RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/437865 / FA RK 25-3714 Datum uitspraak: 14 oktober 2025 Beschikking van de meervoudige kamer van de rechtbank over de noodzaak van een gezagsbeëindiging in de zaak van RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ROTTERDAM-DORDRECHT, locatie Rotterdam, hierna te noemen: de Raad, over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2024 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [minderjarige] . De rechtbank merkt in deze zaak als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats] , advocaat: mr. J.J.R. Albicher te Roosendaal, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [plaats] , advocaat: mr. J.J.R. Albicher te Roosendaal, [de gezinshuismoeder] en [de gezinshuisvader], hierna respectievelijk te noemen: de gezinshuismoeder en de gezinshuisvader, hierna gezamenlijk te noemen: de gezinshuisouders, de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de GI. 1Het verloop van de procedure 1.1. Het procesdossier bevat het verzoekschrift van de Raad, met bijlagen, ontvangen door de griffie van de rechtbank op 16 juli 2025. 1.2. Op 9 september 2025 heeft de rechtbank het verzoek, met gesloten deuren, mondeling behandeld. Bij die behandeling zijn verschenen en gehoord: mr. Albicher; de gezinshuisvader; een vertegenwoordiger namens de GI; een vertegenwoordigster namens de Raad. 1.3. Bij aanvang van de mondelinge behandeling constateert de rechtbank dat beide ouders niet zijn verschenen, althans niet in persoon. Aangezien de ouders in deze procedure zijn aangemerkt als belanghebbend, dient de rechtbank te controleren of zij correct zijn opgeroepen. De rechtbank stelt vast dat de ouders op 12 augustus 2025 per aangetekende post voor de zitting zijn opgeroepen op het adres waarop zij op dat moment bij de gemeente stonden ingeschreven in de Basisregistratie personen (de Brp). Alhoewel de advocaat heeft aangegeven dat de ouders in augustus 2025 uit hun woning zijn gezet en de vader vervolgens enige tijd in een tentje in [plaats] heeft verbleven, is het de eigen verantwoordelijkheid van de ouders om een correcte Brp-inschrijving te hebben, althans om regelmatig hun brievenbus te controleren op inkomende post. Nu de oproepingen zijn gedaan op het adres waar beide ouders op dat moment een geldige Brp-inschrijving hadden, stelt de rechtbank vast dat beide ouders correct zijn opgeroepen voor de zitting. Daarbij komt nog dat de vader, aldus de advocaat, op de hoogte was van de zitting. De advocaat heeft namelijk aangegeven dat de betrokken hulpverlener vanuit [hulpverlening] de vader heeft opgezocht bij het tentje waar hij op dat moment verbleef en hij hem een brief heeft overhandigd met het verzoek om telefonisch contact op te nemen met de advocaat, hetgeen de vader vervolgens heeft gedaan. De advocaat stelt dat hij de vader op dat moment telefonisch op de hoogte heeft gebracht van de zitting, maar omdat het contact naar eigen zeggen wat rommelig verliep, heeft de advocaat niet met de vader kunnen spreken over de inhoud van het verzoek en de stukken. Nu beide ouders correct zijn opgeroepen voor de zitting en de vader daar nog apart van op de hoogte is gesteld, heeft de rechtbank de behandeling van het verzoek voortgezet buiten aanwezigheid van de ouders. 2De feiten 2.1. [minderjarige] is op [geboortedag 1] 2024 geboren als kind van de vader en de moeder. De vader heeft [minderjarige] erkend. 2.2. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.3. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 17 januari 2024 is [minderjarige] , die op dat moment nog niet geboren was, voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 17 januari 2024 tot 31 januari 2024. Deze maatregel is nadien verlengd tot 17 april 2024. 2.4. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 6 april 2024 is met spoed een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, dan wel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, dan wel in een overige locatie (zoals het ziekenhuis) verleend tot 17 april 2024. 2.5. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 16 april 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 17 april 2024 tot 17 april 2025. Daarnaast is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (in een gezinshuis) verleend tot 17 april 2025. Beide maatregelen zijn nadien verlengd tot 17 oktober 2025. 2.6. De Raad heeft op verzoek van de GI een onderzoek verricht naar de noodzaak tot het beëindigen van het ouderlijk gezag van de ouders over [minderjarige] . Naar aanleiding van dat onderzoek, heeft de Raad geconcludeerd dat er onvoldoende noodzaak bestaat om het gezag van de ouders te beëindigen. De GI heeft daarop aan de Raad verzocht om de rechtbank te verzoeken om een oordeel te geven over de noodzaak tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de ouders over [minderjarige] . 3Het verzoek 3.1. De Raad verzoekt, op grond van artikel 1:267 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW), om het oordeel van de rechtbank over de noodzaak tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de ouders over [minderjarige] . 4De standpunten Het standpunt van de GI 4.1. De GI heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Beide ouders zijn verslaafd aan het gebruik van harddrugs in de vorm van Flakka. Volgens de GI hebben de ouders meerdere malen aangegeven dat zij graag willen afkicken. De ouders zijn zeker viermaal aangemeld voor een detoxtraject voor een gezamenlijke dan wel een zelfstandige opname. De betrokken hulpverlener vanuit [hulpverlening] heeft de ouders bovendien regelmatig thuis opgezocht om hen te bewegen om de noodzakelijke behandeling aan te gaan. Maar ondanks dat de ouders als hulpvraag hebben geuit dat zij graag willen stoppen met het gebruik van drugs, lukt het hen niet om in actie te komen en daadwerkelijk hun verslaving onder controle te krijgen. Gezien het toestandsbeeld van de ouders is het ook niet altijd mogelijk om een goed en inhoudelijk gesprek met hen te voeren. 4.2. Bij aanvang van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] waren de ouders in contact met de GI en hadden zij driemaal per week contact met [minderjarige] . De contactregeling tussen de ouders en [minderjarige] is op een gegeven moment echter verminderd tot tweemaal per week en uiteindelijk zelfs tot eenmaal per maand, omdat dit voor de ouders het hoogst haalbare was. De ouders wilden graag contact hebben met [minderjarige] , maar het lukte hen niet om de afspraken na te komen. Wanneer er sprake was van contact, waren de ouders blij om [minderjarige] te zien, maar er werd geen gehechtheidsontwikkeling tussen hen waargenomen. Vanwege hun verslaving was het voor de ouders ook niet mogelijk om in het contact echt de diepte in te gaan. Het initiatief voor het bewerkstelligen van de contacten kwam ook altijd vanuit de GI en niet vanuit de ouders. Enkele maanden geleden hebben de ouders voor het laatst contact gehad met [minderjarige] . Op een gegeven moment zijn zij ook voor de GI onbereikbaar geworden. In augustus 2025 zijn de ouders uit hun woning gezet. De GI heeft vervolgens geprobeerd om met de ouders in contact te komen door hen op te zoeken in het tentje waar zij zouden verblijven en door een aantal kermissen af te gaan waar zij mogelijk rondhingen. De GI heeft inmiddels begrepen dat de relatie tussen de ouders is beëindigd en dat de vader momenteel in een kamer in [plaats] verblijft (het precieze adres is niet bekend). De huidige verblijfplaats van de moeder is onbekend. De GI heeft de moeder acht weken geleden voor het laatst gezien. De moeder verkeerde toen medisch gezien in een dusdanig slechte staat dat de GI haar met enige drang naar een dokter heeft gebracht. 4.3. De GI stelt dat de ouders het nemen van belangrijke (gezags)beslissingen over [minderjarige] niet hebben tegengewerkt, maar dat zij, vanwege hun persoonlijke problemen en situatie, onvoldoende bereikbaar en beschikbaar zijn waardoor het niet altijd mogelijk is om de belangrijke (gezags)beslissingen over [minderjarige] tijdig en op een goede manier te nemen. De GI is daarbij van mening dat zij alles heeft gedaan wat er in haar macht ligt om de ouders in de gelegenheid te stellen om aan zichzelf te werken en hen bij het leven van [minderjarige] te betrekken. Gelet hierop handhaaft de GI haar standpunt dat een beëindiging van het ouderlijk gezag van beide ouders over [minderjarige] thans noodzakelijk is. Omdat de GI het op dit moment nog te vroeg vindt om de voogdij over [minderjarige] bij de gezinshuisouders te beleggen, verzoekt de GI om haar te benoemen tot voogdes over [minderjarige] . Het standpunt van de Raad 4.4. De Raad heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Naar aanleiding van het raadsonderzoek heeft de Raad in eerste instantie geconcludeerd dat een beëindiging van het ouderlijk gezag van beide ouders over [minderjarige] niet nodig is, omdat de ouders lijken te accepteren dat het perspectief van [minderjarige] bij de gezinshuisouders ligt, althans dat zij niet daartegen in verweer komen, dat het beëindigen van het gezag niet zal leiden tot meer duidelijkheid over het perspectief en dat de ouders de belangrijke (gezags)beslissingen over [minderjarige] niet tegenhouden. De Raad was bovendien van mening dat de ouders nog een kans geboden moest worden om een detoxtraject aan te gaan en te werken aan hun persoonlijke problematiek. 4.5. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Raad echter aangegeven dat hij van mening is dat inmiddels wordt voldaan aan de gronden voor beëindiging van het ouderlijk gezag van beide ouders over [minderjarige] . Dit omdat de ouders al gedurende enkele maanden niet in contact zijn met de GI en zij geen contact meer hebben met [minderjarige] . Daarmee hebben de ouders hun ouderlijke verantwoordelijkheden richting [minderjarige] volledig naast zich neergelegd, terwijl het met het oog op de kindeigen problematiek van [minderjarige] juist van belang is dat er voortvarend (gezags)beslissingen over hem genomen kunnen worden. Nu de ouders uit hun woning zijn gezet en zij onbereikbaar zijn voor de GI, terwijl de GI alles heeft gedaan wat er in haar macht ligt om met de ouders in contact te komen, hen te bewegen om de noodzakelijk geachte hulpverlening aan te gaan en hen te betrekken bij het leven van [minderjarige] , heeft de Raad niet de verwachting dat hierin binnen een afzienbare termijn voldoende verbetering zal komen. De Raad is dan ook van mening dat aan beide ouders reeds voldoende kansen zijn geboden om te werken aan hun problematiek en dat het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is om het ouderlijk gezag van de ouders over hem in afwachting van een verbetering van de situatie van de ouders te handhaven. 4.6. Gelet op het voorgaande is de Raad thans van mening dat wordt voldaan aan de gronden voor beëindiging van het ouderlijk gezag van de beide ouders over [minderjarige] . Het belang van [minderjarige] staat hierbij voorop. De Raad deelt verder het standpunt van de GI om de voogdij over [minderjarige] in eerste instantie bij haar te beleggen. Vervolgens kan worden bezien of de voogdij op een gegeven moment over kan worden gedragen aan de gezinshuisouders. Indien het gezag van de ouders over [minderjarige] wordt beëindigd, kunnen zij nog steeds door de GI worden betrokken bij [minderjarige] en over hem worden geïnformeerd. Het standpunt van de gezinshuisouders 4.7. De gezinshuisvader heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De gezinshuisouders hebben in januari 2025 voor het laatst contact gehad met de ouders. De ouders zijn sindsdien niet meer te bereiken. De gezinshuisouders informeren de ouders maandelijks over [minderjarige] , maar omdat de ouders hier nooit op reageren, is het onbekend of die informatie hen ook daadwerkelijk bereikt en of de ouders dit lezen. Hoewel voor de gezinshuisouders voorop staat dat de ouders altijd de ouders van [minderjarige] blijven en zij daarom erg belangrijk voor hem zijn en blijven, stellen de gezinshuisouders zich momenteel op het standpunt dat een beëindiging van het ouderlijk gezag van beide ouders over [minderjarige] in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is, zodat het duidelijk is waar [minderjarige] opgroeit en wie de belangrijke (gezags)beslissingen over hem neemt. Daarbij komt dat [minderjarige] , onder meer omdat hij is geboren uit een verslaafde moeder, kampt met medische problematiek. In de afgelopen periode heeft er medisch onderzoek plaatsgevonden vanwege de forse spierspanningen die [minderjarige] ervaart. Momenteel vindt er een groot genetisch onderzoek plaats en er bestaan vermoedens dat [minderjarige] tevens kampt met psychiatrische problematiek. De gezinshuisouders voorzien dan ook problemen nu de ouders niet bereikbaar zijn, zeker als er met enige spoed belangrijke (gezags)beslissingen over [minderjarige] genomen moeten worden. Het lijkt de gezinshuisouders het beste als de voogdij over [minderjarige] in ieder geval in eerste instantie bij de GI wordt belegd. De gezinshuisouders vinden het namelijk prettig, als de ouders op een gegeven moment weer in beeld raken, dat de GI nog betrokken is om de contacten met hen aan te gaan. Het standpunt van de advocaat 4.8. De advocaat heeft deze zaak niet met de ouders kunnen bespreken. Maar omdat hij hen al langer kent en bijstaat, acht hij zich wel in staat om namens hen het een en ander naar voren te brengen. De advocaat heeft aldus, samengevat, het volgende aangevoerd. Doordat de ouders in augustus 2025 uit hun woning zijn gezet, is er een onzekere situatie ontstaan. In de periode daaraan voorafgaand hebben de ouders zich echter altijd meewerkend opgesteld richting de GI en de betrokken hulpverlening. De ouders hebben het belang van [minderjarige] altijd vooropgesteld. Onder verwijzing naar artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), stelt de advocaat dat een gezagsbeëindiging een ingrijpende maatregel in het familie- en gezinsleven van [minderjarige] én de ouders betreft. Alleen als het handhaven van het ouderlijk gezag schade toebrengt aan [minderjarige] , kan het gezag worden beëindigd. Ook moeten de ouders voldoende in de gelegenheid worden gesteld om te werken aan hun persoonlijke problematiek. Gelet hierop verzoekt de advocaat om de beslissing in deze zaak aan te houden voor de duur van zes maanden, om hem de mogelijkheid te bieden om alsnog met de ouders in contact te treden en hun standpunt in deze zaak te bepalen. De advocaat verwacht dat dit mogelijk zal zijn zodra de persoonlijke situaties van de ouders meer tot rust zijn gekomen. 5De beoordeling Gezagsbeëindiging 5.1. Op grond van artikel 1:266, eerste lid BW kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen, indien: een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of de ouder het gezag misbruikt. 5.2. Op grond van artikel 1:267, eerste lid BW kan de beëindiging van het gezag worden uitgesproken op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of het openbaar ministerie. Tevens is degene die niet de ouder is en de minderjarige gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, bevoegd tot het doen van het verzoek indien de raad voor de kinderbescherming niet tot een verzoek overgaat. Uit het tweede lid van voormeld artikel volgt dat als de raad niet tot een verzoek als bedoeld in het eerste lid overgaat nadat hij een verzoek tot onderzoek hiertoe van de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling over de minderjarige uitvoert, heeft ontvangen, hij dit schriftelijk meedeelt aan die gecertificeerde instelling. De gecertificeerde instelling kan na ontvangst van die mededeling de raad voor de kinderbescherming verzoeken het oordeel van de rechtbank te vragen of beëindiging van het gezag het noodzakelijk is. De raad voor de kinderbescherming die van de gecertificeerde instelling zodanig verzoek ontvangt, vraagt binnen twee weken na de dagtekening van dat verzoek het oordeel van de rechtbank of een beëindiging van het gezag moet volgen. In dat geval kan de rechtbank de beëindiging van het gezag ambtshalve uitspreken. 5.3. De rechtbank overweegt dat er sprake was van een visieverschil tussen de Raad en de GI over de noodzaak tot een beëindiging van het ouderlijk gezag van de ouders over [minderjarige] . Om die reden heeft de Raad, op aanvraag van de GI, op 16 juli 2025 aan de rechtbank verzocht om zich hierover uit te spreken. Gelet hierop kan en zal de rechtbank op grond van artikel 1:267, tweede lid BW zich een oordeel vormen over de noodzaak van een gezagsbeëindiging van de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.