← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2025:6748

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Tilburg Zaaknummer: 11432440 \ CV EXPL 24-6053 Vonnis van 30 juli 2025 in de zaak van de vennootschap naar buitenlands recht ALEKTUM CAPITAL II AG, gevestigd en kantoorhoudende te Zug (Zwitserland), eisende partij, hierna te noemen: Alektum, gemachtigde: Deurwaarderskantoor Van Lith B.V. te Eindhoven, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde], gemachtigde: [gemachtigde], echtgenoot van [gedaagde]. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding 19 november 2024 met producties;- de conclusie van antwoord van 30 november 2024 met producties;- de conclusie van repliek van 5 februari 2025 met producties;- de conclusie van dupliek van 9 februari
  2. 1.
  3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De zaak in het kort Alektum stelt dat [gedaagde] een bestelling heeft geplaatst bij de webshop van de verkoper. Bij die bestelling heeft zij gekozen voor achteraf betalen via de rechtsvoorgangster van Alektum. De rechtsvoorgangster heeft haar vordering gecedeerd aan Alektum. [gedaagde] heeft het openstaande bedrag onterecht onbetaald gelaten, zodat zij rente en kosten verschuldigd is geworden. [gedaagde] betwijfelt of zij de bestelling heeft geplaatst en vindt de door Alektum overgelegde stukken onvoldoende om dit aan te nemen. Zij wijst erop dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de administratie van Alektum en haar rechtsvoorgangsters niet op orde zijn. De kantonrechter is van oordeel dat onvoldoende is betwist dat [gedaagde] de overeenkomst met de verkoper heeft gesloten. De vordering wordt toegewezen, waarbij rekening wordt gehouden met de recente jurisprudentie met betrekking tot het achteraf betalen. 3Het geschil en de beoordeling Standpunten van partijen: 3.
  4. Alektum vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 160,94, te vermeerderen met rente en kosten. Zij stelt dat [gedaagde] op of omstreeks 23 januari 2021 een bestelling heeft geplaatst bij de verkoper en die bestelling door de verkoper aan [gedaagde] is geleverd. Bij het doen van die bestelling heeft [gedaagde] gekozen voor achteraf betalen via Klarna (de rechtsvoorgangster van Alektum). [gedaagde] heeft de koopsom onbetaald gelaten. De vordering van Klarna is aan Alektum gecedeerd, zodat [gedaagde] de koopsom aan haar moet voldoen. Nu zij dit nalaat, is zij rente en kosten verschuldigd geworden. Op het verweer van [gedaagde] voert Alektum aan dat zij is uitgegaan van de persoonlijke gegevens, zoals deze bij de bestelling zijn ingevuld door [gedaagde]. Alektum is afhankelijk van de gegevens die de koper zelf heeft opgegeven. Zij kan deze, totdat een dagvaarding wordt uitgebracht, niet verifiëren. [gedaagde] is woonachtig op het bij de bestelling gebruikte adres. Ook al op het moment dat de bestelling werd geplaatst. De door haar gebruikte naam wijst erop dat zij de naam van haar partner heeft gebruikt bij het doen van de bestelling. De reden dat het e-mailadres van hun zoon is gebruikt door Alektum, is omdat bij de andere bestelling, waarvoor ook werd aangemaand, op haar naam is besteld en dat e-mailadres is gebruikt. Alektum ging ervan uit dat die bestelling door dezelfde persoon is geplaatst. Alektum heeft de e-mailadressen aangepast op het moment dat contact werd opgenomen met de gemachtigde van Alektum door de gemachtigde van [gedaagde]. De factuur van de bestelling in de onderhavige zaak is in het buitengerechtelijk traject op 5 juni 2024 aan [gedaagde] toegezonden. Gelet op de gebruikte gegevens gaat Alektum ervan uit dat [gedaagde] die bestelling heeft geplaatst. Zij is niet in staat om een afleverbewijs over te leggen van het geleverde product, maar [gedaagde] is al lange tijd woonachtig op dat adres, zodat Alektum ervan uitgaat dat het pakket op dat adres is ontvangen. Naar dat adres (en het gehanteerde e-mailadres) zijn ook de aanmaningen gezonden, zodat het zeer onwaarschijnlijk is dat [gedaagde] die niet heeft ontvangen. [gedaagde] heeft pas contact gezocht op het moment dat zij werd aangemaand door de gemachtigde van Alektum. 3.
  5. [gedaagde] voert verweer. Zij voert aan dat Alektum lange tijd verkeerde e-mailadressen heeft gebruikt. Pas medio 2024 is zij via het e-mailadres van haar zoon aangeschreven voor twee openstaande facturen, waaronder de onderhavige. Zij heeft daarop gevraagd de onderliggende stukken toe te sturen, maar heeft enkel voor één van de facturen de onderliggende stukken ontvangen. Dit was niet de onderhavige factuur. In deze procedure worden de onderliggende stukken van deze factuur wel overgelegd, maar deze zijn onvoldoende om te bewijzen dat de bestelling door haar is geplaatst. Zij vraagt de vordering af te wijzen onder vergoeding van verletkosten en genoegdoening voor de onterechte beschuldiging. Bevoegdheid van de Nederlandse rechter en het toepasselijk recht: 3.
  6. Klarna en Alektum zijn rechtspersonen naar buitenlands recht. Daarom moet allereerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter wel bevoegd is van de vordering kennis te nemen. Dat is zo. [gedaagde] woont namelijk in Nederland en is een consument. Verder overweegt de kantonrechter dat op de vordering het Nederlands recht van toepassing is. De behandeling van het verweer en conclusie: 3.
  7. In het kort komt het verweer van [gedaagde] erop neer dat zij betwijfelt of zij de bestelling heeft geplaatst. Zij wijst er daarbij op dat de administratie van Klarna en Alektum niet in orde zou zijn. 3.
  8. Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende onderbouwd dat de bestelling via haar account bij de verkoper is geplaatst, althans [gedaagde] heeft die stelling onvoldoende weersproken. Uit de overgelegde stukken volgt immers dat de bestelling is geplaatst door [naam], haar voornaam met de achternaam van haar partner. Ook volgt uit de overgelegde stukken dat de gehanteerde geboortedatum klopt en het adres en de postcode zijn gebruikt waar zij op dat moment woonachtig was (en waar zij nu woonachtig is). Ook is een telefoonnummer en e-mailadres ingevuld, waarvan zij niet betwist dat deze door haar gebruikt werden. Onvoldoende heeft [gedaagde] vervolgens weersproken dat het pakket aan haar adres is toegezonden en dat het daar is ontvangen. Zij wijst er alleen op dat Alektum geen verzendbewijs meer heeft, maar stelt niet dat het pakket niet is ontvangen. 3.
  9. [gedaagde] maakt wel veel gewag van het feit dat zij is aangemaand via het e-mailadres van haar zoon. Dit is echter begrijpelijk, omdat het adres werd gebruikt bij een andere bestelling op haar naam. Ook wijst zij op de typefouten in de conclusie van repliek, maar die doen niet af aan de vraag of er een overeenkomst is gesloten. Vervolgens wordt er door [gedaagde] op gewezen dat Alektum bij repliek weer verwijst naar die andere bestelling, terwijl het daar in deze procedure niet over gaat, maar dit is ook begrijpelijk omdat de conclusie van repliek een reactie is op de stellingen van [gedaagde] in de conclusie van antwoord. 3.
  10. Gelet op het voorgaande en het bepaalde in artikel 7:26 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek is [gedaagde] de koopsom in beginsel verschuldigd. Van belang is nog het volgende. De rechtsverhouding tussen de verkoper en [gedaagde]: 3.
  11. De vordering is gebaseerd op een overeenkomst op afstand tussen een handelaar en een consument. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument aan de essentiële wettelijke (pre)contractuele informatieverplichtingen van de artikelen 6:230m lid 1 onder a, b, c, e, f, g, h, o en p en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden voldaan. Dat aan deze verplichtingen is voldaan, dient gemotiveerd te worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1677). 3.
  12. Alektum heeft in de dagvaarding gesteld dat de verkoper heeft voldaan aan de precontractuele informatieverplichtingen van artikel 6:230m lid 1 BW, maar heeft deze stelling onvoldoende onderbouwd. Immers, uit de overgelegde producties volgt niet dat de verkoper voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan de essentiële informatieverplichtingen als bedoeld in artikel 6:230m lid 1 onder h BW (het herroepingsrecht) heeft voldaan. De kantonrechter merkt daarbij op dat uit het Tiketa-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (ECLI:EU:C:2022:112) weliswaar volgt dat precontractuele informatie in algemene voorwaarden mag worden opgenomen, maar dan moet de consument daar wel op actieve wijze zijn goedkeuring voor verlenen door het daartoe bestemde vakje aan te vinken. Uit de overgelegde producties volgt echter niet dat tijdens het bestelproces een apart vakje voor het aanvaarden van de algemene voorwaarden gehanteerd wordt. 3.
  13. Ook voor wat betreft de contractuele informatieverplichting heeft Alektum nagelaten (voldoende) te stellen of en hoe deze is nagekomen (artikel 6:230v lid 7 BW). Enkel is overgelegd de door Klarna gestuurde factuur, maar dit stuk bevat niet alle in artikel 6:230m lid 1 BW genoemde informatie. 3.
  14. Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de Hoge Raad moet de kantonrechter aan een schending van de informatieverplichtingen gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. De kantonrechter van oordeel dat het passend is de koopovereenkomst voor 20% te vernietigen, zodat de koopsom met voornoemd percentage wordt verminderd. De rechtsverhouding tussen Klarna en [gedaagde]: 3.
  15. [gedaagde] heeft bij deze aankoop gekozen voor betaling achteraf aan Klarna. Kort na het sluiten van deze koopovereenkomst krijgt Klarna de vordering van verkoper (ruim) binnen de termijn waarin [gedaagde] de gelegenheid krijgt de koopprijs te betalen overgedragen. Dit uitstel van betaling is een vorm van kredietverstrekking. Dit betekent dat in beginsel sprake is van een consumentenkredietovereenkomst, waarop Titel 2A van Boek 7 BW van toepassing is. Op zo’n kredietovereenkomst zijn consumentenbeschermende bepalingen van toepassing. 3.
  16. In artikel 7:58 lid 2 BW zijn een aantal uitzonderingen opgenomen waarop die consumentenbeschermende bepalingen niet van toepassing zijn. Voor die uitzonderingen wordt minder consumentenbescherming nodig geacht. In dit geval is het de vraag of de kredietovereenkomst valt onder de uitzonderingssituatie genoemd in artikel 7:58 lid 2 onder e BW. 3.
  17. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 17 oktober 2024 (ECLI:EU:C:2024:895) geoordeeld dat kredietovereenkomsten zoals de in deze zaak gesloten kredietovereenkomst in beginsel onder de hiervoor genoemde uitzondering vallen. Dit kan anders zijn als de kredietverstrekker er, teneinde een economisch voordeel te verkrijgen, vanaf de sluiting van de kredietovereenkomst op anticipeert dat de consument de betalingsverplichting niet zal nakomen. Met andere woorden, in het geval de bedongen kosten (zoals de rente en buitengerechtelijke kosten) deel uitmaken van het verdienmodel van de kredietverstrekker. 3.
  18. De kantonrechter heeft in het vonnis van 16 juli 2025 (te vinden op www.rechtspraak.nl onder kenmerk ECLI:NL:RBZWB:2025:4661) geoordeeld dat Alektum niet duidelijk heeft gemaakt dat de bedongen rente en incassokosten geen deel uitmaken van het verdienmodel van Klarna. In de onderhavige zaak zijn geen stukken ingediend, die tot een ander oordeel leiden. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de onderhavige kredietovereenkomst onder de reikwijdte van Titel 2A BW valt, zodat Alektum had moeten onderbouwen dat Klarna aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan. Uit de overgelegde stukken volgt niet, althans onvoldoende, dat Klarna voorafgaand aan deze overeenkomst aan haar informatieplicht (artikel 7:60 BW) en haar verplichting tot het uitvoeren van een kredietwaardigheidstoets (artikel 4:34 Wft) heeft voldaan. 3.
  19. Het voorgaande leidt ertoe dat de kantonrechter de kredietovereenkomst zal vernietigen. Ingevolge artikel 3:53 jo. 6:203 BW moet [gedaagde] bij vernietiging van de overeenkomst het geleende geld terugbetalen aan Alektum. Alektum vordert daarnaast betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente. Omdat sprake is van een consumentenkredietovereenkomst, is dat deel van de vordering niet toewijsbaar. Conclusie: 3.
  20. Er zal dan ook een bedrag van (€ 104,97 * 0,8 =) € 83,98 aan hoofdsom worden toegewezen. 3.
  21. De gedaagde partij is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op: - dagvaarding € 113,54 - griffierecht € 130,00 - salaris gemachtigde € 80,00 (2 punten x tarief € 40,00) - nakosten € 20,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 343,
  22. 3De beslissing De kantonrechter: veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Alektum te betalen een bedrag van € 83,98; veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten van € 343,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de gedaagde partij niet op tijd aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet de gedaagde partij ook de kosten van betekening betalen; verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken door mr. Eijssen-Vruwink op 30 juli 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.