RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Breda Zaaknummer: 11576377 \ CV EXPL 25-824 Vonnis van 20 augustus 2025 in de zaak van [eiser] handelend onder de naam [bedrijf], wonende en zaakdoende te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , procederend in persoon, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] B.V., gevestigd en kantoorhoudende te [plaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1De zaak in het kort [eiser] heeft werkzaamheden verricht voor een derde en de kosten daarvan met een factuur in rekening gebracht bij die derde. [eiser] vordert betaling van de factuur van [gedaagde] omdat [gedaagde] die schuld van de derde volgens hem heeft overgenomen. [gedaagde] betwist dat zij de schuld heeft overgenomen. De kantonrechter stelt [eiser] in het gelijk. Dit wordt hierna uitgelegd. 2De procedure 2.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 23 april 2025 en de daarin genoemde processtukken; - de door [gedaagde] bij e-mail van 20 juli 2025 toegezonden stukken. 2.
- De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 juli
- [eiser] is in persoon verschenen. Namens [gedaagde] is niemand verschenen. [gedaagde] heeft voorafgaand aan de zitting, op 17 juli 2025, uitstel van de zitting gevraagd. Dat verzoek is afgewezen. 2.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 3De feiten 3.
- [eiser] heeft in september 2024 voor de onderneming [onderneming] BV (hierna: [onderneming]) ondersteunende bedrijfseconomische c.q. managementdiensten verricht. 3.
- [eiser] heeft voor de verleende diensten aan [onderneming] op 6 oktober 2024 een factuur gestuurd aan [onderneming] voor een bedrag van € 7.320,50 met een betalingstermijn van 5 dagen. [onderneming] heeft die factuur niet betaald. 3.
- Bij Whatsapp bericht van 5 november 2024 heeft de heer [gedaagde] (bestuurder van [gedaagde] en broer van de bestuurder van [onderneming]) aan [eiser] medegedeeld:“(…)Weet je wat: Ik zal jou rekening betalen en hierbij het risico lopen dat ik het niet meer terugkrijg. Dan kom ik mijn belofte na en regel ik dat maar alleen omdat jij het bent. Ik houd niemand aan het lijntje want ze zijn niet eerlijk. (…)” 3.
- Bij e-mail van 5 november 2024 heeft de heer [gedaagde] aan [eiser] medegedeeld: “(…) Kun jij de factuur naar [gedaagde] B.V. wijzigen? (…)” 3.
- [eiser] heeft op 6 november 2024 een creditnota verstuurd aan [onderneming] voor een bedrag van € 7.320,
- Diezelfde dag heeft [eiser] de factuur van € 7.320,50 aan [gedaagde] gestuurd, waarbij deze op naam is gesteld van [gedaagde] . [gedaagde] heeft de factuur onbetaald gelaten. 3.
- [onderneming] is vervolgens in staat van faillissement verklaard.
- Het geschil 4.
- [eiser] vordert – samengevat – dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van: een bedrag van € 7.320,50 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke handelsrente en subsidiair de wettelijke rente vanaf 11 november 2024 althans na de sommatie van 27 november 2024 althans vanaf de dag van de dagvaarding, tot de dag van volledige betaling; de buitengerechtelijke kosten; de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente als niet binnen 14 dagen na het vonnis wordt betaald. 4.
- [gedaagde] voert verweer. 4.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5De beoordeling Schuldovername? 5.
- [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] het factuurbedrag van € 7.320,50 op grond van schuldoverneming in de zin van artikel 6:155 Burgerlijk Wetboek (BW) verschuldigd is. [eiser] verwijst ter onderbouwing daarvan naar het Whatsappbericht en de e-mail van 5 november 2024 van de heer [gedaagde] waaruit een aanbod tot schuldoverneming zou volgen. [eiser] stelt dat aanbod te hebben aanvaard. 5.
- [gedaagde] betwist dat er sprake is van schuldoverneming. [gedaagde] voert aan dat zij geen overeenkomst heeft gesloten met [eiser] en zij enkel een voorwaardelijke toezegging heeft gedaan tot overname van de schuld. Voorwaarde daarbij was volgens [gedaagde] dat [onderneming] het bedrag aan haar terug zou betalen en die voorwaarde niet is vervuld omdat [onderneming] failliet is verklaard. 5.
- Op grond van artikel 6:155 BW gaat een schuld van de schuldenaar (in dit geval [onderneming]) over op een derde (in dit geval [gedaagde] ) indien deze laatste de schuld van de schuldenaar overneemt. De schuldoverneming heeft pas werking jegens de schuldeiser (in dit geval [eiser] ), indien die zijn toestemming geeft nadat partijen hem van de overneming kennis hebben gegeven. 5.
- De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van schuldoverneming door [gedaagde] . In het Whatsappbericht van 5 november 2024 verklaart de heer [gedaagde] namelijk de factuur te betalen en bij e-mail van 5 november 2024 vraagt hij de factuur op naam van [gedaagde] te zetten en een creditnota te sturen aan [onderneming]. Uit het vervolgens door [eiser] verzenden van een creditnota aan [onderneming] en een factuur aan [gedaagde] volgt instemming met de schuldoverneming. 5.
- [gedaagde] voert als verweer aan dat zij de schuld heeft overgenomen op voorwaarde dat [onderneming] het bedrag aan haar zou terugbetalen en daar niet aan is voldaan. Dat verweer gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op. [gedaagde] heeft bij overname van de schuld geen voorwaarde genoemd. Hierdoor wordt ervan uitgegaan dat [gedaagde] de schuld onvoorwaardelijk heeft overgenomen. 5.
- De schuldovername is gedaan naar aanleiding van een overeenkomst tussen de eenmanszaak van [eiser] en [onderneming] op grond waarvan [eiser] werkzaamheden voor [onderneming] heeft verricht en [eiser] de factuur heeft gezonden. Bij een schuldovername kan de nieuwe schuldenaar zich jegens de schuldeiser in beginsel bedienen van dezelfde verweermiddelen als de oude schuldenaar. [gedaagde] voert in dat kader ook verweer.Factuur onvoldoende onderbouwd? 5.
- [gedaagde] voert aan dat de factuur van [eiser] onvoldoende is onderbouwd en er geen opleverdocumentatie is. [gedaagde] licht echter niet toe waarom de op de factuur vermelde specificatie onvoldoende duidelijk is. Daarnaast heeft het ontbreken van opleverdocumentatie niet tot gevolg dat de betalingsverplichting vervalt. Aan het verweer dat de factuur onvoldoende duidelijk is, wordt dan ook als onvoldoende onderbouwd voorbij gegaan. Verrekening? 5.
- Daarnaast voert [gedaagde] aan dat medewerkers van [onderneming] werkzaamheden aan de privéwoning van [eiser] hebben verricht en dat verrekend dient te worden. Aan dit verrekeningsverweer, dat door [eiser] voldoende gemotiveerd is weersproken, zal op grond van artikel 6:136 BW voorbij worden gegaan omdat de gegrondheid ervan niet eenvoudig is vast te stellen. Zo heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd waaruit de tegenvordering zou bestaan en welke omvang deze tegenvordering zou hebben. 5.
- Op grond van het voorgaande zal de vordering van € 7.320,50 worden toegewezen. Wettelijke handelsrente 5.
- De door [eiser] gevorderde wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over het bedrag van € 7.320,50 vanaf 11 november 2024 zal als onbetwist worden toegewezen. Buitengerechtelijke incassokosten 5.
- [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen omdat [eiser] ter zitting zelf heeft aangegeven dat hij geen kosten heeft gemaakt om de vordering buitengerechtelijk te incasseren. Proceskosten 5.
- [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 122,35 - griffierecht € 257,00 - salaris gemachtigde € 678,00 (2 punten × € 339,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.192,35 5.
- De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt ook toegewezen. 6De beslissing De kantonrechter 6.
- veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 7.320,50, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag met ingang van 11 november 2024 tot de dag van volledige betaling, 6.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.192,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 6.
- veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 6.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 6.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2025.