← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2025:6743

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Cluster I Civiele kantonzaken Breda zaak/rolnr.: 7428508 CV EXPL 18-6103 & 7545881 CV EXPL 19-982 vonnis d.d. 16 juli 2025 in de hoofdzaak: de naamloze vennootschap InBev Nederland N.V., gevestigd en kantoorhoudende te (4811 CA) Breda aan het adres Ceresstraat 1, eiseres, gemachtigde: mr. E.P.W. Korevaar, advocaat te Eindhoven, tegen 1 [persoon] , wonende te [adres 1] , gedaagde sub 1, gemachtigde: mr. drs. A.J. van der Knijff, advocaat te Breda, 2de besloten vennootschap [B.V. 1] , gevestigd te [plaats] en kantoorhoudende te [adres 2] , gedaagde sub 2, gemachtigde: mr. M. van Loo, advocaat te Breda, en 3de besloten vennootschap [B.V. 2] , gevestigd te [adres 3] , gedaagde sub 3, gemachtigde: mr. M.P. Wolf, advocaat te Breda, en in de vrijwaringszaak: [persoon] , wonende te [adres 1] , eiseres, gemachtigde: mr. drs. A.J. van der Knijff, advocaat te Breda, tegen 1de besloten vennootschap [B.V. 1] , gevestigd te [plaats] en kantoorhoudende te [adres 2] , gedaagde sub 1, gemachtigde: mr. M. van Loo, advocaat te Breda, en 2de besloten vennootschap [B.V. 2] , gevestigd te [adres 3] , gedaagde sub 2, gemachtigde: mr. M.P. Wolf, advocaat te Breda. Partijen worden hierna aangeduid als “InBev”, “ [persoon] ”, “ [B.V. 1] ” en “ [B.V. 2] ”. 1Het verloop van het geding De procesgang blijkt uit de volgende stukken: a. de tussenvonnissen in beide zaken van 13 november 2019 met de daarin genoemde stukken; b. de akte van [B.V. 2] van 8 januari 2020 met producties; c. de rolbeslissing van 29 januari 2020; d. het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 2 februari 2024 met één bijlage; e. het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 16 mei 2024; f. de akte van [B.V. 2] van 29 mei 2024 met één productie; g. de akte na enquête van InBev van 21 augustus 2024; h. de conclusie na enquête van [persoon] van 21 augustus 2024 met producties; i. de conclusie na enquête van [B.V. 1] van 21 augustus 2024 met producties; j. de conclusie na enquête van [B.V. 2] van 21 augustus 2024 met één productie; k. de akte uitlaten producties na enquête van InBev van 18 september 2024; l. de akte uitlaten producties van [persoon] van 18 september 2024; m. de akte uitlaten van [B.V. 1] van 18 september 2024; n. de akte uitlaten producties van [B.V. 2] van 18 september

  1. 2De verdere beoordeling In de hoofdzaak en de vrijwaringszaak: Beoordeling in het tussenvonnis van 13 november 2019: 3.1 In het voornoemde tussenvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat de verweren van [persoon] in de hoofdzaak niet slagen, zodat de vorderingen van InBev ten opzichte van [persoon] toewijsbaar zijn. 3.2 Vervolgens heeft de kantonrechter overwogen dat niet is uit te sluiten dat [B.V. 2] wordt verrijkt door het gebruik van [adres 4] . [B.V. 2] is in de gelegenheid gesteld de stelling, dat zij bij het sluiten van de huurovereenkomst met [B.V. 1] mocht begrijpen dat zij ook [adres 4] huurt, te bewijzen. 3.3 De beoordeling van de vorderingen van InBev tegen [B.V. 1] is aangehouden in afwachting van de uitkomst van de bewijsopdracht. 3.4 In de vrijwaringszaak heeft de kantonrechter geoordeeld dat [B.V. 1] over de periode 4 maart 2015 tot en met 30 oktober 2015 gebruiksvergoeding verschuldigd is aan [persoon] en dat vanaf dat moment finale kwijting is verleend, zodat geen gebruiksvergoeding meer verschuldigd is. Vervolgens heeft hij overwogen dat het voorgaande niet wegneemt dat [B.V. 1] mogelijk ongerechtvaardigd is verrijkt door het voortgezette gebruik van [adres 4] door [B.V. 2] . Hij heeft de beslissing op dat geschilpunt en de behandeling van het beroep op eigen schuld door [B.V. 1] aangehouden in afwachting van de uitkomst van de bewijsopdracht. 3.5 Met betrekking tot [B.V. 2] heeft de kantonrechter overwogen dat niet is uit te sluiten dat [B.V. 2] door het gebruik van [adres 4] wordt verrijkt. [B.V. 2] is in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat zij betaalt voor het gebruik van [adres 4] . Aangeboden bewijs: 3.6 Bij akte van 8 januari 2020 voert [B.V. 2] aan dat zij diverse getuigen wenst te horen. Zij wijst daarnaast op een rapport van [bedrijf 2] Vastgoedspecialisten, waaruit volgt dat de door [B.V. 2] betaalde huur marktconform is voor de gehele horecaruimte (geëxploiteerd in de drie panden). Zij wijst er vervolgens op dat het bedrag aan huur in lijn is met het bedrag dat [B.V. 1] voor beide panden tezamen betaalde. Ook ligt het deel van de huurbetaling, dat op [adres 4] zou zien, in lijn met hetgeen [persoon] betaalde aan huur voor [adres 4] . Daarnaast voert zij aan dat de exploitatie van de horecaformule al sinds 1990 in deze vorm plaatsvindt. [B.V. 2] heeft deze exploitatie overgenomen. Zij heeft niet de helft van de onderneming van [B.V. 1] overgenomen. Bij de totstandkoming van de huurovereenkomst is haar door [B.V. 1] een plattegrondje van het gehuurde opgestuurd, waaruit volgt dat ook [adres 4] tot het gehuurde behoort. Dit is ook niet onlogisch, nu de exploitatie van de horecaruimte onmogelijk wordt op het moment dat alleen [adres 3] wordt gehuurd. Er is dan geen toegangsdeur en enkel de helft van de bar is te gebruiken. Ook ontbreekt dan een toiletvoorziening. Uit het vonnis van 28 mei 2024, in een eerdere procedure tussen [B.V. 1] en [B.V. 2] , volgt bovendien dat partijen ervan uit gaan dat [B.V. 2] beide panden huurde. In 2013 zijn tussen [B.V. 2] , InBev en de zoon van [persoon] (namens [B.V. 1] ) gesprekken geweest over de voortzetting van de huur, dan wel de overname van [adres 4] of de exploitatie van beide panden. In die gesprekken werd er ook vanuit gegaan dat de exploitatie in beide panden plaatsvindt. Dat partijen daar vanuit gingen volgt ook uit een verrekening factuur uit die tijd van [B.V. 2] aan de zoon van [persoon] , waarmee is ingestemd door de zoon van [persoon] . In één van de processtukken van [persoon] gaat zij ervan uit dat [B.V. 2] [adres 4] in het kader van de exploitatie van de horecaformule gebruikt, waarbij de te betalen huurprijs ziet op beide panden, zodat ook zij daarvan uitging. De gemeente heeft naar aanleiding van een vergunningsaanvraag de adressen van het pand aangepast. Hiertegen is door [persoon] en/of [B.V. 1] ook niet geprotesteerd. In de drankvergunning en de WOZ-beschikking wordt ook uitgegaan van het gebruik van beide adressen. Al het voorgaande leidt ertoe dat ervan uit moet worden gegaan dat [B.V. 2] ook [adres 4] huurt. 3.7 Op 2 februari 2024 heeft [B.V. 2] de heer [naam 1] , zoon van [persoon] en voormalig bestuurder van [B.V. 1] , en de heer [naam 2] , directeur van [B.V. 2] , als getuigen laten horen. 3.7.1 De heer [naam 1] verklaart als volgt: “(…) Ik heb gekeken naar het huurcontract van [adres 3] en naar een eerdere verklaring, die ik heb afgelegd in een andere zaak tussen Inbev en [persoon] . Dat was een schriftelijke verklaring. Ik wil dezelfde verklaring geven. U vraagt mij of dit productie 28 is bij de akte overlegging producties van Inbev, dat klopt. Ik heb de andere overeenkomst tussen [B.V. 2] en [B.V. 3] gelezen. Die ging over bonussen. Ik heb met mr. Van der Knijff, hier aanwezig, gesproken over het getuigenverhoor. Ik heb besproken dat het over de huurovereenkomst voor [adres 3] gaat en ik heb begrepen dat de tegenpartij vindt dat hij betaald heeft voor [adres 4] . Dat is nooit en te nimmer afgesproken. De stelling van de wederpartij heb ik gehoord in mijn gesprek met mr. Van der Knijff. We hebben het er ook over gehad dat het getuigenverhoor gaat over het huurcontract. Ook heb ik besproken wat ik ga verklaren, maar ik heb zelf bepaald wat ik ga verklaren. Het was niet een lang gesprek. Mevrouw [persoon] was bij dit gesprek. We hebben er in dat gesprek niet over gehad wat mevrouw [persoon] zal gaan verklaren. (…) De gesprekken over de huurovereenkomst hebben met [naam 2] plaatsgevonden. Het was de bedoeling dat [adres 3] verhuurd zou worden. We hadden een overeenkomst erbij dat hij bij elke verkochte hectoliter 100 euro korting zou krijgen en 50% korting zou krijgen op de rest van het assortiment. Dat laatste is de bonusovereenkomst, waar ik het eerder over had. Het [adres 3] was in privé een eigen pand en [B.V. 3] huurde dat van mij. (…) U vraagt mij wat ik heb verhuurd. Dat was alleen [adres 3] . U houdt mij de huurovereenkomst tussen [B.V. 2] en [B.V. 3] voor, waarin staat dat de onderneming wordt gehuurd, waaronder de goodwill, de handelsnaam en de inventaris. Ik zeg u dat het gaat om [adres 3] . Het contract is opgemaakt door een adviseur van mij en is getekend. In mijn herinnering huurde [B.V. 2] [adres 3] . Dat is zo afgesproken. Ik weet niet hoe het zit met de inventaris, de goodwill en de handelsnaam. Dan zouden we het contract erbij moeten pakken. (…) [B.V. 2] wilde in [adres 3] een zaak beginnen. Als je bij [adres 3] binnenkwam had je een bar, statafels, achterin een disco en een trap naar boven met twee verdiepingen. Er waren in 2012 geen toiletten in [adres 3] . (…) In die tijd was er een doorgang van 2 meter breed naar [adres 4] . Daar moest je door om bij de toiletten te komen. (…) De doorgang naar [adres 4] is onder andere gemaakt, omdat we anders geen nooduitgang zouden hebben. Dan zouden we geen vergunning kunnen krijgen. Dat is ruim voor 2012 geweest. Dat was in 1990-1992 ongeveer. In 2012 zat er in [adres 4] een kleine bar, een kleine ruimte, het magazijn en de WC’s zaten aan de achterkant van [adres 4] . (…) Om naar de WC te gaan moest je door [adres 4] . (…) Ik had op [adres 3] in 2012 het [B.V. 3] . [adres 4] hoorde daar vroeger nooit bij. Dat was heel lang geleden. In 2012 was [adres 4] onderdeel van [adres 3] . Dat pand hadden we nodig om open te kunnen blijven met [adres 3] . Van [adres 3] was de nooduitgang niet meer bruikbaar, waardoor we [adres 4] nodig hadden. Dat is ook de reden geweest om de toiletten te verplaatsen. (…) [adres 3] werd verhuurd. Dat is zo afgesproken. De rest hoorde er gewoon bij. Die panden kon ik niet verhuren, want dan moest je bij Inbev zijn. Dat heb ik dus niet gedaan. Ik heb er met [naam 2] niet over gesproken dat [adres 4] en de toiletten er niet onder vielen. Die mocht hij wel gebruiken en ook [adres 5] . Anders kon hij de zaak niet openen. Hij wist dat hij die mocht gebruiken en dat er geen huur tegenover stond. Dat is mondeling besproken. In het huurcontract staat ook dat [adres 3] wordt verhuurd. Anders had [naam 2] wel gezegd dat hij [adres 3] en [adres 4] zou willen huren. [naam 2] was ervan op de hoogte dat hij enkel huur betaalde voor [adres 3] en dat hij gebruik zou maken van [adres 4] . U vraagt mij hoe hij hiervan op de hoogte was. Dat staat in de huurovereenkomst. De huurovereenkomst is besproken. Dat staat op papier, dus ik weet zeker dat dat is besproken. Voor het overige kan ik het niet meer zeggen. Het verschil tussen verhuren en in gebruik geven zit erin dat ik [adres 4] niet zou verhuren, want daar ben ik niet toe bevoegd. Hij wist dat hij [adres 4] mocht gebruiken en hij wist dat er geen huur tegenover staat. Dat wist hij omdat in het huurcontract [adres 3] staat. Als ik [adres 4] zou verhuren, ben ik in overtreding, dat mag ik niet. (…) U houdt mij productie 7 bij de akte van [B.V. 2] voor en zegt mij dat daar de plattegrond bij zat. Dit was de plattegrond van het café, zoals het op dat moment was. Het klopt dat ik de plattegrond heb verstuurd. Rechts op de tekening is [adres 3] . Achterin hadden we een nooduitgang, maar die werd geblokkeerd. We konden toen niet meer open. Toen is het pand ernaast erbij genomen en hebben we een nieuwe nooduitgang kunnen maken. Het vak waarin staat “U staat nu hier” tot nooduitgang is [adres 4] . Het bovenste deel is [adres 6] / [adres 5] . (…) Samen zijn we tot de huurprijs gekomen. (…) Ik kan me niet meer herinneren of er een beschrijving is opgemaakt van het pand. Ik geloof wel dat er ergens een lijst is gemaakt, maar ik kan het me niet echt herinneren. Er waren meerdere meters. Elke locatie had zijn eigen meterkast. [adres 4] , [adres 3] en [adres 6] hadden ieder een eigen meterkast. Gas zat enkel in [adres 4] en in [adres 3] . Ik denk dat de meterstanden wel zijn opgenomen bij het sluiten van de overeenkomst. Ik weet niet meer of alle meterstanden zijn opgenomen. Dat zou ik moeten nazoeken. (…) U vraagt mij of ik ooit tegen [B.V. 2] heb gezegd dat het gebruik van [adres 4] illegaal is of dat het pand werd gekraakt. Dat heb ik niet gezegd. U vraagt mij of ik weet of na 1 maart 2012 nog huur is betaald voor [adres 4] aan Inbev. Ik zeg u dat [B.V. 3] de huur heeft betaald, tot de overname van [B.V. 3] door [B.V. 4] U houdt mij mijn verklaring, die eerder is besproken, voor, waarin ik aangeef nooit huur te hebben ontvangen voor [adres 4] van [B.V. 2] . U vraagt mij hoe ik deze verklaring rijm met het feit dat [B.V. 3] wel huur heeft doorbetaald. Ik zeg u dat de B.V. netjes de huur heeft betaald. Wat is daar mis mee. (…) [B.V. 3] heeft eerst aan [naam 3] betaald en later aan Inbev. Het is zo gelopen dat [B.V. 3] het is blijven betalen. Het is altijd zo geweest. De B.V. is verplicht dat te betalen. Er was een huurovereenkomst. Er is geen indeplaatsstelling geweest en er is nooit over gesproken dat [naam 2] [adres 4] zou huren. (…) U vraagt mij of de huurprijs van 60.000,00 euro enkel gold voor [adres 3] . Ik zeg u dat dat klopt. U vraagt mij of ik de blauwe arcering op de eerder genoemde plattegrond heb gezet. Ik weet dat niet meer. (…) Op uw vraag zeg ik dat ik niet weet wat de oppervlakte is van [adres 3] . (…) U wijst mij erop dat op de jaarrekening van [B.V. 3] huurverplichtingen van [adres 3] , [adres 7] , [adres 4] en [adres 6] zijn opgenomen. Ik zeg u dat het de huurbedragen zijn, die ik moest betalen aan Inbev. Ik weet daar niet meer over te zeggen. (…) Het bedrag van € 66.804,00 is voor [adres 3] en [adres 4] samen, dat was de huur die ik moest betalen aan Inbev. Toch is er enkel voor [adres 3] een huurprijs van 60.000 afgesproken, omdat daarnaast de bonusregeling gold. Ik berekende de bonussen en [B.V. 3] vergoedde die bonussen aan [B.V. 2] . [naam 2] huurde voor die prijs niet [adres 3] en [adres 4] samen. Enkel [adres 3] . (…) Je kunt de huurprijs laag houden en de bonus hoog en daardoor verdient het zichzelf terug voor de huurder. De kantonrechter vraagt mij om dit uit te leggen. De huurprijs voor [B.V. 3] zou het laagst in huur zijn, mocht er ooit een 303-procedure gaan lopen. [B.V. 3] zit laag in de huur. Die € 60.000,00 was niet zo veel geld voor zo’n zaak. Aan de andere kant verdient hij het terug met zijn bonus. (…)”. 3.7.2 De heer [naam 2] verklaart als volgt: “(…) Ik heb de stukken in het dossier gelezen als voorbereiding op dit getuigenverhoor. Ik heb de zaak niet met iemand besproken. Ik heb met de heer [naam 4] gesproken op kantoor. De heer [naam 1] spreek ik niet. Ik heb [naam 4] gebeld om hem voor te bereiden om naar de rechtbank te komen en hem succes gewenst. (…) Ik heb het niet gehad over de inhoud van mijn verklaring. Ik heb mevrouw [persoon] en de heer [naam 5] , de andere voorgestelde getuigen, niet gesproken. (…) Er is een voorstel gedaan vanuit [naam 6] . Dat kwam neer op een soort pachtconstructie. Ze wilden niet volledig afscheid van de goodwill en de inventaris nemen, dus ze wilden geen verkoop. Uiteindelijk zijn we het eens geworden en viel binnen de overeenkomst de huur van het pand, de goodwill en de inventaris. (…) Het ging om het pand [B.V. 3] . Ik wist hoe dat eruit zag. We zitten met meerdere panden op het plein en kwam regelmatig in het café als bezoeker. Er zijn ook nog bezichtigingen voorafgegaan aan het sluiten van de overeenkomst, zodat ik het hele pand heb gezien. (…) We hebben toen ook achter de coulissen kunnen kijken, zoals op de zolder, op kantoor, alle ruimtes die je als bezoeker niet ziet. (…) Ik wist op dat moment niet dat er een onderscheid was tussen het [adres 3] en [adres 4] . (…) Bij de onderhandelingen wist ik enkel dat hij het verhuurde aan [B.V. 2] . Volgens mij was dat uit privé, want dat volgt uit de huurovereenkomst. Het pand was van hemzelf in privé volgens mij. U vraagt mij om welk pand het ging, maar we hebben het altijd over één pand gehad. Dit volgde ook uit gestuurde plattegrond en andere stukken. Op de plattegrond, die als productie 7 bij de akte van [B.V. 2] is gevoegd, is de arcering van het bedrijfspand te zien. De plattegrond geeft de situatie weer van voor de overname met een doorloop aan de achterkant en twee panden die aan elkaar verbonden zijn. Achteraf is mij pas gebleken dat sprake was van twee panden. (…) U houdt mij voor dat enkel het [adres 3] wordt genoemd in de huurovereenkomst. Daar heb ik mogelijk overheen gelezen, omdat het voor mij altijd één pand is geweest. Dat kan ook niet anders, omdat [adres 3] geen entree had, geen toiletvoorziening, geen kelder etc. Die panden waren in elkaar verweven als één café. De huurprijs heeft [naam 1] voorgesteld. (…) Ik huurde destijds drie panden aan hetzelfde plein, dus ik wist wel wat een reële huurprijs was op de [straat] in [plaats] . Ik heb de huurprijs op die wijze beoordeeld. (…) De panden hebben één gezamenlijke ingang in [adres 3] en in [adres 4] zit een nooduitgang. De sloten van die deuren hebben dezelfde sleutel. Er zit ook nog een nooduitgang aan de achterkant van [adres 4] , maar dat is een noodvoorziening en die moet altijd open zijn. Daar is dus geen sleutel van. (…) Het pand heeft voor elektra één aansluiting en ik verwacht voor gas ook. De ketel hangt in [adres 3] en verwarmt zowel [adres 3] als [adres 4] . (…) Op vragen van mr. Wolff antwoord ik u dat [naam 1] voor het sluiten van de huurovereenkomst aan mij niet heeft gemeld dat een deel van het pand van Inbev werd gehuurd. Op dat moment werd zelfs Heineken getapt in het café. [naam 1] of [B.V. 3] hebben nooit gemeld dat we het pand illegaal zouden gebruiken. De eerste paar jaar is er niets over gezegd en ineens is dat opgekomen in samenhang met deze procedure. Dat was ongeveer twee jaar, nadat wij gestart waren met huren. Er is door [naam 1] of [B.V. 3] nooit tegen mij gezegd dat ik extra huur zou moeten betalen voor [adres 4] . De aanvangshuurprijs was een reële huurprijs voor het complete pand, zoals weergegeven op de hiervoor genoemde plattegrond. Ik heb de in de huurovereenkomst overeengekomen huur altijd voldaan aan [B.V. 3] Ik ben nooit gesommeerd om meer huur te betalen. (…) U vraagt mij, waarom ik toestemming heb gevraagd aan Inbev voor een extra doorbraak. Dat zou kunnen zijn omdat de familie [naam 3] [naam 1] had aangeschreven dat er een verbouwing plaatsvond, waarvan ze niet wisten. Ik weet niet of er toen een bouwvergunning is aangevraagd. Mr. van Loo zegt dat dit in 2012 was, maar dat kan ik me niet herinneren. Ik denk dat dit later was. Ik weet alleen dat [naam 1] is aangeschreven door Inbev, Heineken of door [naam 3] , omdat er een verbouwing plaatsvond, waarvan zij niet op de hoogte waren. Mocht er toestemming zijn gevraagd aan Inbev, zal dat op hun verzoek hebben plaatsgevonden. Dat kan ik me niet meer herinneren. U vraagt mij of ik ten tijde van het afsluiten van de huurovereenkomst in 2012 bekend was met een afnameverplichting van de brouwerij bij [adres 3] . Ik zeg u dat die er niet was, althans het was geen harde verplichting. U vraagt mij of ik in november 2012 met Heineken een overeenkomst met betrekking tot een kelderbierinstallatie ben overeengekomen. Ik zeg u dat ik dat niet weet. Er zat een installatie in [adres 4] . (…) Op vragen van mr. van der Knijff antwoord ik dat ik altijd onderzoek doe bij de overname van een horecagelegenheid. Dat wordt in gesprekken met de wederpartij gedaan. Ik vraag of de verkopende partij stukken aanlevert, die verduidelijken wat het gehuurde inhoudt en onder welke condities de overname plaatsvindt. Inmiddels ben ik een meer ervaren ondernemer dan in
  2. Toentertijd had ik nog maar drie of vier ondernemingen. Ik vraag niet standaard stukken op bij de wederpartij. Ik kan me niet herinneren of ik stukken van [B.V. 3] heb ontvangen in het kader van onderzoek. (…) Er is toentertijd onderhandeld over [adres 3] en hier staat [adres 4] . Het verbaast mij dat er [adres 4] staat, omdat daar niet over is gesproken. Dat pand was destijds van [naam 3] en niet van [naam 5] . U wijst mij op randnummer 30 van dezelfde akte, waarin een mail wordt weergegeven van [naam 1] aan [naam 2] van 15 december
  3. U wijst mij erop dat in die mail wordt gezegd [adres 3] en [adres 4] . Ik weet dat destijds sprake was van overname van deze panden en dat we er niet uit zijn gekomen. De expliciete verwijzing naar [adres 3] en [adres 4] zeggen mij niets. Ik merk nu op dat bij de [B.V. 3] twee panden worden genoemd. Bij het dicteren merk ik op dat wat ik heb gezegd over dat het pand destijds van [naam 3] was en niet van [naam 5] zeg met de kennis van nu. Ik weet nu dat het van [naam 3] is en niet van [naam 5] en het valt mij op dat [naam 5] het te koop aanbiedt. (…) U vraagt mij met wie ik contact heb over het onderhoud van het gehuurde. Ik heb contact met [B.V. 3] . (…) U vraagt mij vervolgens als er iets is met het bier. Ik ga ervan uit dat ik dan Inbev moet benaderen. (…)”. 3.8 Op 16 mei 2024 heeft [B.V. 2] [persoon] en de heer [naam 4] , Manager inkoop en finance bij [naam 2] B.V., als getuigen laten horen. 3.8.1 [persoon] verklaart als volgt: “(…) Ik heb me niet goed kunnen voorbereiden op het getuigenverhoor wegens gezondheidsproblemen. Ik ben naar diverse rechtszaken geweest, waar ik moest verschijnen. Ik heb voor dit getuigenverhoor geen stukken gelezen. Ik heb de dossierstukken in het verleden allemaal wel gehad, maar ik heb niet alle dossierstukken helemaal gelezen. Ook in de afgelopen maanden heb ik geen stukken gelezen. Ook de verklaringen van de heer [naam 1] en de heer [naam 2] heb ik niet gelezen. Ik heb niet met mijn zoon gesproken over het getuigenverhoor. Ook niet nadat hij zijn verklaring had afgelegd. Voorafgaand aan het verhoor van mijn zoon heb ik ook met niemand gesproken over het getuigenverhoor. Ik ben wel bij mijn advocaat geweest toen ik werd opgeroepen en die heeft met mij besproken wat u zou gaan vragen. (…) Bij dat gesprek met mijn advocaat was niemand aanwezig. Mijn zoon was daar niet bij aanwezig. (…) Ik kan niets verklaren over de totstandkoming van de huurovereenkomst tussen [B.V. 3] en [B.V. 2] Ik ben nooit bij een bespreking daarover geweest. (…) U vraagt mij of ik nu bekend ben met de huurovereenkomst tussen [B.V. 3] en [B.V. 2] . Ja, nu wel. Ik weet niet precies meer wanneer ik met die overeenkomst bekend ben geraakt. Ik denk dat het is gekomen door een rechtszaak met InBev. Toen begreep ik dat er een huurovereenkomst was. Ik had nooit iets gehoord van InBev tot ik een brief kreeg dat ik zonder toestemming [adres 4] aan [B.V. 2] zou onderverhuren. Dat is niet het geval, want ik ben geen huurder meer. Dat is [B.V. 3] (…) U zegt mij dat ik daarna wel weer betrokken raakte bij [B.V. 3] , omdat mijn zoon overspannen is geraakt. Ik denk dat hij in 2014/2015, de exacte datum weet ik niet, onder behandeling van een specialist raakte. Ik heb toen een paar maanden de administratie van [B.V. 3] bijgehouden. U vraagt mij of ik facturen aan [B.V. 2] stuurde. Nee, daar was een afspraak. Er werd huur betaald en dat moest ik controleren. (…) U vraagt mij of ik [B.V. 3] kan beschrijven in
  4. Ik zeg u dat het er prachtig uit zag. We hadden net nieuw interieur. [B.V. 3] was voor mij altijd [adres 3] . Er zat een opening in [adres 4] voor de nooduitgang en dat was ook een café. Wat zat er op [adres 4] ? Dat gedeelte mocht ik gebruiken van [naam 3] . Dat was het andere gedeelte. Dat was onderdeel van [B.V. 3] . Bij het voorlezen geeft mevrouw aan ik bedoelde het [B.V. 3] . Vroeger was ik de huurder in persoon en toen was het de B.V. [B.V. 3] huurde van de B.V. [adres 4] was vanaf 1997 in mijn beleving gehuurd door [B.V. 3] [adres 4] hoorde niet bij het huurcontract. U vraagt mij daarnaar. Ik geef aan dat ik niet weet bij welk huurcontract, heb ik dit gezegd dan? Ik weet [adres 4] is van [naam 3] en [adres 3] is van [B.V. 3] . Vanaf 1997 heeft [B.V. 3] in mijn beleving huurintrede gekregen bij [naam 3] en is zij huur gaan betalen aan InBev. Al die jaren door heeft [B.V. 3] de huur doorbetaald. Ook nadat ik de zaak had verkocht. Dat was een verplichting van [B.V. 3] Dat is altijd netjes gedaan. Dat stond ook in de jaarcijfers. (…) U legt mij de plattegrond (zoals gevoegd bij het getuigenverhoor van 2 februari 2024) voor en vraagt mij of ik daarmee bekend ben. Ik ben niet echt bekend met deze tekening. (…) De rechterkant is [adres 3] , [B.V. 3] . Dan ziet u verderop de trap en daar was vroeger de nooduitgang. U vraagt mij wat ik bedoel met [B.V. 3] op [adres 3] . Dat is [B.V. 1] . Dat is altijd zo geweest. U vraagt mij naar [adres 4] . Die zit links op de tekening. Vroeger zat er aan de voorkant een deur, maar daar kon je niet naar binnen. Dat moest via [adres 3] . U vraagt mij wat er op [adres 4] zit. Van dat stuk mocht ik gebruik maken. U vraagt mij of dat ook [B.V. 3] is. Ik zeg u dat het maar is hoe je het bekijkt. Ik mocht er gebruik van maken van [naam 3] . Interbrew heeft dat gerespecteerd. In [adres 4] heeft van alles gezeten. Voordat de nooduitgang er was, zat er een restaurant. U vraagt mij wat er na de opening tussen [adres 3] en [adres 4] is gebeurd. Ik heb [adres 4] aangekleed. Ik heb er stoelen en een bar in gezet. De kantonrechter vraagt mij of gasten van [adres 3] ook [adres 4] bezochten. Ik zeg u dat dat zo was. Daar zaten ook nog de toiletten. De kantonrechter vraagt mij of het café ook in [adres 4] zat. Ik zeg u dat het een uitbreiding van [adres 3] was. Als we [adres 4] niet hadden, konden we [adres 3] niet gebruiken. Je kon alleen vanuit [adres 3] in [adres 4] komen. De kantonrechter vraagt mij of het één geheel was. Nee, er waren altijd twee gedeeltes. Het café was op [adres 3] . Als het druk was konden ze naar [adres 4] en gingen ze daar naar toe of niet. Dat weet ik niet. Ik blijf erbij dat [B.V. 1] altijd [adres 3] was en [adres 4] was voor de nooduitgang. U vraagt mij of [B.V. 1] alleen op [adres 3] was te exploiteren. U vraagt mij daarbij [adres 4] weg te denken van de tekening. Natuurlijk kon dat. Het was gewoon een café zonder [adres 4] . U vraagt mij in de situatie van
  5. Ja, dat kan. U vraagt mij waar dan de nooduitgang zat. Die zat in de steeg. Ik kon omhoog met de trap. U vraagt mij waar de toiletten zaten. Die zaten achterin. (…) U houdt mij voor dat ik heb verklaard dat [B.V. 3] alleen op [adres 3] is te exploiteren. U houdt mij daarnaast voor dat ik in de conclusie van antwoord van 20 maart 2019 in nummer 47 heb verklaard: “Immers, zonder de [adres 4] kan het [B.V. 1] niet geëxploiteerd worden”. Ik zeg u dat als ik [adres 4] niet had kunnen huren, dan had ik een deur kunnen maken aan de achterkant, mits de gemeente toestemming had gegeven. Die kwam dan uit in de steeg. Doordat ik [adres 4] kon huren was dat niet meer nodig. Toen had ik een nooduitgang beneden. U vraagt mij wat [naam 2] van [B.V. 3] heeft gehuurd. Ik zeg u dat ik dat niet weet. U vraagt door en ik zeg u dat het bij mijn weten [adres 3] was. Ik ben nooit bij het sluiten van die overeenkomst betrokken geweest. Ik heb [naam 2] doorverwezen naar mijn zoon en ze hebben afgesproken dat [naam 2] [adres 3] ging huren van [B.V. 3] De kantonrechter vraagt mij hoe ik dat weet. Dat blijkt toch uit de tien voorafgaande jaren. Dat weet iedereen. Kijk maar naar het internet en Facebook. Dat is algemeen bekend. Ook bij InBev. (…) U vraagt mij aan wie hij [adres 3] heeft verhuurd. Dat was aan [naam 2] of [B.V. 3] Dat weet ik niet. U vraagt mij hoe [naam 2] het gebruik van [adres 4] kreeg. Ik zeg u dat hij de nooduitgang mocht gebruiken. Dat is toch logisch. U vraagt mij of [B.V. 3] [adres 4] aan [naam 2] heeft verhuurd. Nee, dat huurde [B.V. 3] De B.V. kon nooit [adres 4] aan een ander verhuren. De kantonrechter vraagt mij waarom [B.V. 3] [adres 4] niet kon verhuren. Interbrew is daar tussen gekomen, dus dat ging niet. Die was de hoofdhuurder van [adres 4] . Dat is sinds 1997 al zo. U vraagt mij of op [adres 4] ook [B.V. 1] zat. Ik weet niet wat ik daarop moet antwoorden. Ik heb u al gezegd dat ik niet weet hoe het gegaan was. Ik weet alleen dat [naam 2] in [adres 3] zat. In [adres 4] zat Interbrew. Dat was de hoofdhuurder. Die had het verhuurd aan [B.V. 3] U vraagt mij of Interbrew [B.V. 3] exploiteerde op [adres 4] . Ik zeg u dat [adres 4] werd gebruikt voor de nooduitgang. [naam 3] zei dat ik het wel moest aankleden. Dat heb ik gedaan. [B.V. 3] kreeg er een achterkamertje bij. Ik weet ook niet hoe ik het uit moet leggen. (…) U vraagt mij of [naam 2] of zijn B.V. [adres 4] heeft gekraakt of onrechtmatig in gebruik heeft genomen. Ik zeg u dat ik dat niet weet. U houdt mij voor dat ik in een pleitnota van 15 juni 2018, productie 19 bij de akte van 15 augustus 2018, randnummer 11, zeg dat [naam 2] [adres 4] als het ware heeft gekraakt of zonder recht of titel in gebruik heeft genomen. Ik kan me dat niet herinneren. U vraagt mij of ik ooit rechtsmaatregelen tegen hem heb ondernomen en gezegd dat hij [adres 4] moest ontruimen. Ik heb daar nooit iets van gezegd. Interbrew of Inbev heeft toestemming gegeven dat hij in [adres 4] zat. Het was dus ook niet illegaal. Ik kon ook niks, want ik was geen huurder. U houdt mij de huurovereenkomst tussen [B.V. 3] en [B.V. 2] voor. U zegt dat daar een huurprijs van 60.000 euro per jaar in staat voor de bedrijfsruimten. U vraagt mij of ik denk dat [adres 3] en [adres 4] daaronder vallen. Naar mijn weten alleen [adres 3] . U vraagt mij of de huur dan alleen voor [adres 3] is. Ik zeg u dat ik het niet weet. Ik neem dat aan. Hij huurde [adres 3] . U houdt mij een citaat voor uit de incidentele conclusie van 26 september 2018, randnummer 25: “Daarbij heeft Inbev in haar dagvaarding, paragraaf 6, terecht opgemerkt dat de huurprijs die [B.V. 2] betaalt voor de bedrijfsruimten aan de [adres 3] , nagenoeg gelijk is aan de optelling van oorspronkelijke huurprijs van [adres 3] en [adres 4] . Feitelijk incasseert [B.V. 3] zo kennelijk de huursom van [B.V. 2] , waarvoor [naam 1] nu door InBev wordt aangesproken.”. Ik zeg u dat ik denk dat dat uw woorden zijn. Bij het dicteren verklaar ik dat ik niet weet wat mr. Wolff bedoelt. U houdt mij het citaat uit de incidentele conclusie van 26 september 2018, randnummer 27: “Dit door deze ruimte ter beschikking te stellen aan [B.V. 2] en daarvoor de huur, dan wel de gebruiksvergoeding, te incasseren.”. Ik zeg u, ik weet het echt niet. U vraagt of ik weet welke huurprijs [B.V. 3] voor 1 maart 2012 betaalde voor [adres 4] . Ik zeg u dat ik het niet weet. U vraagt mij of ik weet wat er voor 1 maart 2012 werd betaald voor [adres 3] . Ik zeg u dat ik dat niet weet. U houdt mij de jaarrekening van 2014 van [B.V. 3] voor. Ik zeg u dat ik daar niks van weet. U houdt mij die voor en wijst mij op de huurbedragen. Ik zeg u dat het een verplichting is. De 24.000 euro voor [adres 4] is aan InBev betaald en het andere bedrag is voor [B.V. 3] denk ik. Die jaarcijfers zijn door de accountant gemaakt. Daar heb ik geen invloed op gehad. U vraagt mij als [naam 2] geen huur betaalde voor [adres 4] , waarom ik of [B.V. 3] wel de huur voor [adres 4] aan InBev betaalde. Ik zeg u dat [B.V. 3] dat heeft betaald. Die betaalt aan InBev. Vanaf 1997 heb ik niets meer betaald aan InBev. U vraagt mij of ik weet wat [naam 7] voor het pand [adres 3] heeft betaald. Ik zeg u dat ik dat niet weet. Daarvoor moet u bij mijn zoon zijn. U vraagt mij of ik weet hoe die koopprijs tot stand is gekomen. Ik zeg u dat ik dat niet weet. (…) U houdt mij e-mailberichten voor uit productie 3 bij de conclusie van antwoord van [B.V. 3] van 19 maart
  6. U vraagt mij waarom [adres 4] niet werd verhuurd of verkocht. Ik ken deze mail. Dit is een fout. Deze mail heeft te maken met het feit dat [naam 6] ziek was en dat heel de handel werd verkocht aan [B.V. 4] . Ik kon het pand niet verkopen, want je kan niet een pand verkopen dat niet van jou is. [B.V. 3] kon het dan ook niet verhuren als InBev erin zit. U vraagt mij of mijn zoon wist dat het niet verhuurd of verkocht kon worden. Ik zeg u dat hij dat wist. Daarom heeft hij het niet verhuurd of verkocht. U houdt mij een e-mail voor van 18 februari 2014 van mijzelf aan [naam 8] (productie 3), waarin staat “uit de lening van de verkoop aandelen wordt [adres 4] betaald”. U vraagt mij om nadere uitleg. Ik vraag u welke verkoop aandelen. U zegt dat ik de aandelen in [B.V. 7] heb verkocht aan [B.V. 5] Ik zeg u dat dat niet juist is. Ik heb het aan [naam 6] verkocht. U vraagt mij hoe dat gegaan is, hoe de koopsom is betaald. Ik zeg u dat ik dat niet weet. Dat heeft lang geleden plaatsgevonden. U houdt mij productie 4 en 5 bij de conclusie van antwoord van [B.V. 3] van 19 maart 2019 voor. U vraagt mij waarom in mijn reactie is opgenomen dat het niet correct is dat Heineken in haar mail melding maakt dat de huuropbrengst 35.000 euro per jaar zou zijn (60.000 euro met in aftrek 25.0000 euro), maar dat het 60.000 euro + 18.000 euro zou moeten zijn. Dat was in de periode dat mijn zoon ziek was. [naam 2] betaalde 1500 euro per week. Ik weet niet waarom ik dit schrijf. Ik kan het niet zeggen. Ik had contact met [naam 7] en moest daar een aantal dingen voor doen. Ik had een goede verstandhouding met hem. Er werd 18.000 voor het gebruik van de inventaris betaald. Ik moest dat nazien, want [naam 2] kreeg ook nog allerlei kortingen. Heel veel kortingen per hectoliter bier. Dat zou dan verrekend worden met de huur. Dat is in overleg gegaan en in een aanhangsel bij de huurovereenkomst opgenomen. Dat was de huurovereenkomst met [B.V. 3] Ik weet niet meer precies wanneer dat was, maar ik kreeg de huurovereenkomst met aanhangsel omdat ik de zaken waarnam. Die stukken zijn allemaal naar [B.V. 4] gegaan, omdat hij de onderneming overnam. Ik kan in de cloud kijken voor dat aanhangsel. Daar staat in wat hij aan kortingen krijgt. Dat was best veel. (…) Ik wil nog graag toevoegen dat ik vaak “ik” gebruikte, waar ik [B.V. 3] bedoelde. (…)”. 3.8.
  7. De heer [naam 4] verklaart als volgt: “(…) Ik heb als voorbereiding op dit getuigenverhoor de volgende stukken gelezen: de getuigenverklaringen van de vorige zitting (van de heer [naam 2] en de heer [naam 1] ), het tussenvonnis van 13 november 2019 met de bewijsopdracht en de akte na tussenvonnis van [B.V. 2] met producties van 8 januari
  8. Andere stukken heb ik niet gelezen. Ik heb met mr. Wolff gesproken over wat ik van het getuigenverhoor mocht verwachten en wat het inhoudt. Mr. Wolff heeft mij verteld dat ik zoveel mogelijk moet vertellen wat ik nog kan herinneren uit die tijd. Dat ga ik vandaag doen. Ik heb niet exact doorgesproken wat ik ga verklaren. (…) [B.V. 2] heeft een overeenkomst met [B.V. 3] gesloten in
  9. (…) Er zijn gesprekken geweest tussen [naam 2] en [naam 1] en die gesprekken hebben geleid tot een overname van [B.V. 3] . (…) De discussie over de betaling van [adres 3] en [adres 4] is voor mij een vreemde discussie, want er is altijd sprake geweest van één café in beide panden. Dat is al zo lang ik in [plaats] woon. Dat weet ik door mijn tijd als gast daar. Ook ben ik werkzaam geweest bij [bedrijf 1] . Dat was dus mijn concullega. Dan kom je daar wel eens binnen, omdat je elkaar spreekt over evenementen. Ik was dus bekend met het café. Ik wist niet dat het eigenlijk twee panden waren. Wij zagen het als één café. (…) Er was ook, voor zover ik weet, geen zichtbare nummeraanduiding aanwezig, waaruit volgt dat het twee panden waren. Ik kon het aan de panden ook niet goed zien. Het was één bedrijf. Het café bestond uit twee ruimtes. Er was een duidelijke doorlooproute van de ene naar de andere ruimte. Ik heb een plattegrond bij me. De kantonrechter merkt op dat dit dezelfde plattegrond is als de plattegrond gevoegd bij het proces-verbaal getuigenverhoor van 2 februari
  10. De getuige heeft de plattegrond in kleur bij zich. Als je kijkt naar de plattegrond dan kom je binnen via de entree aan de rechterkant en kan je aan de achterkant doorlopen naar de andere ruimte. Dat was in 1997 al zo. Het was zeer zeker één bedrijf. (…) De gesprekken over de overname zijn tussen de heer [naam 2] en [naam 1] gevoerd. Daar was ik niet bij aanwezig. De heer [naam 2] heeft mij alleen aangegeven dat hij in gesprek was over een overname. Verder heb ik daar geen rol in gehad. Destijds was ik officemanager en hield ik mij voornamelijk bezig met administratieve taken, waaronder contact met leveranciers (drank, energie, facilitair en dergelijke). De huurovereenkomst heb ik onder ogen gekregen. De heer [naam 2] heeft de overeenkomst getekend en hij overhandigde de overeenkomst daarna aan mij, zodat ik deze kon archiveren en documenteren. Met documenteren bedoel ik dat ik de overeenkomst inscande en die scan bewaarde ik op de computer. Ook gaf ik de overeenkomst door aan het administratiekantoor. Ik heb toen de overeenkomst gelezen vanuit interesse, maar niet om te beoordelen wat daar in staat of wat ik daarvan moest vinden. Ik heb enkel de getekende overeenkomst gezien en geen concepten. Ik herinner me niet dat ik over de overeenkomst of over de overname met de heer [naam 2] heb gesproken. De plattegrond die ik u liet zien is mij in februari 2012 toegestuurd door de heer [naam 1] . Dat was in de maand, voordat wij het bedrijf gingen overnemen. Die e-mail kon ik zo terugvinden en heb ik ook bij me. Deze zit al bij de stukken. Mr. Wolff merkt op dat dit productie 7 is bij de akte van [B.V. 2] . Deze e-mail werd mij toegestuurd om aan te geven wat het gehuurde omvatte. Dat was belangrijk voor het aanvragen van de drank en horecavergunning. Ik was betrokken bij de aanvraag van de vergunning, zodat om die reden de plattegrond aan mij is toegezonden. (…) Ik weet dat er meerdere meters voor energie in het pand aanwezig waren. Pand [adres 3] en [adres 4] hebben elk hun eigen elektra en watermeters. Gas durf ik niet te zeggen. (…) U vraagt mij of [adres 4] behoorde tot het gehuurde. Ja, dat concludeer ik op basis van de plattegrond en de feitelijke situatie. De toiletten zitten in [adres 5] . De exploitatie omvat [adres 3] en [adres 4] en [adres 5] . Zonder toiletten kan je een café niet exploiteren. Het kan niet anders zijn dan dat het geheel tot het gehuurde behoort. Voor het verkrijgen van een drank- en horecavergunning is het ook noodzakelijk dat het cafébedrijf een eigen toiletgroep heeft. Als [adres 4] niet tot het gehuurde zou behoren, was er geen horecavergunning afgegeven. (…) [naam 1] en [persoon] hebben nooit tegen mij verklaard dat [adres 4] niet tot het gehuurde behoorde. Ook hebben zij nooit rechtsmaatregelen getroffen tegen een ongeoorloofde ingebruikneming van [adres 4] . U houdt mij voor wat er in de huurovereenkomst is opgenomen over hetgeen wordt gehuurd. De onderneming, zoals vermeld in de gesloten huurovereenkomst, is niet te exploiteren zonder [adres 4] . U houdt mij voor wat de aanvangshuur voor de bedrijfsruimten op 1 maart 2012 volgens de huurovereenkomst was (€ 60.000,00 per jaar). Dit was geen reële huurprijs voor enkel [adres 3] . Op basis van de vierkante meters is het een extreem hoge huurprijs voor [adres 3] . We hebben destijds een deskundige ingeschakeld om het café te laten taxeren en die gaf ook aan dat het een reële huurprijs was voor [adres 3] en [adres 4] . Dit was door [bedrijf 2] en het rapport zit bij de stukken. U houdt mij voor dat het rapport uit 2020 is. Dat rapport bedoel ik. (…) U houdt mij voor dat ik heb verklaard dat de toiletgroep in [adres 5] zit. U vraagt mij hoe ik dit weet. Ik heb een stuk gelezen, dat door het bedrijf [naam 3] is toegestuurd. Daar stond in dat de toiletgroep in [adres 5] zit. In het stuk werd toestemming gegeven voor de doorbraak. (…) U vraagt mij welke onderzoeken er normaalgesproken door [naam 2] worden uitgevoerd bij een koop, huur of pacht van een bedrijf. Ik zeg u dat [naam 2] dit zelf doet. Hij gaat in gesprek met de ondernemer, bekijkt de onderneming en doet alles wat er volgens hem nodig is. Wat dat is moet u hem vragen. Ik documenteer de stukken, die we krijgen. Dat kunnen stukken van de bank zijn, huurovereenkomsten, eigendomsaktes, overeenkomsten voor de pacht (huur inventaris/goodwill/handelsnaam). Dat zijn de belangrijkste stukken. Eventueel nog taxatierapporten en bouwkundige onderzoeken. U vraagt mij welke stukken ik in het kader van deze huurovereenkomst heb gekregen. Dat is de huurovereenkomst geweest voor de bedrijfsruimten [B.V. 3] Dat is het enige stuk dat ik heb ontvangen. (…) U vraagt mij wanneer ik ervan op de hoogte raakte dat er sprake was van drie panden. Dit was toen de rechtsgang op gang kwam, toen werd mij duidelijk hoe het kadastraal zat. In onze optiek gingen wij een café huren en zijn nooit bezig geweest met de vraag om hoeveel panden het ging. Ik weet niet wanneer ik heb ontdekt dat het twee of eigenlijk drie panden waren. U vraagt mij wanneer ik ervan op de hoogte raakte dat er meerdere elektriciteitsmeters en dergelijke in de panden waren. Ik wist dat in 2012 omdat de meterstanden aan de nutsbedrijven moesten worden doorgegeven. Toen kwam er aan het licht dat er meerdere EAN-codes waren. Ik gaf die standen door aan de bedrijven. U vraagt mij of er is nagevraagd waarom er meerdere meters waren in het pand. Dat weet ik niet. (…)”. 3.9 Tot slot heeft [B.V. 2] bij akte van 29 mei 2024 een huurfactuur van 1 februari 2017 overgelegd van [B.V. 6] aan [B.V. 1] , waarin een huurprijs van € 3.500,00 (exclusief btw) is opgenomen voor het gebruik van [adres 3] . Dit leidt tot een jaarlijkse huurprijs van € 42.000,00 (exclusief btw), zodat het voor de hand ligt dat de hogere, door [B.V. 2] te betalen, huurprijs ziet op zowel [adres 3] als [adres 4] , aldus [B.V. 2] . Reacties op het bewijs: 3.10 InBev concludeert dat [B.V. 2] is geslaagd in het te leveren bewijs. Zij verwijst daarbij naar de in het geding gebrachte plattegrond van de feitelijke situatie bij sluiting van de huurovereenkomst tussen [B.V. 1] en [B.V. 2] . Ook wijst zij erop dat de onderneming feitelijk in drie panden wordt geëxploiteerd en dat [adres 3] alleen niet als zelfstandige volwaardige onderneming kan worden geëxploiteerd. Daarnaast wijst zij erop dat het voor de hand ligt, gelet op de overeengekomen huurprijs, dat [B.V. 2] voor de oppervlakte van beide panden betaalt. De getuigenverklaringen liggen in lijn met het voorgaande, omdat de heer [naam 1] heeft verklaard dat [adres 4] onderdeel was van de exploitatie, omdat het café anders niet kon worden geëxploiteerd. 3.11 [persoon] voert aan dat uit de bouwkundige indeling van beide panden helder blijkt dat sprake is van twee separate panden. Dit volgt immers uit de in het geding gebrachte plattegrond en de feitelijke situatie in
  11. Ook hadden de panden twee verschillende meters en zijn de meterstanden hoogstwaarschijnlijk opgenomen bij aanvang van de huurovereenkomst in
  12. [B.V. 2] had daaruit kunnen opmaken dat het twee panden zijn. Daarbij volgt uit de verklaring van de heer [naam 2] dat hij het ook zag als twee verschillende panden. Hij is in de gelegenheid gesteld de panden uitvoerig te bekijken, alvorens de overeenkomst is getekend, zodat ook op grond daarvan het hem duidelijk had moeten zijn dat het ging om twee panden. Dit is ook een bekend probleem in de binnenstad van [plaats] , nu het doorbreken van muren om horeca te kunnen drijven gebruikelijk is in de binnenstad van [plaats] . Ook bij één van de panden die [naam 2] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst al exploiteerde was dit het geval. [B.V. 2] , althans [naam 2] , als ervaren horecaondernemer, had met die kennis dus moeten onderzoeken wat de situatie ter plekke was. Dit was ook gemakkelijk uit te zoeken, nu hij de feitelijke situatie had kunnen navragen bij onder andere het Kadaster. Dit had van [naam 2] verwacht mogen worden en het feit dat hij dat niet gedaan heeft, komt voor zijn rekening en risico. De wijze waarop het pand werd geëxploiteerd doet aan het voorgaande niet af, omdat dit niet relevant is in het kader van de bewijsopdracht. Voor zover dat wel van belang is, zou er een descente moeten plaatsvinden, omdat vanuit het plattegrondje en een onderbuikgevoel niet aangenomen had mogen worden dat de huurovereenkomst beide panden betrof. Bovendien lijkt het erop dat [B.V. 2] er wel van op de hoogte was dat er sprake was van twee panden, omdat zij kort na het sluiten van de overeenkomst akkoord heeft gevraagd voor de verbouwing aan InBev, de (ver)huurder van [adres 4] . [naam 2] had ook al een band met InBev, nu zij vanaf dag één betrokken is als huisleverancier van de ondernemingen van [naam 2] . Het is ook gebruikelijk om de pacht van ondernemingen of panden vooraf te bespreken met de brouwer, omdat de brouwer vaak zowel als leverancier en als financier optreedt. Ook bij verbouwingen. Daarbij keerde InBev ook bonussen uit aan [B.V. 2] . Uit een mediapublicatie blijkt ook dat [naam 2] ervan op de hoogte was dat het om twee panden ging. Op de verklaring van [naam 2] is op te merken dat hij aangeeft niet veel meer te herinneren, maar veel op aannames achteraf verklaart. Hij weet bijvoorbeeld niet welke stukken hij heeft ontvangen in het kader van het due dilligence onderzoek, zodat niet is vast te stellen dat hij mocht aannemen dat [adres 4] ook onder de huurovereenkomst viel. Uit de verklaring van [naam 1] volgt dat die alleen [adres 3] heeft verhuurd/willen verhuren aan [B.V. 2] . Daar was [naam 2] volgens de verklaring van de heer [naam 1] van op de hoogte. Als wordt gekeken naar de huurprijzen was [B.V. 1] meer verschuldigd aan InBev dan [B.V. 2] aan [B.V. 1] . Dit zou zakelijk onzinnig zijn en daarmee onaannemelijk. De heer [naam 4] is niet bij de onderhandelingen betrokken geweest, zodat hij niet uit eigen wetenschap kan verklaren. [persoon] kon hierover ook niets verklaren dat bijdroeg aan het leveren van het gevraagde bewijs. [persoon] komt dan ook tot de conclusie dat het gevraagde bewijs niet is geleverd. Evenmin is bewezen dat [B.V. 2] voor het gebruik van [adres 4] heeft betaald, zodat op die grond ook geen huurovereenkomst kan worden aangenomen. Voor zover [B.V. 2] wel heeft betaald, heeft zij aan [B.V. 1] betaald en heeft [B.V. 1] de huur niet doorbetaald. [B.V. 1] heeft dan onrechtmatig gehandeld jegens [persoon] en dient de schade te vergoeden. 3.12 [B.V. 1] voert aan dat de getuigenverklaring van de heer [naam 2] inconsistent en onbetrouwbaar is. Zijn verklaring ligt niet in lijn met de overige getuigenverklaringen en bewijzen. Bovendien is hij bestuurder van [B.V. 2] . Het is ongeloofwaardig dat hij, als ervaren horecaondernemer, er niet van op de hoogte was dat de exploitatie van [B.V. 1] in twee panden plaatsvond. Zijn kantoor zat ten tijde van het sluiten van de overeenkomst aan de overzijde van de straat, zodat hij dagelijks de verschillen in de twee panden aan de [adres 3] en [adres 4] kon zien. Daarbij was het onder zijn kantoor gelegen café ook in twee panden gevestigd, zodat hij ermee bekend was dat dit mogelijk ook het geval kon zijn bij [B.V. 1] . Ook in het kader van de verbouwingsplannen was de heer [naam 2] ermee bekend dat sprake is van twee panden. Dit volgt onder andere uit de door hem ingediende aanvraag voor een bouwvergunning, waarop twee kadastrale perceelnummers zijn ingevoerd. Ook heeft hij bouwkundig onderzoek laten doen, waarin ter sprake is gekomen dat [B.V. 1] in twee panden werd geëxploiteerd die van afzonderlijke eigenaren waren. Hij heeft over het voorgaande enkel verklaard dat hij niet wist of er een bouwvergunning is aangevraagd. Ook heeft hij verklaard dat hij zich niet meer kan herinneren of er een afnameverplichting van Heineken was bij [adres 3] . Dit is echter in de huurovereenkomst opgenomen, waarbij [adres 4] niet wordt genoemd. Hij heeft vervolgens wel verklaard dat hij ermee bekend was dat de kelderbierinstallatie in [adres 4] was geplaatst. Een ervaren horecaondernemer zou moeten herkennen dat de kelderbierinstallatie van InBev was en niet van Heineken. Het kan dus niet zo zijn dat de heer [naam 2] er overheen heeft gelezen dat de huurovereenkomst enkel zag op [adres 3] . De heer [naam 4] heeft ook belang bij de uitkomst van de zaak, gezien zijn betrokkenheid bij de heer [naam 2] en zijn ondernemingen. Hij is geen deskundige voor wat betreft huurprijzen, zodat de verklaring daaromtrent niet kan bijdragen in het gevraagde bewijs. Hij concludeert op basis van het in het geding gebrachte plattegrondje dat [adres 4] tot het gehuurde behoort, maar hij is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de huurovereenkomst. Zijn verklaring is dus ingevuld, zodat deze ten gunste van de uitkomst van de procedure voor [B.V. 2] zal komen. Uit zijn verklaring volgt echter ook dat hij bekend was met het feit dat [B.V. 1] in twee panden werd geëxploiteerd. De verklaring van de heer [naam 1] is inconsistent met zijn eerdere verklaring. Hij geeft steeds aan [adres 3] te hebben verhuurd en dat [B.V. 2] [adres 4] daarbij kosteloos kon gebruiken. De heer [naam 1] had, gelet op zijn verklaring, niet de wil [adres 4] te verhuren. Hooguit is een bruikleenovereenkomst gesloten. De hoogte van de huurprijs is bovendien te verklaren door de bonusregeling, zo volgt uit de verklaring van de heer [naam 1] . De verklaring van mevrouw [persoon] is eveneens inconsistent en bijzonder vaag. Zo verklaart zij dat de heer [naam 1] niet aanwezig was bij het gesprek met haar advocaat, terwijl hij heeft verklaard daar wel bij aanwezig te zijn geweest. Ook uit haar verklaring volgt dat [adres 4] niet mocht worden verhuurd. Hooguit mocht de ruimte worden gebruikt. Uit de verklaringen van mevrouw [persoon] en de heer [naam 1] volgt dus duidelijk dat het de bedoeling was alleen [adres 3] te verhuren. Voor hen en [naam 2] was, gelet op de plaatsing van de kelderbierinstallatie, nooduitgang en de toiletten, duidelijk dat de huurovereenkomst van meet af aan een gebrek zou hebben. Dit is opgelost door [adres 4] ter beschikking te stellen door [persoon] . [B.V. 1] kon dit immers niet, want zij was geen huurder van [adres 4] . [persoon] heeft ook verklaard dat zij het gebruik gedoogde. Zij kon daar ook geen geld voor vragen, want dan zou sprake zijn van verboden onderhuur. Er is dus sprake van een huurovereenkomst voor [adres 3] tussen [B.V. 1] en [B.V. 2] en een overeenkomst van bruikleen tussen [persoon] en [B.V. 2] voor [adres 4] . 3.13 [B.V. 2] concludeert te zijn geslaagd in het leveren van het gevraagde bewijs. De heer [naam 1] heeft verklaard dat het in het geding gebrachte plattegrondje de feitelijke situatie was op het moment dat de huurovereenkomst werd gesloten. Bovendien heeft hij verklaard dat [adres 4] “er gewoon bij hoorde”, omdat [B.V. 1] anders niet te exploiteren viel. Er is daarom niet afzonderlijk gesproken over [adres 4] . Het klopt dat er niet over gesproken is. Ook is er niet tegen de heer [naam 2] gezegd dat hij [adres 4] zou mogen gebruiken zonder dat er huur tegenover staat. Dat dit het geval is, is onaannemelijk, gelet op de hoogte van de afgesproken huurprijs. [B.V. 2] wijst er nog op dat de heer [naam 1] op sommige momenten onbegrijpelijk en tegenstrijdig verklaarde en hij een uiterst selectief geheugen leek te hebben. Daarbij staat zijn verklaring haaks op de al eerder in het geding gebrachte verklaring. De verklaring van [persoon] is nog minder geloofwaardig en op sommige momenten weigerachtig te noemen. Wel vloeit ook uit haar verklaring voort dat [adres 3] niet te exploiteren was zonder [adres 4] . Tot slot voert zij aan dat, ook als wordt gekeken naar de in rekening gebrachte huurprijs, het erop neerkomt dat [adres 4] wordt gehuurd en dat daar ook voor wordt betaald. 3.14 De kantonrechter heeft partijen vervolgens in de gelegenheid gesteld te reageren op de bij conclusies na enquête overgelegde producties. Partijen zijn enkel in de gelegenheid gesteld op de producties te reageren, zodat de kantonrechter de aktes die door partijen zijn ingediend zal meenemen in de beoordeling voor zover zij een reactie zijn op de producties. 3.15 [persoon] voert aan dat de overgelegde producties niets toevoegen aan de verstrekte bewijsopdrachten. Zij blijft erbij dat het bij het sluiten van de huurovereenkomst duidelijk moet zijn geweest voor [B.V. 2] dat het gehuurde wordt geëxploiteerd in twee panden. Dit wordt ondersteund door de overgelegde aanvraag van de bouwvergunning. 3.16 [B.V. 1] voert aan dat de door [persoon] overgelegde producties bevestigen dat het om twee panden gaat en dat dit kenbaar moet zijn geweest voor de heer [naam 2] bij het sluiten van de huurovereenkomst. Voor zover het onduidelijk voor hem was had het bij hem ( [B.V. 2] ) gelegen nader onderzoek te doen. De door [B.V. 2] overgelegde interne factuur van [B.V. 1] zegt niets over de afgesproken huurprijs. Dit is enkel een interne factuur in het kader van concern- en fiscale belangen. Zij blijft erbij dat het onzinnig is het gehuurde voor een lager bedrag te verhuren dan, waarvoor [B.V. 1] het huurde. Het verschil zit niet in de indexering, zoals [B.V. 2] suggereert. 3.17 [B.V. 2] voert aan dat nimmer is betwist dat het om twee aparte panden gaat. Dit is ook niet relevant voor de bewijsopdracht. Het overgelegde plattegrondje wijst er juist op dat [adres 4] ook tot het gehuurde behoorde. Oordeel van de kantonrechter: 3.18 De eerste bewijsopdracht ziet op de uitleg van de overeenkomst tussen [B.V. 1] en [B.V. 2] van 1 maart
  13. Voor de uitleg van (de inhoud van) een overeenkomst dient aansluiting te worden gezocht bij het Haviltex-arrest van 13 maart 1981 (NJ 1981, 635). In dat arrest heeft de Hoge Raad bepaald dat het bij de uitleg van contractsbepalingen niet aankomt op 'een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract', maar op 'de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten', waaraan de Hoge Raad heeft toegevoegd dat daarbij mede van belang kan zijn 'tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht'. 3.19 Gelet op de inhoud van de huurovereenkomst van 1 maart 2012 dient als uitgangspunt te gelden dat partijen in overleg zijn getreden over de overname van de onderneming van [B.V. 1] . Tussen partijen staat vervolgens vast dat de onderneming van [B.V. 1] werd geëxploiteerd (toen en nu) in [adres 3] , [adres 4] en [adres 5] , waarbij [adres 5] alleen via [adres 4] kan worden bereikt. Ook staat tussen partijen vast dat op het moment dat de huurovereenkomst werd gesloten de kelderbierinstallatie en de nooduitgang van de onderneming zich in [adres 4] bevonden en de toiletten van de onderneming in [adres 5] . 3.20 Gelet op het voorgaande acht de kantonrechter van ondergeschikt belang of de heer [naam 2] het onderscheid tussen [adres 3] en [adres 4] wist of had moeten zien aan de panden. De onderhandelingen tussen de heer [naam 1] en de heer [naam 2] gingen immers om de huur van de gehele onderneming, zoals die op dat moment werd geëxploiteerd. Logischerwijs was [naam 2] , namens [B.V. 2] , dus niet bezig met de verschillende panden. Te meer, nu, zoals ook is verklaard door de heer [naam 1] , de onderneming van [B.V. 1] niet te exploiteren is zonder [adres 4] en [adres 5] en de heer [naam 2] uit ervaring van mening was dat hij een huurprijs zou gaan betalen die marktconform was voor de gehele onderneming (de drie panden bij elkaar). 3.21 Het alternatieve scenario, zoals geschetst door [persoon] en [B.V. 1] , zou betekenen dat de heer [naam 2] willens en wetens een huurovereenkomst zou hebben gesloten, die vanaf aanvang zo gebrekkig zou zijn dat hij geen onderneming zou kunnen voeren in het gehuurde en [B.V. 2] daarvoor wel € 60.000,00 (exclusief btw) op jaarbasis zou gaan betalen. Dit is zeer onaannemelijk. 3.22 Daar komt bij dat zowel de heer [naam 2] als de heer [naam 1] verklaart dat er niet (afzonderlijk) is gesproken over [adres 4] . Onder die omstandigheden mocht de heer [naam 2] (namens [B.V. 2] ) ervan uitgaan dat de huurovereenkomst zag op het gebruik van alle drie de panden. Uit de verklaring van de heer [naam 1] volgt bovendien dat ook hij heeft bedoeld [adres 4] ter beschikking te stellen aan [B.V. 2] , aangezien hij ervan uit ging dat [B.V. 2] die ruimte gewoon mocht gebruiken zonder daarvoor te betalen. Nu er echter geen onderscheid is gemaakt in de huurovereenkomst met betrekking tot de twee panden voldoet de huurovereenkomst ook voor [adres 4] aan de definitie van een huurovereenkomst ex artikel 7:201 lid 1 BW. Voor de volledigheid overweegt de kantonrechter dat beschikkingsbevoegdheid geen vereiste is voor een rechtsgeldige huurovereenkomst (zie Hoge Raad 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:284). 3.23 Vervolgens overweegt de kantonrechter dat niet uit de overgelegde stukken en verklaringen volgt dat, zoals gesteld door [B.V. 1] , [adres 4] niet door [B.V. 1] , maar door [persoon] ter beschikking werd gesteld via een bruikleenovereenkomst. Niet is immers gebleken van enig contact tussen [persoon] en [B.V. 2] in die periode en tussen hen is in ieder geval geen overeenkomst gesloten. Daarbij is in het tussenvonnis van 13 november 2019 al overwogen dat er op dat moment een onderhuurovereenkomst gold tussen [persoon] en [B.V. 1] . Dit volgt ook uit de betalingen van [B.V. 1] aan InBev, zodat er voor [persoon] geen aanleiding was nogmaals een overeenkomst te sluiten voor het gebruik van [adres 4] . Die huurovereenkomst is pas in maart 2015 komen te eindigen, waarna [B.V. 1] het gehuurde niet heeft opgeleverd en dientengevolge de gebruiksvergoeding aan [persoon] dient te voldoen (zie ook het tussenvonnis van 13 november 2019). 3.24 Het voorgaande leidt ertoe dat de kantonrechter van oordeel is dat [B.V. 2] is geslaagd in het leveren van het gevraagde bewijs dat zij mocht begrijpen dat [adres 4] ook onder de huurovereenkomst valt. 3.25 Met betrekking tot de tweede bewijsopdracht, dat [B.V. 2] ook betaalde voor [adres 4] , overweegt de kantonrechter dat uit de huurovereenkomst tussen [B.V. 1] en [B.V. 2] volgt dat de aanvangshuurprijs € 60.000,00 (exclusief btw) bedroeg. 3.26 Hiervoor is overwogen dat [B.V. 2] mocht begrijpen dat [adres 4] ook onder de huurovereenkomst viel, zodat, nu niet is gesteld of gebleken dat de voornoemde huurprijs niet is voldaan door [B.V. 2] , in beginsel er vanuit moet worden gegaan dat de huurprijs voor [adres 4] door [B.V. 2] is betaald. 3.27 Daar komt bij dat [B.V. 2] bij akte van 8 januari 2020 een deskundigenrapport heeft overgelegd, waaruit volgt dat de huurprijs per jaar met peildatum december 2019 voor de huur van [adres 3] , [adres 4] en [adres 5] tezamen € 71.000,00 is. Dit ligt in lijn met de huurprijs, die in 2012 is afgesproken. 3.28 Met die stand van zaken is de kantonrechter van oordeel dat [B.V. 2] ook geslaagd is in het leveren van het bewijs dat zij de huurprijs voor [adres 4] heeft betaald. 3.29 De afgesproken bonusregeling maakt het voorgaande niet anders. Buiten het feit dat deze niet is overgelegd, zodat de kantonrechter niet kan beoordelen wat de bedoeling van partijen was bij deze regeling, is de verklaring van [naam 1] , dat dit voordelig zou zijn voor de bepaling van de toekomstige huurprijs, ongeloofwaardig. De bonusregeling neemt immers niet weg dat de huurprijs is bepaald op € 60.000,00 (exclusief btw). Voor een huurprijswijziging, zoals bedoeld in artikel 7:303 BW, wordt geen rekening gehouden met die regeling. Dan zou [B.V. 2] een huurprijs zijn overeengekomen die bijna het dubbele is van de marktwaarde. Als het door [B.V. 2] gehuurde als referentieobject zou worden gebruikt, zou dit dan ook niet tot een lagere huurprijs kunnen leiden bij een toekomstige huurprijsvaststelling. Conclusie in de hoofdzaak: 3.30 In het tussenvonnis van 13 november 2019 is al overwogen dat de gevorderde hoofdsom ten opzichte van [persoon] toewijsbaar is. Deze zal dan ook ten opzichte van haar worden toegewezen. 3.31 De kantonrechter komt vervolgens op grond van het bovenstaande tot de conclusie dat [B.V. 2] niet ongerechtvaardigd is verrijkt door het gebruik van [adres 4] , zodat de vorderingen in de hoofdzaak ten opzichte van haar moeten worden afgewezen. 3.32 Het bovenstaande leidt er vervolgens wel toe dat [B.V. 1] ongerechtvaardigd is verrijkt. Zij heeft [adres 4] in gebruik gegeven aan [B.V. 2] en daar een bedrag voor ontvangen, wat zij niet heeft doorbetaald aan InBev. In beginsel dient zij ook te worden veroordeeld tot betaling van de hoofdsom. 3.33 [B.V. 1] heeft een beroep gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, op rechtsverwerking en op eigen schuld van InBev. 3.34 Het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid slaagt niet. De kantonrechter dient bij de toepassing van artikel 6:2 lid 2 BW de nodige terughoudendheid te betrachten. Niet snel kan worden aangenomen dat een tussen partijen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel niet van toepassing is. In het vonnis van 13 november 2019 is al overwogen dat het feit, dat InBev het gehuurde niet met gebruikmaking van de tussen haar en [persoon] gewezen uitspraken heeft ontruimd, haar niet kan worden verweten. InBev had alleen een ontruimingstitel tegen [persoon] en niet tegen [B.V. 2] , waarbij [B.V. 2] zich, zoals hiervoor overwogen, terecht op het standpunt stelt dat zij niet zonder recht of titel [adres 4] gebruikt. Op dezelfde grond kon van [B.V. 2] niet worden verwacht dat deze de bedrijfsruimte zou ontruimen. Het voorgaande leidt ertoe dat ook het beroep op rechtsverwerking of eigen schuld niet slaagt. 3.35 De hoofdsom in de hoofdzaak wordt dus ook ten opzichte van [B.V. 1] toegewezen. De gebruiksvergoeding vanaf 23 april 2018 tot 1 juni 2019 is eveneens toewijsbaar ten opzichte van [B.V. 1] . 3.36 De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is, als gegrond op de wet, toewijsbaar ten opzichte van [persoon] en [B.V. 1] . 3.37 InBev heeft tot slot voldoende onderbouwd dat zij buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt. Het gevorderde bedrag komt bovendien overeen met de geldende forfaitaire tarieven. De kantonrechter zal het bedrag van € 1.594,36 dan ook toewijzen ten opzichte van [persoon] en [B.V. 1] . 3.38 [B.V. 1] heeft in haar conclusie van antwoord nog aangevoerd dat InBev niet heeft onderbouwd op grond waarvan [persoon] en [B.V. 1] (en [B.V. 2] ) hoofdelijk zouden kunnen worden veroordeeld. Gelet op het voorgaande zijn [persoon] en [B.V. 1] op twee verschillende gronden aansprakelijk voor het gehele gevorderde bedrag, waarbij als de één betaalt de ander niet meer hoeft te betalen. De hoofdelijke veroordeling is dan ook toewijsbaar. Conclusie in de vrijwaringszaak: 3.39 In het tussenvonnis van 13 november 2019 is al overwogen dat [B.V. 1] tot 30 oktober 2015 gebruiksvergoeding aan [persoon] verschuldigd is. Gelet op de uitkomst van de bewijsopdrachten is [B.V. 1] nadien ongerechtvaardigd verrijkt ten opzichte van [persoon] . 3.40 Het beroep op eigen schuld slaagt vervolgens niet, omdat [B.V. 1] , gelet op de uitkomst van de bewijsopdrachten, degene is geweest die [adres 4] aan [B.V. 2] in gebruik heeft gegeven. [B.V. 1] kan dan [persoon] niet verwijten dat zij stil is blijven zitten. De vordering ten opzichte van [B.V. 1] is toewijsbaar. 3.41 Gelet op de uitkomst van de bewijsopdrachten is niet vast te stellen dat [B.V. 2] ongerechtvaardigd is verrijkt, zodat de vordering ten opzichte van haar niet toewijsbaar is.
  14. De proceskosten In de hoofdzaak: 4.1 [persoon] en [B.V. 1] zijn de in het ongelijk gestelde partijen ten opzichte van InBev, zodat zij de proceskosten (inclusief nakosten) van InBev moeten betalen. De proceskosten van InBev worden begroot op: - dagvaarding € 102,80 - griffierecht € 952,00 - salaris gemachtigde € 3.260,00 (4 punten x tarief € 815,00) - nakosten € 135,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 4.449,
  15. 4.2 De wettelijke rente over de proceskosten van InBev wordt toegewezen als in de beslissing vermeld. 4.3 InBev is de in het ongelijk gestelde partij ten opzichte van [B.V. 2] , zodat zij de proceskosten (inclusief nakosten) van [B.V. 2] moet betalen. De proceskosten van [B.V. 2] worden begroot op: - salaris gemachtigde € 4.075,00 (5 punten x tarief € 815,00) - nakosten € 135,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 4.210,
  16. In de vrijwaringszaak: 4.4 [B.V. 1] is de in het ongelijk gestelde partij ten opzichte van [persoon] , zodat zij de proceskosten (inclusief nakosten) van [persoon] moeten betalen. De proceskosten van [persoon] worden begroot op: - dagvaarding € 104,54 - salaris gemachtigde € 3.260,00 (4 punten x tarief € 815,00) - nakosten € 135,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 3.499,
  17. 4.5 De wettelijke rente over de proceskosten van [persoon] wordt toegewezen als in de beslissing vermeld. 4.6 [persoon] is de in het ongelijk gestelde partij ten opzichte van [B.V. 2] , zodat zij de proceskosten (inclusief nakosten) van [B.V. 2] moeten betalen. De proceskosten van [B.V. 2] worden begroot op: - salaris gemachtigde € 4.075,00 (5 punten x tarief € 815,00) - nakosten € 135,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 4.210,
  18. 5De beslissing De kantonrechter: In de hoofdzaak: veroordeelt [persoon] en [B.V. 1] hoofdelijk, en wel zo dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, om aan InBev te betalen een bedrag van: € 81.936,04 aan achterstallige gebruiksvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over de onbetaald gelaten termijnbedragen vanaf de vervaldata van die bedragen tot de dag van de algehele voldoening; € 1.594,36 aan buitengerechtelijke kosten; veroordeelt [B.V. 1] om aan InBev te betalen een bedrag van € 2.190,70, aan gebruiksvergoeding per maand of gedeelte daarvan vanaf 23 april 2018 tot 1 juni 2019; veroordeelt [persoon] en [B.V. 1] hoofdelijk, en wel zo dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van de proceskosten van InBev van € 4.449,80, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [persoon] en/of [B.V. 1] niet op tijd aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten zij ook de kosten van betekening betalen; veroordeelt InBev tot betaling van de proceskosten van [B.V. 2] van € 4.210,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als InBev niet op tijd aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij ook de kosten van betekening betalen; veroordeelt [persoon] en [B.V. 1] hoofdelijk, en wel zo dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van InBev als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald; In de vrijwaringszaak: veroordeelt [B.V. 1] tot betaling van al hetgeen [persoon] in de hoofdzaak is veroordeeld; veroordeelt [B.V. 1] tot betaling van de proceskosten van [persoon] van € 3.499,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [B.V. 1] niet op tijd aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij ook de kosten van betekening betalen; veroordeelt [persoon] tot betaling van de proceskosten van [B.V. 2] van € 4.210,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [persoon] niet op tijd aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij ook de kosten van betekening betalen; veroordeelt [B.V. 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van [persoon] als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald; In de hoofdzaak en de vrijwaringszaak: verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben en in het openbaar uitgesproken door mr. Tilman-Knoester op 16 juli 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.