← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2025:6752

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Cluster I Civiele kantonzaken Tilburg zaak/rolnr.: 11414663 OV VERZ 24-6860 beschikking d.d. 1 augustus 2025 op een verzoek ingediend door: [verzoeker] , wonende te [plaats] aan [adres 1] , verzoekende partij (hierna te noemen: [verzoeker] ), gedeeltelijk kosteloos procederend met een toevoeging onder nummer: [tolknummer 1] , gemachtigde: mr. N.M. Lindhout-Schot, advocaat te Tilburg, tegen [verweerder] , wonende te [plaats] aan [adres 2] , verwerende partij (hierna te noemen: [verweerder] ), gedeeltelijk kosteloos procederend met een toevoeging onder nummer: [tolknummer 2] , gemachtigde mr. H.A.H.M. Albrecht, advocaat te Eindhoven, in de nalatenschap van: [erflater] , laatstelijk gewoond hebbende te [plaats] , overleden te Bologna (Italië) [2023] , hierna te noemen: erflater. Waar gaat deze zaak over? [verzoeker] verzoekt ten laste van [verweerder] een som ineens toe te kennen ten behoeve van haar levensonderhoud en studie. [verweerder] voert verweer, met name tegen de behoeftigheid van [verzoeker] . De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] haar behoeftigheid onvoldoende heeft onderbouwd, zodat het verzoek wordt afgewezen. 1Het verloop van het geding 1.1 De procesgang blijkt uit de volgende stukken: a. het op 22 november 2024 ter griffie ontvangen verzoekschrift met producties; b. het daarop ontvangen verweerschrift met producties; c. het e-mailbericht van 4 juli 2025 met producties; d. de aantekeningen van de griffier met betrekking tot de op 8 juli 2025 gehouden mondelinge behandeling. 1.2 De inhoud van deze stukken geldt hier als ingelast. 2Het verzoek en het verweer 2.1 [verzoeker] verzoekt om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - aan haar ten laste van de erfgename(n) van erflater een som ineens ter hoogte van € 13.428,64 toe te kennen; - [verweerder] , in haar hoedanigheid van langstlevende echtgenote en wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige kinderen, te veroordelen het voornoemde bedrag te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente; - [verweerder] te veroordelen in de proceskosten. 2.2 Ter onderbouwing van haar verzoek stelt [verzoeker] dat de wettelijke verdeling op de nalatenschap van erflater van toepassing is. [verweerder] heeft als langstlevende echtgenote de goederen van de nalatenschap verkregen en dient de schulden te voldoen. De kinderen van erflater krijgen ieder een niet-opeisbare geldvordering gelijk aan de waarde van hun erfdeel. Erflater was tot zijn overlijden onderhoudsplichtig voor [verzoeker] . Zij was toentertijd nog minderjarig. Na het overlijden van erflater heeft [verzoeker] tijdig een beroep gedaan op een som ineens op grond van artikel 4:35 lid 1 sub a en b van het Burgerlijk Wetboek (BW) om te kunnen voldoen in de kosten van haar verzorging, opvoeding, levensonderhoud en studie. De moeder van [verzoeker] kan deze kosten niet zelfstandig dragen, nu zij een WIA-uitkering ontvangt. Inmiddels is [verzoeker] meerderjarig en ontvangt de moeder van [verzoeker] geen kinderbijslag of kindgebonden budget meer. [verzoeker] gaat op dit moment niet naar school, heeft een coach en staat op de wachtlijst voor hulp. Zij heeft een behoefde op grond van de DUO-norm van € 730,00 per maand. Tot haar 21ste levensjaar is dit een bedrag van € 13.428,64 (rekening houdend met indexering). Op het verweer van [verweerder] voert [verzoeker] aan dat er nog steeds geen volledig overzicht is in de omvang van de nalatenschap, omdat het onroerend goed in Marokko, de inkomsten uit verhuur van een appartement in Marokko en een overlijdensuitkering uit Marokko niet in de boedelbeschrijving is opgenomen. Ook heeft erflater altijd gezegd te hebben gespaard voor [verzoeker] , maar daar ziet [verzoeker] niks van terug. Het is maar de vraag of de nalatenschap negatief is. Met betrekking tot haar behoeftigheid voert zij aan dat het voor de hand ligt dat [verzoeker] nog een opleiding gaat volgen. Daar heeft ze het gevorderde bedrag voor nodig. 2.3 [verweerder] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken, met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten. 2.4 Ter onderbouwing van haar verweer voert zij aan dat ouders enkel verplicht zijn in de kosten van levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen (tot 21 jaar) te voorzien in het geval van behoeftigheid. [verzoeker] heeft die behoeftigheid niet onderbouwd. Zij zoekt aansluiting bij de DUO-norm, maar zij zou aansluiting moeten zoeken bij de bijstandsnorm. [verzoeker] volgt geen opleiding en heeft geen eigen woonlasten, zodat zij geacht moet worden volledig of gedeeltelijk in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien als wordt gekeken naar de bijstandsnorm. Mocht dit niet het geval zijn, kan zij mogelijk nog een beroep doen op een uitkering of andere voorziening. [verzoeker] stelt vervolgens dat haar moeder niet in haar levensonderhoud kan voorzien, maar onderbouwt deze stelling niet. Daarnaast voert [verweerder] aan dat de nalatenschap negatief is, zodat [verzoeker] ook op die grond geen beroep kan doen op een som ineens. Ter onderbouwing legt zij een voorlopige boedelbeschrijving over. Op de boedelbeschrijving zijn enkel de onroerende goederen in Marokko niet opgenomen. Deze bleken niet op naam van erflater te staan, maar nog in de onverdeelde nalatenschap van de ouders van erflater te zijn opgenomen. Een deel van de gronden is overigens gehuurd van de overheid en kan hooguit inkomsten opleveren als de daarop staande arganbomen worden geoogst. [verweerder] verwacht dat uit de verkoop van de onroerende goederen hooguit een bedrag van € 10.000,00 voortvloeit. Overigens staat het [verzoeker] vrij om naar Marokko te gaan en het te regelen met de familieleden van erflater. Zij hebben aangegeven daarvoor open te staan. Er is uiteindelijk niet gespaard voor [verzoeker] . Er is voor gekozen haar zakgeld te geven. Er is geen overlijdensuitkering gekregen in Marokko. 3De beoordeling 3.1 In artikel 4:35 BW is opgenomen dat een kind een erflater aanspraak kan maken op een som ineens, voor zover deze nodig is voor zijn verzorging en opvoeding tot het bereiken van de leeftijd van achttien jaren en voorts voor zijn levensonderhoud en studie tot het bereiken van de leeftijd van een en twintig jaren. 3.2 Ingevolge artikel 1:392 lid 1 sub a BW zijn tot het verstrekken van levensonderhoud op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden: de ouders, de kinderen, de behuwdkinderen, schoonouders en stiefouders. Op grond van lid 2 van voormelde bepaling bestaat deze verplichting, behalve wat betreft ouders en stiefouders jegens hun minderjarige kinderen en stiefkinderen en jegens hun kinderen bedoeld in artikel 1:395a BW slechts in geval van behoeftigheid van de tot levensonderhoud gerechtigde. Op grond van artikel 1:395a BW zijn ouders verplicht te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen die de leeftijd van een en twintig jaren niet hebben bereikt. 3.3 De kantonrechter overweegt met betrekking tot de behoeftigheid van [verzoeker] dat zij op dit moment geen opleiding volgt. Zij stelt dat het voor te stellen is dat zij nog een beroepsopleiding gaat volgen, maar dat staat nog niet vast. Zij heeft enkel zicht op een traject dat start in oktober 2025, waarin wordt onderzocht of zij een vervolgopleiding gaat volgen en welke dit dan is. Daarnaast heeft zij aangegeven te solliciteren om aan het werk te komen. Niet is gesteld of gebleken dat zij eigen woonlasten heeft of dat zij, als zij weer inkomen uit werk (of een uitkering) heeft, niet in haar levensonderhoud zou kunnen voorzien. [verzoeker] heeft dan ook onvoldoende onderbouwd dat haar behoeftigheid dermate is dat zij aanspraak zou kunnen maken op een som ineens. Het verzoek dient dan ook te worden afgewezen. 3.4 Aan de overige stellingen en weren van partijen wordt niet toegekomen. 3.4 [verzoeker] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verweerder] worden begroot op: - salaris gemachtigde € 812,00 (2 punten x tarief € 406,00) - nakosten € 135,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 947,00. 4De beslissing De kantonrechter: wijst het verzoek af; veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de proceskosten van € 947,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [verzoeker] niet op tijd aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet [verzoeker] ook de kosten van betekening betalen. Deze beschikking is gegeven door mr. Rouwen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 augustus 2025 in tegenwoordigheid van de griffier. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld: door de verzoek(st)er en door de in de procedure verschenen belanghebbenden: binnen drie maanden te rekenen van de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden. Het beroepschrift moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend bij het gerechtshof te 'sHertogenbosch.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.