of gesproken. [medeverdachte 7] heeft later tegen [medeverdachte 3] gezegd dat het huis niet van [medeverdachte 8] is, maar dat de woning van [verdachte] is. Dit is ook aan [medeverdachte 3] verteld door [naam 8] , die hij beschouwt als ‘beste maat’ en die ook bevriend is met (en papierwerk doet voor) [verdachte] . [medeverdachte 7] heeft contact met [verdachte] , waarbij door [verdachte] wordt uitgelegd hoe alles eruit moet zien. [verdachte] is zelf één keer op de bouwplaats verschenen om uitleg te geven over de verbouwing. [medeverdachte 7] heeft daarna spullen uitgezocht en besteld bij leveranciers. [medeverdachte 3] heeft contant geld van [medeverdachte 7] ontvangen. Dit bedrag is besteed aan de betaling van bouwrekeningen en werklieden. Het geld dat [medeverdachte 7] aan [medeverdachte 3] heeft gegeven is afkomstig van [verdachte] . Daarnaast heeft [medeverdachte 3] direct contant geld van [verdachte] en zijn broer ontvangen. Hij heeft destijds ook een aantal keren de growshops bezocht en zijn geld daar bij [verdachte] opgehaald. De betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 3] De rechtbank beschouwt met name de latere verklaringen van [medeverdachte 3] als aannemelijk en geloofwaardig, omdat hij daarin ook over zichzelf belastend heeft verklaard en, als enige, in de loop van de verhoren openheid van zaken heeft gegeven. De verklaring van [medeverdachte 3] vindt bovendien op meerdere onderdelen steun in het overig bewijs. 4.3.3.7 Het juridisch kader Algemene overweging De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling voor witwassen dient te worden bewezen dat het tenlastegelegde voorwerp uit enig misdrijf (gronddelict) afkomstig is. Het is voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat de voorwerpen afkomstig zijn uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. In deze zaak is geen direct verband te leggen tussen een concreet misdrijf en de witwasvoorwerpen waarop de tenlastelegging ziet. Dat betekent dat er geen gronddelict bekend is. beoordelingskader Hoge Raad Aangezien er geen sprake is van een concreet brondelict zal bij de beoordeling of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, gebruik gemaakt worden van het door de Hoge Raad ontwikkelde beoordelingskader. In de eerste plaats is de officier van justitie verantwoordelijk voor het aandragen van feiten en omstandigheden die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat een voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Van verdachte mag vervolgens worden verlangd dat hij een verklaring geeft, waaruit blijkt dat de ten laste gelegde voorwerpen niet van misdrijf afkomstig zijn. Die verklaring moet concreet, verifieerbaar, en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. De omstandigheid dat deze verklaring van verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder, het moment en de wijze waarop deze uitleg tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of verdachte van meet af aan tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij pas in een laat stadium van het onderzoek heeft verklaard. Zodra de verklaring van verdachte voldoende tegenwicht biedt, ligt het op de weg van de officier van justitie om nader onderzoek te doen naar die verklaring over de beweerdelijke alternatieve herkomst. Als een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in de bewijsoverwegingen. Uit de resultaten van dat onderzoek zal dienen te blijken of met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de voorwerpen waarop de verdenking betrekking heeft een legale herkomst hebben en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring overblijft. 4.3.3.8 Toepassing van het juridisch kader De witwasobjecten Voordat de rechtbank kijkt naar voornoemd beoordelingskader is eerst van belang of er een relatie is vast te stellen tussen [verdachte] en de tenlastegelegde witwasobjecten. Uit de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en uit de in Bijlage II aangehechte bewijsmiddelen leidt de rechtbank hierover het volgende af. De woning en het aankoopbedrag Hoewel [verdachte] niet als juridisch eigenaar in het kadaster is vermeld, is hij wel degene die door diverse personen als de eigenaar van het onroerend goed aan [adres 1] in [plaats 1] wordt aangeduid. [zus] , wiens uitlatingen in het kader van de stelselmatige informatie-inwinning als betrouwbaar worden aangemerkt, heeft aangegeven dat [verdachte] een nieuwe woning heeft en deze woning binnenkort wil betrekken. In een tapgesprek van [naam 3] wordt bevestigd dat ze voornemens zijn te verhuizen. Het door [zus] gedetailleerd omschreven pand blijkt de woning aan [adres 1] in [plaats 1] te zijn. Ook [medeverdachte 3] heeft verklaard dat [verdachte] de eigenaar is van het pand aan [adres 1] in [plaats 1] . Dat is hem verteld door zowel [naam 8] als [medeverdachte 7] . Uit de bewijsmiddelen blijkt dat deze beide personen ook redenen van wetenschap hadden. [naam 8] was immers bevriend met [verdachte] en degene die zich eerst bij de verkopend makelaar heeft gemeld als bemiddelaar voor de oorspronkelijke koper [B.V.] en vervolgens -na het cederen van het recht tot koop- bij de notaris als adviseur bij juridische overdracht van het huis aan [medeverdachte 8] . [medeverdachte 7] is de projectleider die voor [verdachte] ter waarde van ruim vijf ton een verbouwing aan het huis uitvoerde en daarvoor grote contante geldbedragen ontving van [verdachte] en diens broer [medeverdachte 6] . Dat [naam 8] en [medeverdachte 7] tegen de politie hierover wat anders verklaarden doet daar niet aan af. Zij hebben, gezien hun rol, belang bij het tegenover de politie ontkennen van wetenschap. Ook blijkt uit het dossier dat voor de water- en energieleveranciers van deze woning [medeverdachte 8] als klant is aangemeld, maar dat het in werkelijkheid [naam 3] is die met hen contact heeft, zeggend dat zij [medeverdachte 8] is. Verder blijkt uit het dossier dat er in eerste instantie overeenstemming was over de aankoop van het huis met [naam 6] , maar dat nog werd overwogen of het huis op naam van [naam 6] danwel diens dochter danwel diens schoonzoon moest komen. Gezien de familieverhoudingen moet [naam 6] hiermee op zijn schoondochter [naam 3] en haar partner [verdachte] hebben gedoeld. Hieruit blijkt dat er bewust is nagedacht over op wiens naam het huis het beste geregistreerd kon worden. Kennelijk is uiteindelijk besloten de woning op naam van de schoonmoeder van [verdachte] , [medeverdachte 8] , te zetten terwijl, zoals hiervoor is overwogen, [verdachte] de feitelijk eigenaar werd. Om de woning te verkrijgen is, voordat [medeverdachte 8] haar handtekening zette, in vier tranches geld overgemaakt vanaf rekeningen van bedrijven van [getuige 1] . Er was aan de notaris voordien een leenovereenkomst verstrekt waarin drie andere bedrijven als leningverstrekkers waren vermeld. Na de overdracht is door [getuige 1] een andere -op een datum na de overdracht gedateerde- leenovereenkomst aan de politie gegeven. Op voormelde wijze is niet alleen getracht te verhullen wie de feitelijk eigenaar is van de woning is, maar is ook de wijze van financiering zodanig dat die schreeuwt om een uitleg, die echter door niemand is gegeven. [verdachte] moet, gezien de hele hiervoor beschreven gang van zaken en zijn belangen, van de gefingeerde leenconstructie voor de aankoop en de overboekingen middels bedrijven van [getuige 1] op de hoogte zijn geweest. Als deze betalingen niet zouden worden gedaan, zou [verdachte] immers niet als feitelijk eigenaar over de woning hebben kunnen gaan beschikken. Het feit dat zijn naam niet in de gefingeerde leenovereenkomst voorkomt, maakt dit niet anders. De geldbedragen voor de verbouwing De rechtbank concludeert uit het dossier dat [verdachte] de woning heeft laten verbouwen voordat hij daar met zijn gezin zou gaan wonen. Voor deze verbouwing heeft [verdachte] instructies gegeven en hij heeft deze (mede) gefinancierd. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat de verbouwing in opdracht van [verdachte] -die hij ook [bijnaam 2] noemt- is verricht. Het notitieboekje van [medeverdachte 3] bevestigt diens verklaring. Bijvoorbeeld waar staat: ‘ [plaats 1] [adres 1] [medeverdachte 3] afrekening voor [bijnaam 2] ’. In de notities worden betalingen voor werkzaamheden of materialen gekoppeld aan daarvoor van [verdachte] verkregen bedragen. Dat de woning ten behoeve van [verdachte] werd verbouwd blijkt ook uit hetgeen [zus] aan de informanten heeft verteld. Tot slot zijn verschillende tegels in de woning van [verdachte] en [naam 3] aan [adres 2] in [plaats 1] aangetroffen. Deze tegels zijn in relatie te brengen met de verbouwing aan [adres 1] in [plaats 1] . De persoonsgegevens van [medeverdachte 8] zijn gebruikt bij het aanvragen van een vergunning en bij het bestellen van materialen. Projectleider [medeverdachte 7] en uitvoerder [medeverdachte 3] hebben veelal contant de betalingen aan de werklieden en voor de materialen gedaan. Het geld daarvoor werd contant afgegeven door [verdachte] of zijn broer [medeverdachte 6] . Op die manier is [verdachte] buiten beeld gebleven als opdrachtgever en financierder van de luxueuze verbouwing van het pand. Het witwasvermoeden De rechtbank heeft in het dossier de volgende witwasindicatoren onderscheiden. Uit het onderzoek naar de financiële situatie van [verdachte] , alsmede uit het onderzoek naar de inkomens- en vermogenspositie van zijn partner, volgt dat zij geen toereikend legaal inkomen hebben genoten dat het voorhanden hebben van de woning en de grote (contante) geldbedragen ter financiering van de aankoop en de verbouwing zou kunnen rechtvaardigen. Uit de bewijsoverwegingen in de hoofdzaak met parketnummer 02-820136-14, onder feit 2, volgt dat [verdachte] 1176 gram hasj in bezit heeft gehad. Dit betreft een handelshoeveelheid. Het is een feit van algemene bekendheid dat bij strafbare feiten met betrekking tot drugs grote hoeveelheden cash geld omgaan. Dit doet zich, kennelijk, ook in dit geval voor, gezien de grote contante geldbedragen waarmee de verbouwing is betaald. Het bezit van grote contante geldbedragen door privépersonen is hoogst ongebruikelijk vanwege het risico van onder meer brand en diefstal, waarbij het geldbedrag in dergelijke gevallen niet is verzekerd. Voorts is door het opzetten van schijnconstructies en het inschakelen van tussenpersonen (familieleden, katvangers en buitenlandse bedrijven) veel minder inzichtelijk en transparant gemaakt hoe het één ander verkregen is. Daarenboven is door [verdachte] ook veel gebruik gemaakt van contante betalingen, waardoor chartale geldstromen gecreëerd zijn, die per definitie minder goed controleerbaar zijn dan de girale transacties. Gelet op al deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en in samenhang bezien, is het vermoeden gerechtvaardigd dat de woning en de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. De verklaring van verdachte Gezien het hiervoor benoemde vermoeden van witwassen mag van [verdachte] worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat de woning en de geldbedragen op de tenlastelegging niet van misdrijf afkomstig zijn. Medeverdachte [medeverdachte 8] heeft geen verklaring afgelegd en zich beroepen op haar zwijgrecht. Ook [verdachte] heeft geen verklaring afgelegd, terwijl hij wel op de hoogte is van deze verdenking van witwassen. Gelet op het ontbreken van een verklaring is de rechtbank van oordeel dat er geen tegenwicht is geboden tegen de witwasverdenking. Er is door [verdachte] en [medeverdachte 8] geen verklaring gegeven die het witwasvermoeden heeft kunnen ontzenuwen. Nader onderzoek door de officieren van justitie is dan ook niet aangewezen. Conclusie Dit leidt tot de conclusie dat een criminele herkomst als enig aanvaardbare verklaring kan gelden voor de witwasobjecten. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de hoogte van de bedragen, gedurende een lange periode van enkele jaren waarin het één en ander herhaaldelijk heeft plaatsgevonden, ook het onderdeel ‘gewoonte’ bewezenverklaard kan worden. Daarmee is wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen. Het voorwaardelijk verzoek van de verdediging De verdediging heeft verzocht [zus] als getuige te mogen horen in het geval de rechtbank [verdachte] op basis van een verklaring van [zus] als rechthebbende van [adres 1] zou aanmerken. Ter onderbouwing is aangegeven dat de verdediging nog niet de gelegenheid heeft gehad haar te ondervragen en een belang daarbij moet worden verondersteld waarbij is verwezen naar artikel 6 van het EVRM en het Keskin-arrest. De rechtbank toetst het verzoek -gezien het stadium van de procedure waarin het is gedaan- aan het noodzaakcriterium en concludeert tot afwijzing daarvan. In het vooronderzoek is door [zus] alleen een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris. Deze getuigenverklaring is aan het dossier van [verdachte] toegevoegd. Hetgeen [zus] bij de rechter-commissaris heeft verklaard kan niet als een voor [verdachte] belastende verklaring worden beschouwd. Van een Keskin-getuige is daarom geen sprake. Anders dan de verdediging ziet de rechtbank de uitlatingen die [zus] heeft gedaan tijdens het WOD-traject niet als een in het vooronderzoek afgelegde getuigenverklaring. Nu het verzoek niet een Keskin-getuige betreft, mag van de verdediging worden verwacht dat wordt gemotiveerd waarom het horen van deze getuige noodzakelijk is. Die onderbouwing ontbreekt echter. Er is enkel aangegeven dat het een Keskin-getuige zou betreffen. De rechtbank is van oordeel dat de procedure in zijn geheel voldoet aan het door artikel 6 van het EVRM gewaarborgde recht op eerlijk proces. Bij de rechter-commissaris zijn (in de zaak van een medeverdachte) de informatie-inwinnende verbalisanten gehoord omtrent de uitlatingen van [zus] waarover zij hebben gerelateerd. Deze verhoren zijn aan het dossier van [verdachte] toegevoegd. Bovendien zijn de processen-verbaal met betrekking tot de uitlatingen van [zus] niet het enige bewijsmiddel waaruit de betrokkenheid van [verdachte] bij het tenlastegelegde feit volgt. Het voorwaardelijk verzoek zal daarom worden afgewezen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] Inzake parketnummer 02-820136-14: feit 2: op 9 juni 2015 te [plaats 1] opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van (in totaal) 1176 gram hasj, zijnde hasj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II; Inzake parketnummer 02-665633-17: in de periode van 1 augustus 2012 tot en met 9 juni 2015 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededaders, toen en daar A van een voorwerp en geldbedragen, te weten van: * een woning/villa (met grond) aan [adres 1] te [plaats 1] en * een geldbedrag van 718.088,78 euro (ten behoeve van de aankoop van een woning/villa (met grond) aan [adres 1] te [plaats 1] ) en * grote contante geldbedragen van totaal 535.989,50 euro (zijnde betalingen/uitgaven ten behoeve van de verbouwing van de woning aan [adres 1] [plaats 1] ) de herkomst verborgen en/of verhuld en verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd voorwerp en/of geldbedragen is EN B een voorwerp en geldbedragen, te weten: * een woning/villa (met grond) aan [adres 1] te [plaats 1] en * een geldbedrag van 718.088,78 euro (ten behoeve van de aankoop van een woning/villa (met grond) aan [adres 1] te [plaats 1] ) en * grote contante geldbedragen van totaal 535.989,50 euro, (zijnde betalingen/uitgaven ten behoeve van de verbouwing van de woning aan [adres 1] [plaats 1] ) verworven en/of voorhanden gehad en/of omgezet en/of van dat (genoemde) voorwerp(
- en)en/of die geldbedrag(
- en)gebruik gemaakt, terwijl hij en zijn mededaders wisten, dat dat voorwerp en die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte] is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. [verdachte] zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. [verdachte] is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officieren van justitie De officieren van justitie vorderen aan [verdachte] op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden. Daarnaast is een vordering tot gevangenneming in de strafeis opgenomen. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft betoogd om, bij een bewezenverklaring, rekening te houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn voor berechting in strafzaken. Dit moet niet alleen tot matiging van de straf leiden, maar ook tot een andere strafmodaliteit (een taakstraf of een geldboete). De vordering tot gevangenneming dient te worden afgewezen. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Strafmaatoverwegingen [verdachte] heeft zich, in de periode van 1 augustus 2012 tot en met 9 juni 2015, schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen van een luxueuze villa, een geldbedrag van 718.088,78 euro (voor de aankoop van het pand) en een geldbedrag van 535.989,50 euro (voor de verbouwing van het pand). Daarnaast heeft [verdachte] 1.176 gram hasj voorhanden gehad. Dit is een hoeveelheid die de rechtbank niet beschouwt als een hoeveelheid voor eigen gebruik, maar heeft aangemerkt als een handelshoeveelheid. Witwassen vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financieel verkeer aan. Daarnaast heeft het in omloop zijn van witgewassen geldbedragen een corrumperende werking, faciliteert dit veelal ander strafbaar handelen en leidt het tot oneerlijke concurrentie. Er is hierbij gebruik gemaakt van katvangers, familieleden, tussenpersonen, schijnconstructies en gefingeerde documenten. De woning en de verbouwing zijn met crimineel vermogen bekostigd. Dit doet afbreuk aan het vertrouwen dat men vanzelfsprekend moet kunnen hebben in dergelijke financiële transacties. [verdachte] heeft met zijn handelen louter zijn eigen belang vooropgesteld en enorme bedragen crimineel geld in de bouw- en vastgoedsector gestoken om er zelf beter van te worden. Daarbij heeft hij er alles aan gedaan om zichzelf buiten beeld te houden. Het bezit van en de handel in verdovende middelen gaat vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers van verdovende middelen gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun drugsgebruik en geweld. Daarnaast bevatten verdovende middelen stoffen die verslavend werken en op de lange duur schadelijk zijn voor de gezondheid. De rechtbank acht [verdachte] dan ook medeverantwoordelijk voor deze nadelige effecten. [verdachte] lijkt zich om al deze gevolgen niet te hebben bekommerd. De rechtbank rekent dit [verdachte] aan. De rechtbank heeft acht geslagen op straffen die plegen te worden opgelegd in soortgelijke zaken. Daarnaast is rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (de LOVS oriëntatiepunten) voor fraude en de uitgangspunten voor overtreding van artikel 3 onder C van de Opiumwet. Daarnaast blijkt uit het uittreksel Justitiële Documentatie van [verdachte] dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld, voor overtreding van de Opiumwet, met betrekking tot feiten van lijst II (softdrugs). Kennelijk heeft deze veroordeling [verdachte] er niet van weerhouden wederom strafbare feiten te plegen. Na het begaan van onderhavige feiten is [verdachte] niet meer met justitie in aanraking gekomen. Redelijke termijn Er is in onderhavige zaak op zichzelf geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van de berechting in strafzaken. De advocaten hebben zich namens [verdachte] pas recent gesteld, namelijk op 5 maart 2025. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten in het dossier gevonden dat [verdachte] , op een eerder moment dan voornoemde datum, op de hoogte is geraakt van de verdenking in het strafrechtelijk onderzoek Biedenkopf . [verdachte] is vóór de inhoudelijke behandeling niet aangehouden, de dagvaarding en oproepingen zijn niet in persoon betekend en hij is ook niet eerder op een (voorbereidende of inhoudelijke) zitting verschenen in deze zaak. De verdediging heeft ook niet gesteld dat verdachte eerder op de hoogte was van zijn vervolging. Bij de correspondentie over het verzoek van 5 maart jl. tot aanhouding van de behandeling tegen [verdachte] heeft de verdediging aangevoerd dat hij eerst kort voor die datum op de hoogte is gekomen van de zittingen en dat er geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat hij wel op de hoogte was van de vervolging dan wel de eerdere zittingen. Deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, leiden tot de conclusie dat de redelijke termijn pas op of kort voor 5 maart 2025 is aangevangen en nog niet is overschreden, wanneer op 7 oktober 2025 in deze zaak uitspraak wordt gedaan. De rechtbank houdt er bij de bepaling van de duur van de straf desondanks wel rekening mee dat het gaat om feiten die geruime tijd geleden zijn gepleegd. Conclusie De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht, passend en geboden is. De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan [verdachte] voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv. Nu er reeds op 9 juli 2025, na de aanhouding van [verdachte] , door de rechtbank een bevel gevangenneming is afgegeven, hoeft de rechtbank bij vonnis geen beslissing meer te nemen op de vordering gevangenneming. 7Het beslag 7.1 De verbeurdverklaring De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen (de BlackBerry-telefoons), zijn vatbaar voor verbeurdverklaring. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat meerdere verdachten in het onderzoek Biedenkopf met (BlackBerry) PGP-toestellen van versleutelde communicatie gebruik hebben gemaakt, al is de communicatie hiervan – op enkele berichten na – niet ontsleuteld. De inbeslaggenomen BlackBerry-telefoons zijn bij [verdachte] aangetroffen en zijn, mede gelet op het hiervoor overwogene, tot het begaan van het misdrijf bestemd, hetgeen dient te leiden tot verbeurdverklaring. 7.2 De teruggave aan [verdachte] De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen (diverse papieren bescheiden) aan [verdachte] , aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder [verdachte] in beslag zijn genomen 7.3 De bewaring ten behoeve van de rechthebbende De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen (de sleutels van het pand aan [adres 1] in [plaats 1] ). 8De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36d, 47, 57 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 9De beslissing De rechtbank: Partiële niet-ontvankelijkheid - verklaart de officieren van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van [verdachte] voor het hierboven onder 3 genoemde deel van het onder feit 1 onder parketnummer 02-820136-14 tenlastegelegde; - verklaart de officieren van justitie voor het overige ontvankelijk in de vervolging; Partiële vrijspraak - spreekt [verdachte] partieel vrij van het overige onder feit 1 van parketnummer 02-820136-14 tenlastegelegde; Vrijspraak - spreekt [verdachte] vrij van het onder feit 3 van parketnummer 02-820136-14 tenlastegelegde; Bewezenverklaring - verklaart het onder feit 2 tenlastegelegde van parketnummer 02-820136-14 en hetgeen ten laste is gelegd onder parketnummer 02-665633-17 bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; - spreekt [verdachte] vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezenverklaarde onder 02-820136-14 de volgende strafbare feiten oplevert: feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod; - verklaart dat het bewezenverklaarde onder 02-665633-17 het volgende strafbare feit oplevert: het medeplegen van gewoontewitwassen; - verklaart [verdachte] strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt [verdachte] tot een gevangenisstraf van 28 (achtentwintig) maanden; - bepaalt dat de tijd die [verdachte] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf. Beslag - verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: * BlackBerry telefoontoestel (kenmerk 328967); * BlackBerry telefoontoestel (kenmerk 328811); * BlackBerry telefoontoestel (kenmerk 328812); * BlackBerry telefoontoestel (kenmerk 328813); * BlackBerry telefoontoestel (kenmerk 328814); * BlackBerry telefoontoestel (kenmerk 328815); * BlackBerry telefoontoestel (kenmerk 328816); * BlackBerry telefoontoestel (kenmerk 328817); * BlackBerry telefoontoestel (kenmerk 928818); * BlackBerry telefoontoestel (kenmerk 928819); * BlackBerry telefoontoestel (kenmerk 328820); * BlackBerry telefoontoestel (kenmerk 328868); * BlackBerry telefoontoestel (kenmerk 328869); * BlackBerry telefoontoestel (kenmerk 328870); * BlackBerry telefoontoestel (kenmerk 328871); * BlackBerry telefoontoestel (kenmerk 328872); * BlackBerry telefoontoestel (kenmerk 328873); * BlackBerry telefoontoestel (kenmerk 328874); * BlackBerry telefoontoestel (kenmerk 328875); * BlackBerry telefoontoestel (kenmerk 328876); * BlackBerry telefoontoestel (kenmerk 328877); * BlackBerry telefoontoestel (kenmerk 328883); * BlackBerry telefoontoestel (kenmerk 328884); * BlackBerry telefoontoestel (kenmerk 328885); * BlackBerry telefoontoestel (kenmerk 328886); * BlackBerry telefoontoestel (kenmerk 328887); * BlackBerry telefoontoestel (kenmerk 328888); * BlackBerry telefoontoestel (kenmerk 328889); * BlackBerry telefoontoestel (kenmerk 328890); - gelast de teruggave aan [verdachte] van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: * papieren bescheiden (kenmerk 273501); * papieren bescheiden (kenmerk 278650); * papieren bescheiden (kenmerk 278651); * papieren bescheiden (kenmerk 278652 ); * papieren bescheiden (kenmerk 273502); * papieren bescheiden (kenmerk 278682); * papieren bescheiden (kenmerk 273503); * papieren bescheiden (kenmerk 278487); * papieren bescheiden (kenmerk 278488); * papieren bescheiden (kenmerk 278489); * papieren bescheiden (kenmerk 273505); * papieren bescheiden (kenmerk 273506); * papieren bescheiden (kenmerk 273083); - gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(
- n)van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: * sleutelbos in twee blikken (kenmerk: 273507). Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.M. Collombon, voorzitter, mr. G.M.J. Kok en mr. A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.C. Admiraal en mr. S. Kroes, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 oktober 2025. Bijlage I De tenlastelegging Inzake parketnummer 02-820136-14: feit 1: hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 april 2014 tot en met 9 juni 2015 te [plaats 2] en/of [plaats 1] en/of elders in Nederland en/of in België en/of Frankrijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen meermalen opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, elk geval opzettelijk meermalen aanwezig heeft gehad een of meer hoeveelhe(i)d(
- en)van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of een of weer hoeveelhe(i)d(
- en)van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) (een) middel(
- en)als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; (art. 3 ahf/ond B Opiumwet; art. 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht; art. 11 lid 2 Opiumwet) feit 2: hij op of omstreeks 9 juni 2015 Le [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1276 gram hash/hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hash/hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; ( art. 3 ahf/ond B Opiumwet; art. 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht; art. 11 lid 2 Opiumwet) feit 3: hij in of omstreeks de periode van 14 april 2014 tot en met 28 februari 2015 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen) welke organisatie tot oogmerk had het plegen van (een) misdrijf/misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde, vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet, namelijk - het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van hennep en/of hash en/of - het opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote hoeveelheden) hennep en/of hash en/of - het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep en/of hash (artikel 11A Opiumwet) EN/OF hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 tot en met 9 juni 2015 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen) welke organisatie tot oogmerk had het plegen van (een) misdrijf/misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde, vierde en/of vijfde lid /of 11A van de Opiumwet, namelijk - het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van hennep en/of hash en/of - het opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote hoeveelheden) hennep en/of hash en/of - het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep en/of hash en/of - het bereiden, bewerken, verwerken, te koop aanbieden, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen of voorhanden hebben van stoffen of voorwerpen dan wel het voorhanden hebben van vervoermiddelen, ruimten, gelden of andere betaalmiddelen of het voorhanden hebben van gegevens, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid (van de Opiumwet), strafbaar gestelde feiten; (artikel 11B Opiumwet) Inzake parketnummer 02-665633-17: hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2012 tot en met 9 juni 2015 te [plaats 1] en/of Oud- [plaats 6] , gemeente Tholen en/of te [plaats 5] , gemeente Neerijnen en/of elders in Nederland en/of in Marokko en/of de Verenigde Arabische Emiraten, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, althans zich schuldig heeft/hebben gemaakt aan (schuld)witwassen immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), toen en daar (telkens) (krachtens die gewoonte) meermalen A. (telkens) van een of meer voorwerp(
- en)en/of een of meer geldbedrag(en), te weten van: * een woning/villa (met grond) aan [adres 1] te [plaats 1] en/of * een geldbedrag van 718.088,78 euro (ten behoeve van de aankoop van een woning/villa (met grond) aan [adres 1] te [plaats 1] ) en/of * een of meer (grote) (contante) geldbedrag(
- en)van (totaal) ongeveer 536.989,50 euro, althans een of meer (grote) (contante) geldbedragen (zijnde betalingen/uitgaven ten behoeve van de verbouwing(
- en)van/aan de woning aan [adres 1] [plaats 1] ) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd(
- e)voorwerp(
- en)en/of geldbedrag(
- en)is of voorhanden heeft EN/OF B. een of meer voorwerp(
- en)en/of een of meer geldbedrag(en), te weten: * een woning/villa (met grond) aan [adres 1] te [plaats 1] en/of * een geldbedrag van 718.088,78 euro (ten behoeve van de aankoop van een woning/villa (met grond) aan [adres 1] te [plaats 1] ) en/of * een of meer (grote) (contante) geldbedrag(
- en)van (totaal) ongeveer 535.989,50 euro, althans een of meer (grote) (contante) geldbedragen (zijnde betalingen/uitgaven ten behoeve van de verbouwing(
- en)van/aan de woning aan [adres 1] [plaats 1] ) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van dat/die (genoemde) voorwerp(
- en)en/of geldbedrag(
- en)gebruik gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(
- s)wist(en), althans redelijkerwijs moest(
- en)vermoeden dat dat/die voorwerp(
- en)en/of geldbedrag(
- en)- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; (artikel 420bis/ter/quater Wetboek van Strafrecht)