RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/439247 / JE RK 25-1571 Datum uitspraak: 3 oktober 2025 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1] , advocaat mr. R.T.A.G Keller uit Tilburg, [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats 2] , advocaat mr. M. Hofland uit Breda. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren. 1Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 28 augustus 2025; de brief van 1 oktober 2025 van de advocaat van de vader. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig: de moeder met haar advocaat; de advocaat van de vader; een vertegenwoordiger van de GI; een vertegenwoordiger van de Raad. De vader was niet aanwezig op de zitting. De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan de begeleidster van moeder van [hulpverlening 1] , mevrouw [persoon] , als toehoorder. 2De feiten 2.1. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 oktober 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 24 oktober 2024 tot 24 oktober 2025. 2.3. [minderjarige] verblijft middels de machtiging uithuisplaatsing bij [accommodatie] in [plaats 1] . 3De verzoeken 3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. De vader heeft als zelfstandig verzoek verzocht om een beslissing te nemen over de contactmomenten tussen [minderjarige] en de vader, inhoudende wekelijks beeldbellen en dat er toegewerkt wordt naar een contactregeling van eenmaal per veertien dagen vier uur begeleid contact op locatie, en deze vast te leggen in de beschikking. 4De standpunten 4.1. De GI heeft ter onderbouwing van haar verzoek aangegeven dat er bij [minderjarige] sprake is van meervoudige, complexe ontwikkelings- en gedragsproblematiek. Hij heeft een kwetsbare gezondheid door een zeldzame genetische aandoening. Hij heeft daarvoor intensieve begeleiding en continue monitoring nodig. Er is daarnaast bij [minderjarige] sprake van forse gedragsproblematiek met fysieke agressie en extreme impulsiviteit. [minderjarige] heeft een forse ontwikkelingsachterstand; hij functioneert sociaal op een leeftijd van 2,5 jaar. [minderjarige] wordt snel emotioneel overspoeld door prikkels en emoties die hij niet zelf kan reguleren. Daardoor is hij snel overvraagd met als gevolg ontregeling en escalaties. Er zijn vermoedens van hechtingsproblematiek en traumatische ervaringen. [minderjarige] heeft intensieve, specialistische begeleiding nodig van een combinatie van pedagogische en verpleegkundige zorg met rust en voorspelbaarheid. Dit maakt het lastig om een geschikt verblijf en behandelplek voor [minderjarige] te vinden. [minderjarige] verblijft nu bij [accommodatie] met begeleiding van [hulpverlening 2] , maar dat is geen duurzame plek voor hem. Verschillende organisaties hebben de aanvraag al afgewezen. Er is nu een aanvraag voor een WLZ-indicatie gedaan en CCE is betrokken voor advies. Zonder een gespecialiseerde omgeving is er een risico op ernstige ontwikkelingsschade en zelfs lichamelijk letsel bij [minderjarige] . [minderjarige] en de moeder hebben een ouder-kindtraject gevolgd bij [organisatie] . De vader heeft zich teruggetrokken uit dit traject. De plaatsing is gestopt, omdat de veiligheid van [minderjarige] onvoldoende gewaarborgd kon worden. De moeder heeft onvoldoende opvoedingsvaardigheden voor de behoeften van [minderjarige] . Er wordt ook een terugkerend patroon van weerstand tegen de hulpverlening gezien. De moeder heeft een verstandelijke beperking en een belast verleden. Zij is snel overvraagd. Terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder is niet verantwoord gezien de veiligheidsrisico’s. De moeder heeft begeleide omgang met [minderjarige] . Bij de vader is er sprake van een terugkerend patroon waarin hij telkens afstand neemt en uit contact gaat van [minderjarige] om later weer te vragen bij hem betrokken te worden. Dit is voor [minderjarige] heel ingewikkeld, mede gezien zijn kwetsbaarheid. [minderjarige] situatie is niet veranderd, terwijl hierin eerst voor de vader een reden lag om het contact te verbreken. Als de vader contact met [minderjarige] wil, is er langdurige commitment van de vader nodig. De GI heeft per brief van 28 augustus 2025 aan de ouders laten weten dat de GI een perspectiefbesluit heeft genomen over dat [minderjarige] niet bij de moeder of de vader zal opgroeien, ook al is nog niet bekend waar hij wel zal gaan verblijven. [minderjarige] is ook hiervan op de hoogte gebracht. De GI vindt het schadelijk voor [minderjarige] als hij weer een tijdelijk traject met de moeder in een nieuwe omgeving aan moet gaan. De GI ziet bij de moeder ook geen veranderingen in vergelijking met de situatie tijdens het moeder-kindtraject bij [organisatie] . De GI kan zich vinden in een perspectiefonderzoek door de Raad. 4.2. De moeder heeft verteld dat [minderjarige] is mishandeld op de groep bij [accommodatie] door een ander kind. Zij maakt zich hier veel zorgen over en zij heeft dit bij de GI aangegeven. [minderjarige] moet ergens anders heen. De moeder vindt dat hij op termijn wel weer bij haar thuis kan komen wonen. Ze heeft tijdens het moeder-kindtraject onvoldoende kunnen laten zien dat zij wel de zorg over hem op zich kan nemen. De advocaat van de moeder heeft aangegeven dat er geen enkel zicht is op een andere plek voor [minderjarige] . De moeder betwist dat zij niet de zorg kan dragen. De moeder is opgeleid en gediplomeerd om de thuismonitor te bedienen. Zij en [minderjarige] hebben een sterke band. Zij heeft een partner die haar goed kan ondersteunen en begeleiding door [hulpverlening 1] . Ze heeft geen eerlijke kans gehad in het moeder-kindtraject bij [organisatie] , omdat zij geen goede verhouding had met bepaalde hulpverleners daar. Nu er geen andere plek voor [minderjarige] voorhanden is, wil de moeder een nieuwe kans om te laten zien dat zij de zorg over [minderjarige] op zich kan nemen. Ze stelt daarom een gezinsopname bij [GGZ-instelling] in [plaats 2] voor. Door de intensieve observaties daar kan een beter beeld worden gekregen of de moeder in staat is de zorg over [minderjarige] te dragen. Het is de vraag of de Raad middels een perspectiefonderzoek dit goed kan vaststellen. De moeder denkt niet dat een gezinsopname schadelijk voor [minderjarige] is, omdat hij toch geen duidelijkheid heeft over waar hij verder zal gaan verblijven. Het verzoek tot ondertoezichtstelling kan worden toegewezen. Ten aanzien van het verzoek voor een machtiging tot uithuisplaatsing wordt namens de moeder verzocht om dit voor een periode van zes maanden toe te wijzen en het verzoek voor het overige aan te houden met de opdracht aan de GI om de moeder en [minderjarige] aan te melden voor een gezinsopname. 4.3. Namens de vader is naar voren gebracht dat hij zich een aantal keer bewust heeft teruggetrokken uit het leven van [minderjarige] . De reden daarvan was vaak gelegen in de dynamiek tussen de ouders. [minderjarige] had daar last van en de vader wilde hem rust geven. De vader maakt zich ook wel zorgen over zijn rol als vader als [minderjarige] bij de moeder teruggeplaatst wordt. De vader is inmiddels weer in overleg met de GI gegaan. Hij is [minderjarige] een keer tegengekomen en daaruit bleek dat [minderjarige] de behoefte heeft om het contact te herstellen. De vader heeft de toezegging van de GI gehad dat zij gaan onderzoeken hoe het contactherstel langzaamaan weer kan plaatsvinden. De vader heeft aan de kinderrechter verzocht een contactregeling te bepalen. De vader stemt in met verlenging van de ondertoezichtstelling en kan zich vinden in beperking van de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing. 4.4. De Raad heeft geadviseerd een onderzoek naar het perspectief van [minderjarige] te laten uitvoeren. Het perspectief van [minderjarige] moet eerst duidelijk zijn, waarbij het belang van [minderjarige] voorop staat. [minderjarige] heeft een grote opvoedvraag. Het valt de Raad op dat beide ouders vanuit hun eigen behoefte handelen en niet vanuit de behoefte van [minderjarige] . Als het perspectief niet meer bij de moeder is, moet [minderjarige] niet blootgesteld worden aan een nieuw moeder-kindtraject. 5De beoordeling De ondertoezichtstelling 5.1. De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar, als aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste lid BW) is voldaan. De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een GI wanneer die minderjarig zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:a. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.