← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2025:6751

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Breda Zaaknummer / rekestnummer: 11475996 \ AZ VERZ 25-1 Beschikking van 3 april 2025 in de zaak van [werknemer] , te [plaats 1] , verzoekende partij, hierna te noemen: [werknemer] , gemachtigde: ARAG SE Rechtsbijstand, tegen [werkgever] B.V., te [plaats 2] , verwerende partij, hierna te noemen: [werkgever] , niet verschenen. 1De zaak in het kort [werknemer] is als werknemer in dienst geweest bij [werkgever] . In het kader van de afwikkeling van het dienstverband heeft [werknemer] tegen [werkgever] [werknemer] een aantal vorderingen ingesteld, waaronder een loonvordering en betaling van vergoedingen en nevenvorderingen. [werkgever] heeft geen verweer gevoerd. De kantonrechter zal de vorderingen (grotendeels) toewijzen. Hieronder legt de kantonrechter dit oordeel nader uit. 2De procedure 2.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift - de oproepingsbrief aan [werkgever] van 22 januari 2025 die zowel per gewone post als per aangetekende post is verstuurd - de mondelinge behandeling van 6 maart
  2. 2.
  3. De beschikking is bepaald op vandaag. 3De feiten 3.
  4. [werknemer] , geboren [2003] , is op 6 september 2024 in dienst getreden bij [werkgever] . De functie van [werknemer] was photobooth bezorger met een loon van € 2.000,00 bruto per maand bij een arbeidsomvang van 32 uur per week. 3.
  5. Op 21 oktober 2024 heeft [werkgever] de arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang van 21 oktober
  6. In deze brief staat onder meer het volgende: “Middels deze brief bevestigen wij dat de arbeidsovereenkomst tussen u en [werkgever] met onmiddellijke ingang is beëindigd. De dringende reden voor dit ontslag op staande voet is u reeds eerder aangezegd. Naast het ontslag op staande voet is de arbeidsovereenkomst ook binnen de overeengekomen proeftijd met onmiddellijke ingang opgezegd. Dit alles betekent dat uw arbeidsovereenkomst per 21-10-2024 eindigt.” 3.
  7. Correspondentie tussen [werkgever] en de gemachtigde van [werknemer] heeft niet tot een oplossing geleid. 4Het verzoek en het verweer 4.
  8. Samengevat verzoekt [werknemer] de kantonrechter om [werkgever] te veroordelen tot betaling van vergoedingen, waaronder de transitievergoeding, achterstallig loon, rente, kosten met overige nevenvorderingen. 4.
  9. [werkgever] heeft geen verweerschrift ingediend en is ook niet op de mondelinge behandeling verschenen. 5De beoordeling 5.
  10. De kantonrechter stelt het volgende voorop. [werkgever] is op de juiste wijze opgeroepen voor de mondelinge behandeling van 6 maart
  11. Immers, de oproepingsbrief van 22 januari 2025 is zowel per gewone post als per aangetekende post verstuurd naar [adres] , [plaats 2] . Dat is blijkens twee KvK-uittreksels van 17 januari 2025 en 7 maart 2025 het bezoekadres van [werkgever] . Desondanks is de aangetekende brief retour ontvangen met als reden ‘niet afgehaald’ en is [werkgever] niet verschenen. Het niet verschijnen van [werkgever] komt gelet op het voorgaande voor haar rekening en risico. Daarom wordt tegen haar verstek verleend. 5.
  12. De kantonrechter komt nu toe aan de beantwoording van de vraag of de arbeidsovereenkomst door middel van de brief van 21 oktober 2024 rechtsgeldig met onmiddellijke ingang is opgezegd. Gelet op formulering in de betreffende brief – de kantonrechter wijst in dit kader op het onder rechtsoverweging 3.2 weergegeven citaat en dan met name op het woord: ‘Naast’ – zal de kantonrechter beoordelen of de arbeidsovereenkomst op een van de in de brief vermelde ontslagwijzen (ontslag op staande voet of proeftijdontslag) rechtsgeldig is geëindigd. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter het geval. Immers, [werknemer] erkent dat het proeftijdontslag rechtsgeldig is en ook de kantonrechter komt het proeftijdontslag op grond van artikel 7:652 BW niet onrechtmatig of ongegrond voor. Weliswaar heeft [werknemer] ter zitting aangevoerd dat ‘naast’ zo moet worden begrepen dat eerst het ontslag op staande voet moet worden beoordeeld, maar dat is naar het oordeel van de kantonrechter niet het geval. ‘Naast’ wijst immers op gelijktijdigheid. Dat betekent in dit geval dat dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd als (minimaal) één van de twee ontslagwijzen rechtsgeldig was. En dat is het geval, omdat het proeftijdontslag rechtsgeldig is. 5.
  13. Het voorgaande betekent dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd op 21 oktober
  14. Van een (vergoeding wegens) onregelmatige opzegging is daarom geen sprake. Evenmin is er grond voor toewijzing van een billijke vergoeding, omdat het einde van de arbeidsovereenkomst door het rechtsgeldige proeftijdontslag niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [werkgever] . 5.
  15. De gevorderde transitievergoeding van € 111,29 bruto is op grond van artikel 7:673 BW wel toewijsbaar. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 22 november
  16. 5.
  17. Het gevorderde achterstallige loon van € 2.954,84 bruto over de periode vanaf 6 september 2024 tot en met 21 oktober 2024 is eveneens toewijsbaar. Op 21 oktober 2024 was echter nog niet dit gehele bedrag opeisbaar. Daarom zal de gevorderde wettelijke rente niet worden toegewezen vanaf 21 oktober 2024, maar vanaf 6 januari 2025 (de datum van indiening van het verzoek). De gevorderde wettelijke verhoging van 50% (oftewel € 1.477,42) zal ook worden toegewezen. Ook de vordering tot betaling van de eindafrekening zal worden toegewezen. Daarbij is van belang dat [werknemer] onweersproken heeft gesteld dat zij naast haar (basis)loon recht heeft op 8% vakantiebijslag, een vaste dertiende maand en 25 vakantiedagen per kalanderjaar, waarvan zij er geen heeft opgenomen. 5.
  18. [werkgever] zal verder worden veroordeeld tot het verstrekken van de loonstroken aan [werknemer] , op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag met een maximum van € 5.000,
  19. De vordering tot het verstrekken van een deugdelijke bruto/netto-specificatie van de eindafrekening (inclusief de transitievergoeding) is eveneens toewijsbaar op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag met een maximum van € 5.000,
  20. 5.
  21. De gevorderde bedragen van € 90,89 aan tankkosten en € 34,00 aan treinkosten zijn als onweersproken eveneens toewijsbaar. 5.
  22. De vordering met betrekking tot buitengerechtelijke kosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [werknemer] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 760,00 komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten is als vermogensschade toewijsbaar vanaf de dag van het verzoek of zoveel eerder als de schuldenaar dienaangaande in verzuim is en voor zover die kosten voordien daadwerkelijk zijn gemaakt. Nu echter niet gesteld is op welke datum de buitengerechtelijke kosten daadwerkelijk door [werknemer] zijn betaald, zal de kantonrechter de wettelijke rente toewijzen vanaf de dag van het verzoek (6 januari 2025). 5.
  23. De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] , omdat [werkgever] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 935,00 (€ 257,00 aan griffierecht, € 543,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten). 6De beslissing De kantonrechter 6.
  24. veroordeelt [werkgever] om binnen vijf dagen na deze beschikking: a. aan [werknemer] een transitievergoeding te betalen van € 111,29 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 22 november 2024 tot aan de dag van de gehele betaling, aan [werknemer] te betalen € 2.954,84 ter zake van achterstallig loon, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 6 januari 2025 tot aan de dag van de gehele betaling, aan [werknemer] te betalen € 1.477,42 ter zake van de maximale wettelijke verhoging van 50%, over te gaan tot betaling van de eindafrekening met inachtneming van het overwogene onder 5.5., aan [werknemer] te verstrekken de loonstroken over de periode 6 september 2024 tot en met 21 oktober 2024, met veroordeling van [werkgever] om aan [werknemer] een dwangsom te betalen van € 50,00 voor iedere dag dat hij niet aan deze hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt, aan [werknemer] te verstrekken een deugdelijke bruto/netto-specificatie van de eindafrekening (inclusief de transitievergoeding), met veroordeling van [werkgever] om aan [werknemer] een dwangsom te betalen van € 50,00 voor iedere dag dat hij niet aan deze hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt, aan [werknemer] te betalen € 90,89 aan tankkosten en € 34,00 aan treinkosten, aan [werknemer] te betalen € 760,00 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 6 januari 2025 tot aan de dag van de gehele betaling, 6.
  25. veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 935,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, 6.
  26. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 6.
  27. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 3 april
  28. Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.