RECHTBANK Zeeland-West-Brabant Civiel recht Zittingsplaats Breda Zaaknummer: C/02/435500 / HA ZA 25-296 Vonnis van 22 oktober 2025 in de zaak van [eiser] , in hoedanigheid van een deelgenoot in een eenvoudige gemeenschap, te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. D. Vong, tegen [gedaagde] B.V., te [plaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. M.J.G. Pennings. 1De zaak in het kort 1.1. [eiser] stelt deelgenoot te zijn in een eenvoudige gemeenschap. In deze gemeenschap bevindt zich volgens [eiser] een vordering van € 40.000,00, waarvan in deze procedure betaling wordt gevorderd. De grondslag daarvoor is onverschuldigde betaling of onrechtmatige daad. [eiser] vordert ook verklaringen voor recht. Volgens [gedaagde] is er geen sprake van een eenvoudige gemeenschap, zodat [eiser] niet ontvankelijk moet worden verklaard. Als er wel sprake is van een eenvoudige gemeenschap, bestaat er volgens [gedaagde] geen grond voor toewijzing van de vorderingen. 1.2. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een eenvoudige gemeenschap en verklaart [eiser] niet ontvankelijk. 2Het verloop van de procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 30 juli 2025 en de daarin genoemde processtukken, het B3 formulier van mr. Vong met daarbij bijlage 6 zoals genoemd in de dagvaarding, de mondelinge behandeling van 8 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 2.2. De rechtbank heeft aan het einde van de mondelinge behandeling bepaald dat er een vonnis zou komen. 3De feiten 3.1. [gedaagde] is een vakantiepark in [plaats 2] . [bedrijf 1] is eigenaar van individuele percelen op het park en is een kleinschalige projectontwikkelaar. Eind 2019/begin 2020 is een aantal advertenties geplaatst voor de verkoop van nieuw te bouwen recreatiewoningen voor uitsluitend de recreatieve verhuur. [gedaagde] trad op als bemiddelend makelaar. [gedaagde] is daarnaast eigenaar van de openbare ruimten op het park en rechthebbende op de infrastructurele voorzieningen. 3.2. Mevrouw [naam 1] heeft zich in januari/februari 2020 bij [gedaagde] gemeld. Zij gaf aan dat ze interesse had om enkel twee percelen te kopen en dan zelf opdracht te willen geven aan het bouwbedrijf om daar recreatiewoningen op te bouwen. 3.3. Daarover is tussen [naam 1] en de heer [naam 2] , destijds vennoot van [bedrijf 1] en middellijk bestuurder van [gedaagde] , per e-mail gecorrespondeerd. Op 11 februari 2020 schreef [naam 2] aan [naam 1] : “(…) Verder informeer ik u dat wij u de bungalow kunnen leveren volgens eerdere opgave. Indien u rechtstreeks opdracht geeft aan [bedrijf 2] en zelf voor de aankleding binnen en buiten doet, kan dit alleen als u de bijdrage infrakosten à € 10.000,- excl btw aan ons betaald en vervolgens een marge vergoeding betaald à € 10.000,- excl btw. Op deze manier is het een Win Win situatie voor alle partijen.” 3.4. [naam 1] heeft in een e-mail van dezelfde dag een tegenbod gedaan van € 25.000,00. [naam 2] heeft dit tegenbod afgewezen: “(…) De bijdrage voor de infrastructuur is geen opbrengst voor ons maar bijdrage in de kosten. De bedoeling van de kavels te bebouwen is uiteraard commercieel en er is een marge ingecalculeerd. Wij gaan geen kavels uitgeven zonder deze marge. (…) We trekken hier 1 lijn in en daarom ga ik heel graag met jullie in zee, echter zoals ik mijn voorstel heb gedaan.” 3.5. [naam 1] heeft per e-mail van 14 februari 2020 laten weten dat zij de week erop zou laten weten of zij verder zou gaan. Zij heeft vervolgens mondeling laten weten akkoord te gaan. 3.6. Op 17 maart 2020 heeft [gedaagde] [naam 1] twee facturen (factuur [factuurnummer 1] en [factuurnummer 2] , hierna: de facturen) toegezonden voor een bedrag van € 20.000,00 per factuur, opgebouwd uit een bedrag van € 10.000,00 voor “ontsluitingskosten ingebruikname perceel” en € 10.000,00 voor “bijdrage infrastructuur”. [naam 1] heeft het totaalbedrag van € 40.000,00 betaald. 3.7. Op 18 maart 2020 zijn twee koopovereenkomsten gesloten tussen [naam 1] en [bedrijf 1] voor twee percelen op het park voor een koopprijs van € 42.000,00 exclusief btw per perceel. De percelen zijn op 1 mei 2020 aan [naam 1] geleverd. 3.8. [eiser] heeft zich per e-mail van 10 februari 2023 als gemachtigde van [naam 1] gewend tot [naam 2] en de heer [naam 3], destijds ook middellijk bestuurder van [gedaagde] . [eiser] sommeert in deze e-mail tot terugbetaling van het bedrag van de facturen aan [naam 1] . Volgens [eiser] is een bedrag van € 40.000,00 onverschuldigd betaald, nu er geen overeenkomst aan de facturen ten grondslag lag. Voor zover die overeenkomst er wel zou zijn, vernietigt [eiser] die overeenkomst namens [naam 1] met een beroep op dwang, dwaling, bedrog en het leerstuk van de oneerlijke handelspraktijk. 3.9. [gedaagde] heeft geen gehoor gegeven aan de sommatie. 3.10. [eiser] en [naam 1] hebben op 10 februari 2023 afspraken gemaakt die op 16 februari 2023 als volgt zijn vastgelegd: “ Akte van cessie (overeenkomst waarin een vordering wordt overgedragen) (…) Partijen menen dat [naam 1] een vordering op [gedaagde] , rechtbank] heeft of zal gaan hebben die verband houdt met de twee in de considerans genoemde facturen van € 20.000 per stuk. [eiser] koopt 50% van beide vorderingen over van [naam 1] . De levering geschiedt heden en voor zover dat nog niet kan omdat de vorderingen nog niet bestaan, geschiedt de levering reeds nu voor alsdan per het moment waarop de vorderingen gaan ontstaan. Het volg hiervan zal dus zijn dat er sprake is van een eenvoudige gemeenschap tussen [naam 1] en [eiser] in welke gemeenschap zich de twee vorderingen bevinden. (…) 6) Deze overeenkomst is dus feitelijk een akte van cessie waarin twee vorderingen worden verkocht en geleverd (al dan niet reeds nu voor alsdan per moment van ontstaan) (…).” 3.11. [eiser] heeft [gedaagde] in hoedanigheid van deelgenoot in een eenvoudige gemeenschap op 12 maart 2025 gedagvaard. 4Het geschil 4.1. [eiser] vordert na wijziging van eis – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, al dan niet uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht verklaart dat de rechtsverhouding(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.