RECHTBANK Zeeland-West-Brabant Civiel recht Zittingsplaats Breda Zaaknummer: C/02/437407 / KG ZA 25-353 Vonnis in kort geding van 6 augustus 2025 in de zaak van [partij 1] B.V., te [plaats 1] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [partij 1] advocaat: mr. L.H.A.M. Andriessen, tegen 1 [B.V. 1] B.V., te [plaats 1]
- [naam 1], te België, woonplaats kiezende te [plaats 2] , gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie, hierna gezamenlijk te noemen [partij 2] , advocaat: mr. P. Le Heux 1De zaak in het kort 1.
- [partij 1] en [partij 2] zijn bestuurder en aandeelhouder van een onderneming (de werkmaatschappij) die zich bezig houdt met de exploitatie van een kermisattractie. De verhouding tussen hen is ernstig verstoord. [partij 2] heeft [partij 1] beschuldigd van kasgeldfraude en balansfraude, gepleegd met behulp van zijn [adviseur] . Daarna is de exploitatie van de attractie stil komen te liggen en heeft [partij 1] aan [partij 2] de toegang tot het opslagterrein ontzegd. Partijen hebben onderhandeld over de beëindiging van de samenwerking maar zij hebben daarover geen overeenstemming bereikt. Zij zijn het er over eens dat de kermisattractie aan een derde moet worden verkocht. [partij 1] heeft met een derde onderhandeld en dit heeft geleid tot het opmaken van een Intentieverklaring. [partij 1] vordert in conventie dat [partij 2] deze verklaring tekent. [partij 2] heeft in reconventie een aantal tegenvorderingen ingesteld, strekkende tot betaling van een voorschot van 10% van de kasgeldfraude, toegang tot de attractie, overboeking van gelden en inzicht in verstrekte leningen. De voorzieningenrechter heeft de vordering in conventie afgewezen en de vorderingen in reconventie toegewezen. Hieronder wordt die beslissing toegelicht. 2De procedure 2.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 14 juli 2025 met producties 1 t/m 7, - de akte wijziging eis met producties 8 t/m 14, - de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie met producties 1 t/m 8, - de mondelinge behandeling van 23 juli 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de pleitnota van [partij 1] , - de pleitnota van [partij 2] . 3De feiten 3.
- [partij 1] en [partij 2] zijn beide bestuurder en aandeelhouder van [de werkmaatschappij] BV (de werkmaatschappij) te [plaats 1] en zij zijn blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel gezamenlijk bevoegd. 3.
- [naam 1] is bestuurder en enig aandeelhouder van [B.V. 1] . [partij 1] is bestuurder en enig aandeelhouder van [partij 1] . 3.
- De werkmaatschappij houdt zich bezig met de exploitatie van de kermisattractie ‘ [naam attractie] ’, Dit is een attractie waarbij bezoekers door een labyrint van obstakels en effecten lopen (een zogenaamd funhouse). De attractie is sinds medio 2022 in gebruik en heeft € 3.300.000,00 gekost. Het is het grootste funhouse ter wereld. De attractie is eigendom van de werkmaatschappij. 3.
- In de loop van 2023 is een adviseur van [partij 1] , [adviseur] , zich gaan bezighouden met de werkmaatschappij. In de loop van 2024 zijn de verhoudingen tussen [partij 1] en [partij 2] ernstig verstoord geraakt. Partijen hebben onderhandeld over de overname van de aandelen van de ene aandeelhouder aan de andere, maar zij hebben daarover geen overeenstemming bereikt. Zij zijn het erover eens dat het de voorkeur heeft dat de attractie verkocht wordt aan (een) derde(n). 3.
- In oktober 2024 was er sprake van een aspirant koper die bereid was de attractie te kopen voor een bedrag van € 3.200.000,00, waarbij de aspirant-koper heeft aangegeven bereid en in staat te zijn om voorafgaand aan de levering een bedrag van € 150.000,00 te betalen, vervolgens maandelijks een bedrag te betalen en na 4 jaar voor het restant financiering te zullen aanvragen. [partij 2] wilde dit voorstel accepteren, [partij 1] heeft het voorstel afgewezen. 3.6 Op 17 december 2024 heeft op het kantoor van mr. Le Heux, een gesprek plaatsgevonden, waarbij [partij 1] (vergezeld van zijn advocaat en van [adviseur] ) en [naam 1] aanwezig waren. [partij 2] heeft in dat gesprek [partij 1] beschuldigd van verduistering . 3.
- Vanaf begin 2025 is de attractie stil komen te liggen en genereert deze geen inkomsten meer. De vaste lasten worden vanaf die tijd door [partij 1] betaald. In maart 2025 heeft [partij 1] de sloten van het terrein waar het funhouse wordt opgeslagen veranderd. [partij 2] heeft sindsdien geen toegang meer tot de attractie 3.
- [partij 2] heeft in een brief van zijn advocaat van 12 juni 2025 gevraagd om informatie over (potentiële) overeenkomsten met onder meer [naam 2] en [adviseur] . [partij 1] heeft deze informatie niet verstrekt. 3.
- [partij 1] is in onderhandeling getreden met aspirant-koper ( [V.O.F.] te [plaats 3] , hierna: [V.O.F.] ) voor de verkoop van de attractie. [partij 1] heeft [partij 2] niet in de onderhandelingen betrokken. De ten behoeve van de verkoop opgemaakte Intentieverklaring (waarin de werkmaatschappij “Verkoper” wordt genoemd en [V.O.F.] “Koper” houdt, voor zover van belang, het volgende in: Artikel 1 – Intentie tot koop Koper spreekt hierbij de intentie uit om over te gaan tot aankoop van de attractie bekend onder de naam [naam attractie] , eigendom van Verkoper, onder nader overeen te komen voorwaarden. Artikel 2— Koopprijs De beoogde koopprijs bedraagt € 3.000.000,- (zegge: drie miljoen euro), exclusief BTW.(…) (…) Artikel 4— Financiering Koper is voornemens de aankoop gedeeltelijk te financieren via een bancaire financiering van € 1.500.000,-, welk bedrag voorafgaande aan de levering zal worden voldaan. Het resterende deel van de koopsom zal worden gefinancierd via een door Verkoper aan Koper te verstrekken achtergestelde lening met een looptijd van 10 jaar en een annuitaire aflossing. De exacte financieringsstructuur wordt opgenomen in de uiteindelijke koopovereenkomst. Aangaande de financiering zijn tussen ondergetekenden de volgende afspraken gemaakt; l. Over de achtergestelde lening wordt geen rente in rekening gebracht. Indien wet- of regelgeving vereist dat een rentevergoeding op een achtergestelde lening dient te worden toegepast (bijvoorbeeld in het kader van fiscale zakelijkheid), dan zal deze rente niet afzonderlijk worden voldaan door Koper, maar zal het desbetreffende bedrag worden verrekend met een evenredige verlaging van de koopprijs. Artikel 5 —Exclusiviteit en verkoopverbod
- Verkoper verklaart dat zij zich tot 1 september 2025 zal onthouden van het aangaan van onderhandelingen of overeenkomsten met derden met betrekking tot de verkoop van de attractie [naam attractie] . (…) 3.
- [partij 2] heeft de Intentieverklaring niet (als bestuurder van de werkmaatschappij) ondertekend. 4Het geschil in conventie 4.
- [partij 1] vordert, na wijziging van eis, [partij 2] te veroordelen om binnen 24 uur na (betekening van) dit kort gedingvonnis de Intentieverklaring te ondertekenen en aan haar te verstrekken en zich in te spannen om te komen tot een definitieve koopovereenkomst inzake de attractie [naam attractie] met [V.O.F.] , bij gebreke waarvan primair: het te wijzen kortgedingvonnis in de plaats treedt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [partij 2] voor acceptatie van de Intentieverklaring, subsidiair: op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [partij 2] in de kosten van het kort geding. in reconventie 4.
- [partij 2] vordert binnen 14 dagen na (betekening van) het kortgedingvonnis, tegen kwijting:
- [partij 1] te bevelen € 26.583, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te storten op de Rabobankrekening van [de werkmaatschappij] B.V.,
- [partij 1] te bevelen het saldo van de ING-bankrekening van [de werkmaatschappij] B.V., minus maximaal de jaarlijkse bankkosten, over te schrijven naar de Rabobankrekening van [de werkmaatschappij] B.V., dit op verbeurte van een dwangsom,
- [partij 1] te bevelen een kopie van de sleutel van terrein waar het fun house ' [naam attractie] ' is opgeslagen toe te sturen aan mr. P. Le Heux, [adres] , te [plaats 2] , dit op verbeurte van een dwangsom,
- [partij 1] te bevelen de leenovereenkomsten tussen [de werkmaatschappij] B.V. en [naam 2] te overleggen, dit op verbeurte van een dwangsom,
- [partij 1] te bevelen de overeenkomsten tussen [de werkmaatschappij] B.V. en bedrijven van [adviseur] -met name [B.V. 2] , [B.V. 3] of [B.V. 4] - te overleggen, dit op verbeurte van een dwangsom,
- [partij 1] te veroordelen in de proceskosten. 4.
- Partijen hebben elkaars vorderingen betwist. Op de standpunten van partijen en wat zij ter ondersteuning daarvan hebben aangevoerd zal bij de beoordeling, voor zover van belang, worden ingegaan. 5De beoordeling Algemeen kader 5.
- Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of partijen ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang hebben. Daarnaast geldt dat de voorzieningen-rechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering. in conventie 5.2 [partij 1] legt aan de vordering in conventie ten grondslag dat [partij 2] als (indirect) bestuurder van de werkmaatschappij op grond van artikel 2:239 lid 5 BW gehouden is om te handelen in het belang van de vennootschap en dat hij dat niet doet door zonder redelijke grond te weigeren de Intentieverklaring te ondertekenen, waardoor een door beide aandeelhouders noodzakelijk geachte verkoop van de attractie wordt geblokkeerd. Het bedrag dat door de aspirant-koper voorafgaande aan de levering zal worden betaald is (nu inmiddels gebleken is dat door de Rabobank een financiering verstrekt wordt tot maximaal € 1.000.000,00) 6,66 keer het bedrag waarmee [partij 2] eerder akkoord is gegaan. De aspirant-koper dreigt af te haken als de Intentieverklaring niet wordt getekend en [partij 1] is niet veel langer in staat om de vaste lasten van inmiddels € 20.862,00 per maand te blijven betalen. Zonder verkoop van de attractie op hele korte termijn is een faillissement onafwendbaar. Ook handelt [partij 2] onrechtmatig jegens [partij 1] door te weigeren de Intentieverklaring te ondertekenen. Daarnaast is er sprake van misbruik van recht door [partij 2] . 5.
- [partij 2] heeft verweer gevoerd dat, in het kort het volgende inhoudt. [partij 1] heeft niet gesteld (en onderbouwd) spoedeisend belang te hebben bij de vordering. Daarnaast is er sprake van misbruik van recht, nu [partij 1] een vordering in kort geding heeft ingesteld strekkende tot ondertekening van de Intentieverklaring terwijl hij vóór het uitbrengen van de dagvaarding geen verzoek daartoe heeft gedaan en in het geheim met [V.O.F.] heeft onderhandeld. Van weigering door [partij 2] om mee te werken aan de verkoop van de attractie is dan ook geen sprake. [partij 2] is niets gevraagd en er is door [partij 1] ook geen informatie met hem gedeeld. Pas door een brief van de advocaat van [partij 1] van 24 juni 2025 werd hij bekend met de naam van de aspirant-koper [V.O.F.] . Het verkoopbedrag van € 3.000.000,00 heeft hij vernomen uit de conceptdagvaarding en de Intentieverklaring (met dagtekening 2 juli 2025) is hem eerst bij de betekende dagvaarding verstrekt. Daarnaast is de Intentieverklaring niet in het belang van de werkmaatschappij, omdat deze (voor wat betreft de financiering) geen goed aanbod inhoudt. [V.O.F.] heeft geen geld, de Rabobank is kennelijk slechts bereid tot maximaal € 1.000.000,00 te financieren, zodat de werkmaatschappij het restant van € 2.000.000,00 moet financieren, door middel van het verstrekken van een achtergestelde en renteloze lening. Dit betekent dat [partij 2] dan nog 10 jaar aan [partij 1] vastzit in de werkmaatschappij. Deze is door [partij 1] (met behulp van [adviseur] ) als gevolg van frauduleus handelen (via balansfraude en kasgeldfraude) voor meer dan € 1.000.000,00 “leeggeroofd” en [partij 2] vreest dat [partij 1] daarmee zal doorgaan. [partij 2] heeft als medebestuurder en aandeelhouder (en dus als verantwoorde-lijke) recht om mee te onderhandelen en hij kan door een mede bestuurder/aandeelhouder niet gedwongen worden tegen zijn zin een deal te sluiten. spoedeisend belang 5.
- [partij 1] heeft het spoedeisend belang voldoende onderbouwd door te stellen dat de werkmaatschappij kosten maakt terwijl daar geen inkomsten tegenover staan. Niet weersproken is dat die kosten op dit moment alleen door [partij 1] worden gedragen. Vooralsnog kan niet als vaststaand worden aangenomen dat deze situatie uitsluitend is toe te schrijven aan het gedrag van [partij 1] . intentieverklaring 5.5 Bij het vervullen van hun taak richten bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Deze plicht vloeit voort uit artikel 2:239 lid 5 BW. Uitgangspunt daarbij is dat iedere bestuurder vrij is om binnen de grenzen van het vennootschappelijk belang zijn wil te bepalen. 5.6 De intentieverklaring strekt tot verkoop van het belangrijkste activum van de vennootschap. De verkoop van dat activum, om verdere verliezen en teloorgang van goodwill te voorkomen, is een van de opties waarmee het belang van de vennootschap gediend kan zijn. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is echter niet aannemelijk geworden dat de weigering van [partij 2] om de intentieverklaring te tekenen in strijd is met het belang van de vennootschap. 5.
- Vast staat dat [partij 2] niet is betrokken bij de wijze van totstandkoming of de voorwaarden van de intentieverklaring en dat de verkoop van de attractie als gevolg zal hebben dat de vennootschap geen inkomsten meer heeft en dus op termijn zal leiden tot liquidatie van de onderneming waarbij aannemelijk is dat de resterende baten worden uitgekeerd aan de aandeelhouders zijnde [partij 1] en [partij 2] . In zoverre komt het vennootschappelijk belang daarom overeen met de belangen van [partij 1] en [partij 2] . Vooralsnog is onvoldoende gebleken dat er geen enkel ander redelijk alternatief is dan het ondertekenen van de intentieverklaring en het als gevolg daarvan in verdere onderhandeling treden met de aspirant-koper [V.O.F.] . Allereerst is er het alternatief om de bedrijfsvoering van de werkmaatschappij opnieuw op te starten door de attractie te gaan exploiteren. Ook is niet uit te sluiten dat er nog andere gegadigden zijn voor de koop van de attractie. [partij 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij in dat kader met een andere potentieel gegadigde contact heeft. 5.
- De omstandigheid dat -blijkens de intentieverklaring- het door [V.O.F.] voorafgaand aan de levering te betalen bedrag veel hoger is dan het bedrag dat de andere aspirant-koper in oktober 2024 bereid was te betalen maakt niet dat er sprake is van misbruik van recht door [partij 2] door te weigeren de intentieverklaring te tekenen. De aanvaardbaarheid van een verkoop aan [V.O.F.] dient immers op zichzelf te worden beoordeeld en niet enkele in relatie tot het eerder gedane bod. Om te kunnen beoordelen of de intentieverklaring in het belang is van de vennootschap zijn naast de hoogte van de aanbetaling ook de overige condities van de intentieverklaring van belang. 5.
- Uit de intentieverklaring blijkt dat een groot deel van de koopsom (tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het gaat om 2/3 deel, ofwel een bedrag van € 2.000.000,00) gefinancierd zal moeten worden via een door de werkmaatschappij aan [V.O.F.] te verstrekken achtergestelde lening van 10 jaar en dat over die lening geen rentevergoeding in rekening wordt gebracht. Een verkoop met deze wijze van financiering houdt grote risico’s in waarop [partij 2] terecht heeft gewezen. Zo is sprake van een renteloze lening waarmee in feite een aanzienlijk deel van de koopsom als het ware zal wegsmelten. Bovendien is de lening achtergesteld en is geen zekerheid bedongen in de intentieverklaring. Daarnaast is het niet in het belang is van de werkmaatschappij, indien [partij 1] en [partij 2] gedurende een periode van 10 jaar nog aan elkaar gebonden blijven als bestuurder/aandeelhouder van de werkmaatschappij. Gelet op de verstoorde verhoudingen tussen partijen kan dit niet van [partij 2] gevergd worden. [partij 2] heeft daarom de vrijheid om niet akkoord te gaan met intentieverklaring. Van misbruik van recht of onrechtmatig handelen door [partij 2] is dan ook geen sprake. 5.
- [partij 1] heeft nog aangevoerd dat het gaat om ondertekening van een intentieverklaring en dat [partij 2] na ondertekening nog de vrijheid zou hebben om zich terug te trekken uit de onderhandelingen met aspirant-koper [V.O.F.] . Dit standpunt behoeft enige nuancering. Volgens artikel 5 van de intentieverklaring zal de werkmaatschappij zich tot 1 september 2025 onthouden van het aangaan van onderhandelingen of overeenkomsten met derden en zal zij zich uitsluitend richten op de besprekingen en onderhandelingen met de aspirant-koper en zich inspannen om te komen tot een definitieve koopovereenkomst. Hieruit volgt dat een terugtrekking jegens de aspirant-koper niet zonder meer kan worden gerechtvaardigd. Bovendien heeft een intentieverklaring naar zijn aard tot doel om een precontractuele binding te creëren. 5.
- Dit alles leidt ertoe dat de vordering in conventie wordt afgewezen. in reconventie voorschot 5.
- [partij 2] stelt dat er in 2024 door [partij 1] een bedrag van € 265.836,87 aan kasgeld is verduisterd. Hij stelt daartoe het volgende. [partij 1] heeft in 2023 aangegeven de kermissen zelf te willen draaien en de kassa te beheren, waarmee [partij 2] heeft ingestemd. [partij 1] heeft dat in 2024 gedaan. De door hem behaalde omzet is exact te bepalen door de twee ticketautomaten uit te lezen en de pininkomsten daarbij op te tellen. De ticketautomaten zouden door [adviseur] naar de fabrikant worden gebracht voor de uitlees. [adviseur] heeft tegen de afspraken in de automaten enige weken in zijn bezit gehouden alvorens deze naar de fabrikant te brengen, waar de belangrijkste automaat stuk bleek te zijn. Het is de fabrikant toch gelukt de automaat alsnog uit te lezen. De automaten gaven een omzet aan van in totaal € 1.019.968,
- Vermeerderd met de pin-inkomsten leidde dit tot een omzet van in totaal € 1.047.258,00, terwijl door [partij 1] in de resultatenrekening een omzet van € 781.421,13 is aangegeven. Tijdens het gesprek op 17 december 2024 heeft [partij 1] toegegeven dat hij de balans van de werkmaatschappij heeft gemanipuleerd en dat hij de omzet van de laatste paar kermissen heeft achtergehouden. [partij 2] is daarom van mening dat [partij 1] een voorschot van 10% van het verduisterde kasgeld, ofwel € 26.583,68 moet voldoen. 5.
- [partij 1] betwist dat hij gelden van de werkmaatschappij heeft verduisterd. Van de twee ticketautomaten is geen beginstand opgenomen en bovendien heeft [partij 2] beide automaten geruime tijd in zijn bezit gehad, zodat er van alles mee kan zijn gebeurd. 5.
- Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. 5.
- [partij 2] heeft als productie 2 whats-appberichten overgelegd die [adviseur] in december 2023 aan [partij 1] heeft gestuurd. [adviseur] heeft daarin geschreven: “Ga genieten van je kerstdagen ik stuur elke dag die omzet wel. Op een bepaalde manier (…) Ik ben nooit fout hij altijd. Ik doe mijn best voor jou en jij gaat in april de teugels aantrekken. Anders koop ik mijzelf in en nemen jij en ik de zaak in beslag” “Er moet maar 1 ding gebeuren. Hij moet kapot en daar ga ik voor zorgen”. 5.
- [partij 1] heeft niet weersproken dat [adviseur] de whats-appberichten aan hem heeft gestuurd en hij heeft de door [partij 2] genoemde strekking van die berichten ook niet weersproken. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan redelijkerwijs worden uitgegaan van de uitleg dat [adviseur] en [partij 1] los van [partij 2] beleid willen maken, wat vragen oproept over de positie van [partij 2] als medebestuurder/aandeelhouder. De appjes hebben de strekking dat [partij 2] benadeeld wordt. 5.
- Door [partij 2] is als productie 3 een technisch onderzoek van de ticketautomaten overgelegd. Uit dit onderzoek is gebleken dat er met de automaten is gemanipuleerd. Geconstateerd is dat de bevestigingsmoer is losgekomen, wat zelden of nooit voorkomt en dat dit is gebeurd in de periode dat [partij 1] buiten [partij 2] om de attractie exploiteerde. Door [partij 1] bovendien niet weersproken dat de ticketautomaten door [adviseur] zijn meegenomen en dat hij deze enige tijd onder zich heeft gehouden. 5.
- Gelet op het vorenstaande is de enkele stelling van [partij 1] dat [partij 2] mogelijk zelf de automaten heeft gemanipuleerd voordat deze door de fabrikant zouden worden uitgelezen louter speculatief en daarmee onvoldoende. 5.
- De voorzieningenrechter acht daarom aannemelijk dat er sprake is van fraude. Die aannemelijkheid wordt versterkt nu door [partij 1] niet is weersproken dat door hem al geruime tijd geen informatie meer wordt verstrekt aan [partij 2] , in ieder geval niet sinds december
- Onder deze omstandigheden is het hoogst waarschijnlijk dat het gevorderde voorschot door de bodemrechter zal worden toegewezen. De voorzieningenrechter zal daarom vordering
- toewijzen. Er is voldoende spoedeisend belang bij het gevorderde voorschot, nu beide partijen het erover eens zijn dat de werkmaatschappij geld nodig heeft om aan haar lopende verplichtingen te voldoen. De omstandigheid dat de werkmaatschappij geen partij is in dit kort geding maakt het vorenstaande niet anders, omdat [partij 2] ook als benadeelde medeaandeelhouder betaling aan werkmaatschappij kan vorderen. Saldo ING-rekening 5.
- [partij 2] stelt dat [partij 1] zonder zijn medeweten een rekening bij de ING-bank heeft geopend op naam van de werkmaatschappij en dat op die rekening € 34.000 aan BTW-teruggaven is binnengekomen. [partij 2] stelt zich op het standpunt dat het saldo van ING-rekening moet worden overgemaakt naar de Raborekening van de werkmaatschappij omdat van die rekening alle vaste lasten worden afgeschreven en het saldo momenteel circa nihil is. 5.
- Volgens [partij 1] zijn alle BTW teruggaven overgeheveld naar de Rabobank en is de ING-rekening opgeheven. Omdat het saldo naar de Rabobankrekening moest worden overgedragen heeft [partij 1] het geld fysiek opgenomen, waarna het complete saldo op de Rabobankrekening is gestort. Hij beschikt over de stortingsbewijzen. 5.
- Door [partij 1] is geen bewijs overgelegd dat de ING-rekening is opgeheven. Weliswaar is er sprake van een vordering waaraan niet voldaan kan worden als de rekening niet meer bestaat, maar het ligt op de weg van [partij 1] om dat aan te tonen. Dat geldt ook voor zijn stelling dat hij het gehele saldo heeft opgenomen en op de Rabobankrekening heeft gestort. [partij 1] beschikt kennelijk over storingsbewijzen maar heeft deze niet aan [partij 2] verstrekt/ter inzage gegeven. Daarmee heeft [partij 2] ook geen inzicht gegeven in het verloop van de ING-rekening, zodat [partij 1] ook daarover informatie aan [partij 2] zal moeten verschaffen. Dit geldt te meer nu mogelijk sprake is van een zeer ongebruikelijke gang van zaken: het fysiek opnemen van gelden van een bankrekening, deze vervolgens afsluiten en vervolgens de gelden fysiek op een andere rekening storten. De gebruikelijke gang van zaken is immers het saldo over te schrijven. 5.
- Vordering 2 wordt toegewezen. Toegang tot de attractie 5.
- [partij 2] stelt dat [partij 1] in maart 2025 de sloten van het opslagterrein van de attractie heeft veranderd en dat hem vanaf dat moment de toegang tot de attractie wordt ontzegd. 5.
- [partij 1] stelt dat [partij 2] geen spoedeisend belang heeft bij deze vordering omdat [partij 2] voor langere tijd in het buitenland is of gaat. 5.
- Uit de inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat de bestuurders gezamenlijk bevoegd zijn met betrekking tot de activiteiten van de onderneming (het ontwerpen, bouwen, verhandelen en exploiteren van attracties in de kermisbranche). Dit betekent dat [partij 2] als bestuurder gerechtigd is toegang te hebben tot de attractie. Het is daarbij niet relevant of [partij 2] veelvuldig in het buitenland verblijft, wat overigens door hem betwist wordt. Vordering 3 wordt toegewezen. overlegging (leen)overeenkomsten 5.
- [partij 2] wijst op de balanspost per 31 december 2024 ten name [naam 2] (de ex-vrouw van [partij 1] ), ter hoogte van €300.822,
- Daarnaast heeft hij geconstateerd dat er door de werkmaatschappij betalingen zijn gedaan aan de ondernemingen van [adviseur] ( [adviseur] , [B.V. 2] en [B.V. 3] ). Hij stelt dat hij er recht op heeft om de grondslag van deze balanspost en betalingen te weten. 5.
- [partij 1] erkent dat er overeenkomsten zijn gesloten met [naam 2] en met genoemde ondernemingen van [adviseur] . Die overeenkomsten, voor zover deze op schrift zijn gesteld, had [partij 2] bij de boekhouder kunnen opvragen, aldus [partij 1] . 5.
- [partij 1] miskent hiermee dat [partij 2] als mede bestuurder/aandeelhouder aanspraak heeft op volledige openheid van zaken. Vorderingen 4 en 5 worden toegewezen. dwangsom 5.
- De gevorderde dwangsommen zullen worden gematigd en gemaximeerd de proceskosten 5.
- [partij 1] is zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De vorderingen in conventie en in reconventie vinden beide grond in de samenwerking binnen de vennootschap. De vorderingen in reconventie hebben zelfstandig onderzoek en inspanning gevraagd. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om zowel in conventie als in reconventie voor salaris advocaat 1 punt van het liquidatietarief (€ 1.107,00) toe te passen. De proceskosten van [partij 2] worden begroot op: - kosten dagvaarding € 119,40 - griffierecht € 714,00 - salaris advocaat € 2.214,00 - nakosten € 278,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 3.325,40 6De beslissing De voorzieningenrechter In conventie 6.
- wijst de vordering af, In reconventie 6.
- beveelt [partij 1] binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis tegen kwijting een bedrag van € 26.583,00 te storten op de Rabobankrekening van [de werkmaatschappij] B.V., 6.
- beveelt [partij 1] binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis het saldo van de ING-bankrekening van [de werkmaatschappij] B.V., minus maximaal de jaarlijkse bankkosten, over te schrijven naar de Rabobankrekening van [de werkmaatschappij] B.V., op verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [partij 1] hier niet aan voldoet, een gedeelte van de dag daaronder begrepen, met een maximum van € 50.000,00, 6.
- beveelt [partij 1] binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis een kopie van de sleutel van terrein waar het fun house ' [naam attractie] ' is opgeslagen toe te sturen aan mr. P. Le Heux, Leidsegracht 94, 1016 CS, te [plaats 2] , op verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [partij 1] hier niet aan voldoet, een gedeelte van de dag daaronder begrepen, met een maximum van € 50.000,00, 6.
- beveelt [partij 1] binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis de leenovereenkomsten tussen [de werkmaatschappij] B.V. en [naam 2] te leggen aan [partij 2] , op verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [partij 1] hier niet aan voldoet, een gedeelte van de dag daaronder begrepen, met een maximum van € 50.000,00,- 6.
- beveelt [partij 1] binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis de overeenkomsten tussen [de werkmaatschappij] B.V. en bedrijven van [adviseur] -met name [B.V. 2] , [B.V. 3] of [B.V. 4] - over te leggen op verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [partij 1] hier niet aan voldoet, een gedeelte van de dag daaronder begrepen, met een maximum van € 50.000,00, 6.
- wijst af het meer of anders gevorderde, in conventie en in reconventie 6.
- veroordeelt [partij 1] in de proceskosten van € 3.325,40 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [partij 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 6.9 verklaart dit vonnis voor wat betreft de onder 6.2 tot en met 6.6 en de onder 6.
- gegeven veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Weide en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2025.