RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team strafrecht Zittingsplaats Bergen op Zoom zaaknummer.: 11304097 \ MB VERZ 24-706 CJIB-nummer: [cjib-nummer] uitspraakdatum: 1 augustus 2025 proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) in de zaak van naam : [betrokkene] adres : [adres] woonplaats : [woonplaats] hierna: betrokkene gemachtigde : mr. B. de Jong ( Skandara B.V.) Verloop van de procedure Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. De zaak is behandeld op de zitting van 18 juli
- Namens de officier van justitie is verschenen mr. Z. Fluitsma (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde is ook verschenen. Standpunten De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: als bestuurder een puntstuk gebruiken op de Rijksweg A58 te Roosendaal op 10 december 2022 om 16:08 uur. Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Betrokkene heeft geen gebruik gemaakt van het puntstuk en begrijpt niet waarom de sanctie aan hem is opgelegd. Betrokkene reed op de afrit en besloot op het laatste moment toch een afslag verder van de snelweg af te gaan. Betrokkene is vóór het puntstuk een rijstrook naar links opgeschoven. Op dat moment reed de verbalisant op de uitvoegstrook. De verbalisant zou via zijn binnenspiegel gezien hebben dat betrokkene een puntstuk gebruikt zou hebben. Dat is vanuit die positie lastig waar te nemen. Daar komt bij dat betrokkene ook tijdens de administratieve fase de gedraging heeft ontkend. Daarmee is sprake van een consistente en ontkennende verklaring aan de zijde van betrokkene. Bij deze stand van zaken is gerede twijfel ontstaan omtrent de vraag of de verweten gedraging is verricht. Gemachtigde verzoekt om een proceskostenvergoeding. Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat subsidiair verzocht wordt om de boete wegens de schending van de hoorplicht te matigen met 25% gelet op uitspraak ECLI:NL:GHARL:2025:
- Ook is de redelijke termijn overschreden, waardoor verzocht wordt om de boete nogmaals met 25% te matigen. De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De gedraging kan worden vastgesteld op basis van het zaakoverzicht. Dat de verbalisant de gedraging heeft vastgesteld middels een waarneming via de binnen- of zijspiegel doet daar niets aan af. De zittingsvertegenwoordiger ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de waarneming. Wat betreft de schending van de hoorplicht stelt de zittingsvertegenwoordiger zich op het standpunt dat gemachtigde schriftelijk is gehoord. Wel is de redelijke termijn overschreden, waardoor de boete met 25% gematigd dient te worden. Overwegingen Inhoudelijk De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring of indien dergelijke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken. De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de waarneming van de verbalisant. De boete is dus terecht opgelegd. Schending hoorplicht Betrokkene heeft via een gemachtigde beroep aangetekend bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft de gemachtigde en betrokkene niet in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Dit is in strijd met de wet, omdat niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden om van horen af te zien. Volgens vaste rechtspraak dient dit te leiden tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep. Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep is om die reden gegrond. Gelet op de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2025:2852), waarin het gerechtshof oordeelt dat een betrokkene dezelfde compensatie dient te krijgen als een betrokkene die in het administratief beroep niet is bijgestaan door een professionele gemachtigde, ziet de kantonrechter aanleiding om de boete te matigen met 25% naar € 187,
- Blijkens de beslissing op het administratief beroep is het immers een bewuste en inmiddels structurele schending van de hoorplicht (zie het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2022:9934). Het beroep tegen de inleidende beschikking is gelet hierop gedeeltelijk gegrond en die beschikking zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald. Overschrijding redelijke termijn Iedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter tezamen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete. In dit geval is de boete opgelegd op 10 december 2022 en is de redelijke termijn dus met bijna zeven maanden overschreden. Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete van € 187,50, matigen met 25% naar € 140,63 (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Proceskostenvergoeding Nu de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten van de kantonfase, aangezien geen sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, zodat de kosten, gemaakt in het administratief beroep, niet voor vergoeding in aanmerking komen (zie ECLI:NL:GHARL:2025:2852). De proceskostenvergoeding is als volgt berekend: beroepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 907,- = € 453,50 zitting kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 907,- = € 453,50 totaal € 907,00 Beslissing De kantonrechter: verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep gegrond en vernietigt die beslissing; verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de boete wordt gewijzigd in € 140,63, plus € 9,- administratiekosten; draagt de officier van justitie op het bedrag van € 109,37 dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen; veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 907,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.H.C. van Eck, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en uitgesproken op 1 augustus
- Als u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als: de boete meer dan € 110,00 bedraagt, of uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld. Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 67, 4330 AB Middelburg Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde. U dient daarbij het zaaknummer te vermelden. De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten. Datum verzending: