RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Breda Zaaknummer / rekestnummer: 11487441 \ AZ VERZ 25-4 Beschikking van 13 augustus 2025 in de zaak van [werknemer] , wonende te [plaats 1] , verzoekende partij, hierna te noemen: [werknemer] , gedeeltelijk kosteloos procederend met een toevoeging met [nummer] , gemachtigde: mr. J.J. Schraagen, advocaat te Amsterdam, tegen de besloten vennootschap [werkgever] B.V., statutair gevestigd te [plaats 2] aan het [adres] , verwerende partij, hierna te noemen: [werkgever] , gemachtigde: mr. C.P.J. Clarijs, advocaat te Tilburg. 1Het verdere verloop van de procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de tussenbeschikking in deze zaak van 28 maart 2025 met de daarin genoemde stukken; - de akte uitlaten bewijs tevens overlegging bewijsstukken van [werkgever] van 16 april 2025 met producties; - de akte uitlaten bewijsopdracht van [werknemer] van 17 april 2025 met producties; - de brief van [werkgever] van 24 april 2025 met bijlagen; - de brief van [werknemer] van 30 april 2025; - de brief van [werkgever] van 7 mei 2025 met bijlagen; - het e-mailbericht van [werknemer] van 8 mei 2025; - het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 13 juni 2025; - de conclusie na enquête van [werknemer] van 16 juli 2025; - de conclusie na enquête van [werkgever] van 16 juli 2025. 2De verdere beoordeling 2.1. In de tussenbeschikking in deze zaak van 28 maart 2025 heeft de kantonrechter [werkgever] in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat het door [werkgever] gestuurde e-mailbericht met als bijlage de opzeggingsbrief binnen de proeftijd is ontvangen. [werkgever] dient dus de ontvangst van de opzegging van de arbeidsovereenkomst per e-mail op het door [werknemer] gehanteerde e-mailadres te bewijzen. Vervolgens heeft de kantonrechter [werknemer] in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat hij zich bij [werkgever] ziek heeft gemeld op 10 september 2024. 2.2. [werkgever] heeft bij akte van 16 april 2025, aangeboden haar IT specialist, de heer [naam 1] , als getuige te horen. Zij heeft daarbij een rapport van de heer [naam 1] (productie 19) met betrekking tot het op 11 september 2024 verzonden e-mailbericht, opgemaakt op 6 maart 2025, overgelegd. 2.3. [werknemer] heeft bij akte van 17 april 2025 aangeboden zichzelf en de heren [naam 2] en [naam 3] , werkzaam bij [werkgever] , als getuigen te horen. Daarnaast heeft hij een verwijzingsbrief van zijn huisarts en een verklaring van zijn ex-partner in het geding gebracht. Tot slot vraagt hij [werkgever] op grond van artikel 195 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te verplichten de camerabeelden van 10 september 2024 rond 12:00 uur, die zien op het parkeerterrein van het bedrijfspand van [werkgever] , in het geding te brengen, waarop volgens [werknemer] te zien moet zijn dat de heer [naam 2] met [werknemer] naar diens auto is gelopen en de werkschoenen, die [werknemer] had uitgedaan en verwisseld, in de kofferbak heeft gelegd, zodat ervan uit moet worden gegaan dat [werkgever] ervan op de hoogte was dat [werknemer] vertrok wegens ziekte, omdat hij door zijn rug was gegaan. 2.4. Bij brief van 24 april 2025 heeft [werkgever] gereageerd op het verzoek van [werknemer] om de camerabeelden over te leggen. Zij voert, onder overlegging van een toelichting van de heer [naam 1] met bijlagen van 24 april 2025, aan dat de beelden niet meer beschikbaar zijn. Camerabeelden worden voor de duur van ongeveer één week bewaard en daarna verwijderd om nieuwe beelden op te slaan. Daarnaast voert zij aan dat [werknemer] geen rechtmatig belang heeft bij de camerabeelden, omdat de beelden niet laten zien dat [werknemer] zich heeft ziek gemeld. Alleen zou daarop staan dat de heer [naam 2] met hem naar zijn auto is gelopen. Dit hoeft niet te betekenen dat [werknemer] zich ziek heeft gemeld. 2.5. [werknemer] heeft bij brief van 30 april 2025 daarop weer gereageerd. Hij voert aan dat onvoldoende is aangetoond dat de beelden niet meer beschikbaar zijn of wanneer deze dan zouden zijn verwijderd. [werknemer] heeft rechtmatig belang bij die beelden voor de context en geloofwaardigheid van zijn stelling, dat hij zich op 10 september 2024 met rugklachten heeft ziekgemeld bij [werkgever] . 2.6. Bij brief van 7 mei 2025 heeft [werkgever] haar stellingen met betrekking tot de camerabeelden nader onderbouwd, onder overlegging van een nadere toelichting van genoemde [naam 1] met bijlagen van 7 mei 2025. 2.7. Op 13 juni 2025 heeft [werknemer] de drie door hem aangedragen getuigen laten horen. [werkgever] heeft haar getuige laten horen. 2.7.1. [werknemer] heeft het volgende verklaard: “Op 10 september kwam ik bij [werkgever] aan (…). [naam 4] heeft mij een kleine rondleiding gegeven en naar de werkplaats gebracht. Eerst werd ik gedurende een half uur geholpen door een mevrouw. Daarna kwam meneer [naam 5] om mij in te leiden. [naam 5] toonde mij hoe de snijmachine werkte en zei daarbij dat ik die dag niet hoefde te werken maar mee moest kijken. [naam 5] is toen een metalen plaat gaan snijden en toen dat klaar was heeft hij mij gevraagd een deel daarvan op te bergen in een rek. Ik hield de plaat met beide handen horizontaal vast. Ik voelde toen pijn in mijn rug en dacht meteen: dit is niet goed. Ik zei “au”. [naam 5] , die vlakbij stond, kwam naar me toe. Ik had de plaat losgelaten. Hij vroeg wat er aan de hand was waarop ik zei dat ik door mijn rug was gegaan. [naam 5] zei toen: dat is vervelend, ik doe dat zelf met de hand maar eigenlijk moet je een kraan gebruiken. Ik zei toen dat mij dat niet van te voren gezegd was. Ik kon niet meer recht op staan en toen is dhr. [naam 4] erbij gehaald. Op het moment dat ik de plaat optilde was dhr. [naam 4] niet in de buurt. Hij kwam op verzoek van dhr. [naam 5] erbij. Ik heb desgevraagd aan [naam 4] uitgelegd wat er gebeurd was, dat ik niet rechtop kon staan en pijn had in mijn rug. [naam 4] is vervolgens pijnstillers gaan halen. Ik heb twee pilletjes ingenomen en vervolgens geprobeerd om verder te gaan met werken, maar dat ging niet. Dhr. [naam 5] en dhr. [naam 4] waren erbij toen ik de pilletjes innam. Dhr. [naam 4] is daarna weggegaan. Ik zei toen tegen dhr. [naam 5] dat ik geen zwaar werk meer ging doen en ging meekijken. De pijnstillers hielpen helaas niet, de pijn werd erger. Het ging dus niet en toen heb ik dat ook tegen [naam 5] gezegd, die [naam 4] erbij haalde. Ik vond het vervelend omdat het op mijn eerste werkdag was en ik mij ziek wilde melden, maar beide hadden daar begrip voor. Ik heb toen tegen [naam 5] en [naam 4] gezegd: ik ga me ziek melden. En heb even later op het werk de huisarts gebeld. Ik heb de huisarts uitgelegd dat het een bedrijfsongeval was en dat mijn been gevoelloos was. Ik kon die dag nog om 14:00 uur bij de huisarts terecht. Ik heb me daarna niet nog bij een ander, bijvoorbeeld mevrouw [naam 6] , ziekgemeld. (…) Ik heb nog, op de vraag van mijn advocaat, nog gesproken met zowel [naam 4] als [naam 5] dat ik na de pauze naar huis zou gaan. (…) [naam 5] is met mij naar de auto gelopen. Ik heb mijn werkschoenen uitgedaan en andere schoenen gepakt en aangetrokken. [naam 5] heeft toen de werkschoenen in de kofferbak gelegd. (…) De griffier leest mij de verklaring voor, maar waar ik eerst gezegd heb dat ik gedurende een half uur door een mevrouw werd ingewerkt, moet dat ongeveer anderhalf uur zijn. (…)”. 2.7.2. De heer [naam 5] heeft het volgende verklaard: “Meneer [werknemer] kwam op zijn eerste dag bij ons, [werkgever] , werken. Ik kende dhr. [werknemer] niet. Ik heb meneer [werknemer] de hand gegeven omdat het de eerste werkdag was. Ik doe op de eerste werkdag van mijn collega’s, en zo ook met [werknemer] , een uitleg geven over de veiligheidsregels, over ons werk en onze taak. Ik ben machineoperator en werk aan een lasersnijder. Ik heb toen [werknemer] voorgedaan hoe dat laseren gaat. Een metalenplaat is toen gesneden. En de delen zijn toen uit gesorteerd. Dat uitsorteren hebben wij samen gedaan. Bij het uitsorteren worden de delen vanaf de werktafel op karretjes gelegd. Ook dat hebben we samen gedaan. U zegt mij dat [werknemer] heeft verklaard dat hij bij het tillen van een plaat door zijn rug is gegaan. Daar heb ik niets van gemerkt. Ik heb hem geen “au” horen roepen. We hebben zo een half dagje gewerkt. Na de pauze heb ik [werknemer] niet meer gezien. (…) Als [werknemer] heeft verklaard dat hij door zijn rug is gegaan, au heeft geroepen, mij erbij heeft gehaald, en ik hem heb gevraagd wat er aan de hand was, dan klopt dat niet. Dat is niet gebeurd. Zoiets belangrijks moet je weten. De teamleider komt elke dag een paar keer langs. Ik weet niet meer of dat op die dag zo was, maar als er een ongeval is gebeurd, komt hij altijd. Maar hier is geen ongeval gebeurd. Als [werknemer] heeft verklaard dat hij van [naam 4] pijnstillers heeft gekregen, dan moet ik u zeggen dat ik daar niets van weet. Na de pauze is [werknemer] niet meer teruggekomen. Ik kwam meneer [werknemer] tegen op de parkeerplaats van het buurbedrijf. Ik weet zeker dat we elkaar daar gezien hebben, maar weet niet meer zeker of we elkaar gesproken hebben. U houdt mij voor dat [werknemer] heeft verklaard dat ik hem geholpen heb met instappen van de auto, dat hij zijn werkschoenen had uitgedaan, zijn gewone schoenen had aangedaan en dat ik de werkschoenen in de kofferbak heb gelegd, maar dat is niet gebeurd. Dat weet ik zeker. U vraagt mij of ik iets heb gehoord van meneer [werknemer] in die zin dat hij zich die dag heeft ziekgemeld. Daar weet ik niets van. (…) [werknemer] heeft met zijn handen geen zware plaat gepakt. Dat heb ikzelf wel gedaan. Echt zware platen kun je echt niet met je handen pakken. In dit geval was het een niet echt zware plaat die ik gepakt hebt. (…)”. 2.7.3. De heer [naam 4] heeft het volgende verklaard: “(…) Om 08:00 uur in de ochtend heb ik [werknemer] op zijn eerste werkdag ontvangen. Als gebruikelijk heb ik meneer voorgesteld aan de nieuwe collega’s. Zo ook met meneer [werknemer] . Andere collega’s leggen dan het werk uit. In dit geval waren dat [naam 7] en [naam 8] . Bij de uitleg was ik in dit geval er niet bij. Als gebruikelijk kom ik in de loop van de dag kijken hoe het werk gaat. Dat doe ik meerdere malen op een dag. Zo ook in dit geval met meneer [werknemer] . De eerste keer dat ik bij de rondgang meneer [werknemer] zag, vroeg ik hem hoe het ging en of hij een goede uitleg had gekregen. Meneer [werknemer] bevestigde dat. Hij was enthousiast en ging dingen zelf doen. Dat was goed. Ik heb die dag niets anders bijzonders gemerkt. U houdt mij voor dat [werknemer] heeft verklaard dat hij die dag een arbeidsongeval heeft gehad waarbij hij met het tillen van een zware plaat door zijn rug is gegaan, dat hij toen [naam 5] er bij heeft gehaald en ik er later bij ben gekomen, maar daar weet ik niets van. Ik heb zeer zeker, nu u mij dat zo voorhoudt, [werknemer] die dag geen pijnstillers gegeven. [werknemer] heeft die dag geen enkele keer gezegd tegen mij dat hij zich niet goed voelde. Hij heeft zich bij mij ook niet ziekgemeld. Van [naam 5] heb ik vernomen dat hij zich ook niet heeft ziekgemeld. Om ongeveer 12:00 uur heb ik mijn laatste rondje die ochtend gedaan. Ik kwam alleen [naam 5] tegen en vroeg hem waar [werknemer] was. [naam 5] wist niet waar [werknemer] was. Ik ben het hele bedrijf doorgelopen maar kon [werknemer] nergens vinden. Ik ben ook op de parkeerplaats geweest, maar daar heb ik [werknemer] ook niet gezien. Ik ben niet op de parkeerplaats van de buren geweest. U houdt mij voor dat [naam 5] heeft gezegd dat hij daar [werknemer] nog heeft ontmoet, maar daar weet ik niets van. (…)”. 2.7.4. De heer [naam 1] heeft het volgende verklaard: “(…) U wijst mij op productie 19 van de kant van [werkgever] . Op een van de eerste pagina’s ziet u aan de linkerkant de mail die verzonden is door mevrouw [naam 6] van 8:53 AM. Op de linkerkant staat het globale overzicht van de mails van een periode van september. Daar staat ook de mail van mevrouw [naam 6] bij van 11 september 2024 om 08:53 uur. De inhoud van de mail staat op het rechter deel van de pagina. Dit hebben we opgezocht op de mailserver van [werkgever] . Daaruit blijkt dat de mail echt verzonden is vanuit de mailbox van mevrouw [naam 6] . Het verzenden en ontvangen van een mail gaat in principe als volgt. De mail gaat eerst naar het postvak uit en als hij afgeleverd is door de server van de verzendende partij, dan komt hij is het mapje verzonden items. De verzending van de betreffende mail van 11 september blijkt dus uit de pagina die we zojuist hebben besproken. De server van de verzendende partij verzendt dan de betreffende mail naar de server van de ontvangende partij en dan komt hij in de mailbox terecht van de ontvangende partij. Het systeem is zo ingericht dat als er bij verzending door de verzendende partij of ontvangst door de ontvangende partij iets verkeerd gaat, dan wordt er een onbestelbaar/non-delivery rapport gemaakt dat bij de verzendende partij is de mailbox komt. Ik heb, dat kunt u zien in productie 19, een proef gedaan waarbij een mail is verzonden aan een niet bestaand mailadres, in welk geval direct ook een bericht is ontvangen dat die mail niet is aangekomen. Ik wijs er nog op dat die proef is gedaan naar een niet bestaand e-mailadres op de server van outlook.com, wat ook de server is van het emailadres van dhr. [werknemer] . In productie 19 zit ook een lijst achter pagina 13 van mails die in de periode van 11 september tot en met 20 september verzonden zijn vanuit [werkgever] en als onbestelbaar zijn gerapporteerd. Daar zit niet de mail van 11 september 2024 08:53 uur van mevrouw [naam 6] bij. De eerste drie mails op die lijst van 11 september 2024, om 05:30 AM, 11:50 AM en 01:47 PM zijn niet afkomstig van mevrouw [naam 6] maar van in de derde kolom op die lijst genoemde medewerkers van [werkgever] . (…) Desgevraagd door mr. van Kempen verklaar ik dat het altijd zo is dat als bij de ontvangst door de ontvangende partij iets verkeerd gaat, altijd direct of binnen maximaal 2 dagen een rapport ontvangen wordt dat een mail niet is ontvangen/onbestelbaar is. Het is niet aannemelijk dat als [werknemer] alle overige e-mails verzonden vanuit [werkgever] ontvangen heeft, hij die e-mail van 11 september van mevrouw [naam 6] niet heeft ontvangen. Als de verzending eenmaal goed gaat, blijft dit zo. Ik heb voor de zekerheid ook de kwaliteit van het bericht gecontroleerd om te zien of de ontvangende mail gevoelig is voor spam. Bij onderzoek blijkt dat de kwaliteit van de mail zo goed was dat het niet aannemelijk is dat hij in de spam van [werknemer] terecht kwam. Het verschil in tijdsaanduiding in de mail te weten 8:53 en 6:53 wordt ingegeven door dat de server gebruik maakt van de UTC tijd, die niet overeenkomt met de werkelijke tijd ter plaatse. Dat verschilt qua zomertijd en wintertijd ter plaatse 1 of 2 uur. (…) Ik kan niet met 100% zekerheid zeggen dat de mail van mevrouw [naam 6] van 11 september is ontvangen door [werknemer] , maar ik acht dat hoogst aannemelijk dat de mail is ontvangen. We hebben geen contra-indicaties dat de mail niet is ontvangen. (…)”. 2.8. Bij conclusie na enquête van 16 juli 2025 voert [werknemer] aan dat uit zijn verklaring en de door hem overgelegde producties volgt dat hij door zijn rug is gegaan bij het uitvoeren van de werkzaamheden bij [werkgever] . Ook volgt uit zijn verklaring dat hij in aanwezigheid van de heer [naam 5] en de heer [naam 3] heeft aangegeven zich ziek te melden bij [werkgever] . Hij is die middag nog bij zijn huisarts geweest en is toen ook doorverwezen naar een orthopedisch chirurg. Het sollicitatiegesprek bij [naam 9] heeft op 9 september 2024 plaatsgevonden, zodat niet van de verklaring van de recruiter van [naam 9] kan worden uitgegaan. De betrouwbaarheid van de verklaringen van de heer [naam 5] en de heer [naam 3] trekt hij in twijfel, omdat zij medewerkers van [werkgever] zijn. Zij zijn dus afhankelijk van [werkgever] en dat kan een rol spelen in hun verklaringen. Met betrekking tot de (schriftelijke) verklaringen van de heer [naam 5] wijst hij erop dat deze op meerdere punten onderling tegenstrijdig, onvolledig en wisselend zijn. Ook volgt uit zijn verklaringen dat hij niet meer 100% zeker weet hoe die dag verlopen is. Hij heeft bijvoorbeeld pas verklaard dat hij [werknemer] op de parkeerplaats is tegengekomen op het moment dat hij ( [werknemer] ) had verklaard dat de heer [naam 5] met hem naar de auto was gelopen. Hij verklaart vervolgens dat alleen afscheid is genomen. Als dat zo is, had het op weg van de heer [naam 5] gelegen daar vragen over te stellen als [werknemer] nog werd verwacht terug te keren op het werk. Het ligt dan ook voor de hand dat er met/in aanwezigheid van [naam 5] is gesproken over de rugklachten van [werknemer] . Met betrekking tot de verklaring van de heer [naam 3] voert [werknemer] aan dat deze niet te rijmen is met de verklaring van de heer [naam 5] . De heer [naam 3] verklaart dat [werknemer] zou zijn vertrokken en dat niemand wist waar hij was, terwijl de heer [naam 5] heeft verklaard dat [werknemer] afscheid van hem zou hebben genomen. [werknemer] komt tot de conclusie dat hij het gevraagde bewijs heeft geleverd. Met betrekking tot de bewijsopdracht van [werkgever] voert [werknemer] aan dat zij niet is geslaagd in het leveren van het gevraagde bewijs. De overgelegde stukken en verklaring van de heer [naam 1] zijn onvoldoende om vast te stellen dat het e-mailbericht op zijn e-mailadres is ontvangen. Uit de verklaring van [naam 1] en diens rapport kan niet worden geconcludeerd dat het e-mailbericht daadwerkelijk is ontvangen. Waar het zogenoemde afleverrapport, waarin de communicatie tussen de mailservers wordt geregistreerd, niet meer beschikbaar is -zoals [naam 1] stelt- betekent dat, dat cruciale gegevens over de feitelijke levering ontbreken. De door [naam 1] uitgevoerde proef met een testmail biedt geen uitsluitsel over de ontvangst van het e-mailbericht in deze zaak. Hij stelt tevens nog het opmerkelijk te vinden dat het e-mail-bericht pas op 11 september 2024 is verzonden, terwijl de ontslagbrief op 10 september 2024 is gedateerd. 2.9. [werkgever] wijst er in de conclusie na enquête van 16 juli 2025 op dat voor de ontvangst van een e-mailbericht niet benodigd is dat 100% vaststaat dat het e-mailbericht is ontvangen; dit moet voldoende aannemelijk worden gemaakt. Uit de diverse overgelegde stukken, de rapportage en de verklaring van de heer [naam 1] volgt dat zeer aannemelijk is, dat het e-mailbericht met de opzegging van de arbeidsovereenkomst op 11 september 2025 is ontvangen op het door [werknemer] gehanteerde e-mailadres. Zij acht zichzelf dan ook geslaagd in het leveren van het gevraagde bewijs. Met betrekking tot de bewijsopdracht van [werknemer] voert [werkgever] aan dat niet uit de verklaringen volgt dat hij zich heeft ziek gemeld bij een medewerker van [werkgever] . Ook is niet gebleken dat er een incident heeft plaatsgevonden. Bewijsopdracht aan [werkgever] : 2.10. [werkgever] dient de ontvangst van de opzegging van de arbeidsovereenkomst per e-mail op het door [werknemer] gehanteerde e-mailadres te bewijzen. 2.10.1. [werkgever] stelt op 11 september 2024 het betreffende e-mailbericht (productie 1 bij het verweerschrift) aan [werknemer] te hebben toegezonden. Zij heeft tevens een overzicht uit de server overgelegd (productie 16 bij het verweerschrift), waaruit twee verschillende tijden -respectievelijk “11, 2024 6:53:42 AM” en “sept 11, 2024 8:53 AM” - volgen voor de verzending van het e-mailbericht. [werknemer] heeft gesteld en per e-mailbericht van 12 november 2024 (productie 6 bij het verzoekschrift) medegedeeld het e-mailbericht van [werkgever] van 11 september 2024 niet te hebben ontvangen. 2.10.2. Bij akte na tussenbeschikking heeft [werkgever] een onderzoeksrapport in het geding gebracht, opgesteld op 6 maart 2025 door de heer [naam 1] (productie 19). Daarnaast heeft zij de heer [naam 1] als getuige laten horen. Uit het onderzoeksrapport en zijn verklaring volgt dat een e-mailbericht op 11 september 2024 om 6:53:42 AM vanaf de e-mailbox van mevrouw [naam 6] , werkzaam bij [werkgever] , is verzonden naar de mailserver van de provider van [werkgever] met een inhoud die geheel overeenkomt met het e-mailbericht van 11 september 2024, 08:54, overgelegd als productie 1 bij verweerschrift. De mailserver stuurt dan, aldus de heer [naam 1] , het e-mailbericht naar de mailserver van de ontvangende partij, waar hij aankomt in de mailbox van de ontvangende partij. Het verschil in het verzendingstijdstip op het overzicht uit de mailserver van [werkgever] is te verklaren, omdat de mailserver UTC-tijd hanteert. Dit is de tijd die behoort bij een andere tijdzone en bovendien wordt geen rekening gehouden met zomertijd. Hoewel geen afleverrapport meer beschikbaar is, heeft [werkgever] een e-mail naar een foutief adres met dezelfde e-mailserver toegezonden en daar is binnen een minuut een onbestelbaar rapport van ontvangen, zo blijkt uit het rapport, productie 19. De heer [naam 1] heeft ook onderzocht of een onbestelbaar rapport is ontvangen van het e-mailbericht van 11 september 2024 in de periode van 11 september 2024 tot en met 21 september 2024 en heeft geen rapport gevonden, terwijl wel andere onbestelbaar rapporten zijn teruggevonden en over het algemeen binnen twee dagen een onbestelbaar rapport zou zijn ontvangen als het e-mailbericht niet door [werknemer] was ontvangen. Ook heeft hij onderzocht of het e-mailbericht spamgevoelig was en dat bleek niet het geval. Hij wijst er voorts op dat er in de periode voor (en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.