← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2025:7254

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant Civiel recht Zittingsplaats Breda Zaaknummer: C/02/423263 / HA ZA 24-299 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 8 april 2025 in de zaak van [eiser] , te [plaats 1] , gemeente Waalwijk, eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. M.J.W. van Ingen, tegen [de curator] , te [plaats 2] , gemeente Gilze en Rijen, gedaagde partij, hierna te noemen: de curator, advocaat: mr. G.N. van Kooten. De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Breda. Deze zitting wordt gehouden op grond van de beslissing van 23 oktober

  1. De zaak wordt behandeld door mr. R.T. Hermans, rechter, en mr. M.A.R. Martens als griffier. Aanwezig zijn: - namens [eiser] mr. M.J.W. van Ingen en mr. I.F.M. Lakwijk, - de curator in persoon, bijgestaan door mr. E.L. de Haan en mr. G.N. van Kooten. Als toehoorder is aanwezig: - Mevrouw [naam] . De volgende stukken zijn op de zitting aan het procesdossier toegevoegd: - de akte overlegging aanvullende productie van [eiser] met producties 2 tot en met 4; - de aanvullende producties 3 en 4 van de curator. Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de rechtbank op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.
  2. De beoordeling 1.
  3. De vraag waar het in deze procedure om gaat is of de curator pro se aansprakelijk is voor het in rechte betrekken van [eiser] als bestuurder van de voetbalvereniging. Dit moet getoetst worden aan de Maclou-norm. Om de curator een persoonlijk verwijt te kunnen maken van zijn handelen, is vereist dat hij heeft gehandeld terwijl hij het onjuiste van zijn handelen inzag dan wel redelijkerwijze behoorde in te zien. De curator komt in het onderhavige geval een ruime mate van vrijheid toe bij het nemen van de beslissing of hij de bestuurders, onder wie [eiser] , in rechte betrekt. 1.
  4. Ter zitting is besproken dat de voorzitter van het bestuur in redelijkheid een ernstig verwijt kon worden gemaakt van zijn handelen, zodat het begrijpelijk is dat hij gedagvaard is. Artikel 2:9 BW brengt mee dat ook de andere bestuurders, onder wie [eiser] , verantwoordelijk zijn voor dat handelen. Disculpatie als bedoeld in artikel 2:9 lid 2 BW brengt mee dat het aan de bestuurders is om daar een beroep op te doen en daartoe voldoende feiten en omstandigheden voor aan te dragen. Onder deze omstandigheden heeft de curator dan ook in redelijkheid tot dagvaarding over kunnen gaan. Daarbij weegt de rechtbank mee dat hij een concept dagvaarding aan de bestuurders heeft toegezonden om deze in het kader van hoor en wederhoor met hen te bespreken. [eiser] heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. De curator heeft op grond van deze concept dagvaarding toestemming van de rechter-commissaris gekregen om de bestuurders te dagvaarden. Pas na dagvaarding heeft een groot aantal schuldeisers hun vordering ingetrokken. Overigens doet dit laatste niets af aan het verwijt dat het bestuur kan worden gemaakt. 1.
  5. Gelet op het voorgaande heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat de curator de voor hem geldende zorgvuldigheidsnorm heeft overschreden. 1.
  6. Uit het voorgaande vloeit voort dat er geen sprake is van onrechtmatig procederen. 1.
  7. Dit betekent dat de vorderingen worden afgewezen. 1.
  8. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure als na te melden.
  9. De beslissing De rechtbank 2.
  10. wijst de vorderingen van [eiser] af, 2.
  11. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.726,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 2.
  12. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 2.
  13. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 2.2 en 2.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad. Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. R.T. Hermans en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. Waarvan proces-verbaal, Hoge Raad 19 april 1996, JOR 1996/48 en Hoge Raad 16 december 2011, JOR 2012/65

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.