← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2025:6757

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Cluster I Civiele kantonzaken Breda zaak/rolnr.: 11715195 AZ VERZ 25-29 beschikking bij vervroeging d.d. 8 augustus 2025 inzake [verzoeker] , wonende te [plaats 1] aan het [adres 1] , verzoekende partij, verder te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. Y. el Ghaddar, advocaat te Amsterdam, tegen 1 [verweerder 1] B.V., statutair gevestigd te [plaats 2] en kantoorhoudende te [plaats 3] aan het [adres 2] ,

  1. [verweerder 2] B.V., statutair gevestigd te [plaats 2] en kantoorhoudende te [plaats 3] aan het [adres 3] , verwerende partijen, verder te noemen: [verweerder 1] en [verweerder 2] , niet verschenen. 1Het procesverloop Het procesverloop volgt uit de volgende stukken: - het op 22 mei 2025 ter griffie ontvangen verzoekschrift met producties; - de oproepingsexploten van 18 en 19 juli 2025; - de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 28 juli 2025; - de ter mondelinge behandeling voorgedragen pleitnota van mr. El Ghaddar. 2Het geschil en de beoordeling 2.1 [verzoeker] verzoekt, na vermindering van het verzoek, uitvoerbaar bij voorraad, om [verweerder 1] en [verweerder 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van: - een aanzegvergoeding van € 1.364,52 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente; - een transitievergoeding van € 1.710,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente; - de buitengerechtelijke kosten van € 546,68, te vermeerderen met de wettelijke rente; - de proceskosten; - de nakosten; - de wettelijke rente over de proces- en nakosten. 2.
  2. Op 28 juli 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [verweerder 1] en [verweerder 2] zijn, hoewel behoorlijk (bij exploot) opgeroepen, niet op die mondelinge behandeling verschenen. Ook is geen schriftelijk verweer of uitstelverzoek ontvangen. 2.3 De stellingen van [verzoeker] zijn dus onweersproken gebleven, zodat zijn verzoeken in beginsel toewijsbaar zijn. 2.4 De verzoeken zijn zowel tegen [verweerder 1] als tegen [verweerder 2] ingesteld. [verzoeker] stelt dat zijn schriftelijke arbeidsovereenkomsten steeds met [verweerder 1] zijn gesloten, maar dat [verweerder 2] het loon voldeed en hem ook op verschillende momenten tegenstrijdige mededelingen zijn gedaan over wie zijn werkgever is. De onduidelijkheid die daardoor is ontstaan komt, naar het oordeel van de kantonrechter, voor rekening en risico van [verweerder 1] en [verweerder 2] , zodat de kantonrechter de verzoeken (hoofdelijk) toewijsbaar acht tegen beide partijen. 2.5 Voldoende is onderbouwd dat buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. Nu [verzoeker] zijn verzoek met betrekking tot de transitievergoeding heeft verminderd, wordt een lagere hoofdsom toegewezen. Voor de buitengerechtelijke kosten moet ook worden uitgegaan van die lagere hoofdsom, zodat het redelijke forfaitaire tarief van € 523,27 (inclusief btw) wordt toegewezen. 2.6 [verweerder 1] en [verweerder 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verzoeker] worden begroot op: - oproepingskosten € 235,64 - griffierecht € 257,00 - salaris gemachtigde € 543,00 - nakosten € 135,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.170,
  3. 2.7 De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 3De beslissing De kantonrechter: veroordeelt [verweerder 1] en [verweerder 2] hoofdelijk, en wel zo dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan [verzoeker] van: - een aanzegvergoeding van € 1.364,52 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 april 2025 tot de dag van de algehele voldoening; - een transitievergoeding van € 1.710,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 mei 2025 tot de dag van de algehele voldoening; - de buitengerechtelijke kosten van € 523,27, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 mei 2025 tot de dag van de algehele voldoening; veroordeelt [verweerder 1] en [verweerder 2] hoofdelijk, en wel zo dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van de proceskosten van € 1.170,64, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [verweerder 1] en [verweerder 2] niet op tijd aan de veroordelingen voldoen en de beschikking daarna wordt betekend, dan moeten zij ook de kosten van betekening betalen. veroordeelt [verweerder 1] en [verweerder 2] hoofdelijk, en wel zo dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. Zander, kantonrechter, en bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 augustus 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.