RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02-036105-25 vonnis van de meervoudige kamer van 30 oktober 2025 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats] wonende te [woonadres] raadsman mr. W.N. Ramnun, advocaat te Breda 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 oktober 2025, waarbij de officier van justitie, mr. R.M.A. in ‘t Veld, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander in twee woningen heeft ingebroken en uit die woningen telkens een kluis met daarin geld, sieraden en documenten heeft weggenomen. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. 4.2 Het standpunt van de verdediging Met betrekking tot feit 1 stelt de verdediging zich op het standpunt dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om te komen tot een bewezenverklaring. De verkregen onderzoeksresultaten (de berichten en locatiegegevens uit de telefoon van verdachte) zijn onrechtmatig verkregen omdat is gehandeld in strijd met de Landeck-uitspraak. Daarom dient bewijsuitsluiting van die onderzoeksresultaten te volgen. Ook ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde stelt de verdediging zich op het standpunt dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om te komen tot een bewezenverklaring. Verdachte is niet herkend als bestuurder van het voertuig, had een gegronde reden om zich te bevinden aan de [straat 1] te [plaats 1] en was fysiek niet in staat om een inbraak te plegen. Verdachte heeft van meet af aan verklaard dat hij zijn voertuig uitleende aan verschillende personen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Betreffende het verweer dat door het onderzoeksteam is gehandeld in strijd met het Landeck-arrest en dat daarom de berichten en locatiegegevens uit de telefoon van verdachte onrechtmatig zijn verkregen en dit moet leiden tot bewijsuitsluiting van die gegevens, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt vast dat verdachte zelf toestemming heeft gegeven aan verbalisanten voor het onderzoek aan zijn telefoon en daartoe ook de pincode heeft afgegeven. Volgens de verdediging gold deze toestemming alleen voor wat betreft het onderzoek naar feit 2, waarvoor verdachte was aangehouden, en was geen sprake van onbeperkte toestemming. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval met het uitlezen van de telefoon van verdachte, waarbij inzicht is verkregen in uitgewisselde communicatie, foto’s in die communicatie en locatiegegevens, sprake is van een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte. Nu voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris daartoe ontbrak, constateert de rechtbank dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. Bij beantwoording van de vraag of aan dit verzuim rechtsgevolgen moeten worden verbonden, en zo ja welke, moet rekening worden gehouden met de in artikel 359a lid 2 Wetboek van Strafvordering (Sv) genoemde factoren, namelijk het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Bewijsuitsluiting als rechtsgevolg kan worden verbonden aan een vormverzuim in gevallen waarin het uitsluiten van bepaalde resultaten van het opsporingsonderzoek voor het bewijs noodzakelijk is om een schending van artikel 6 EVRM te voorkomen. Van een schending van artikel 6 van het EVRM is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake; het gaat om de schending van een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, te weten het recht op privacy zoals neergelegd in artikel 8 EVRM. In die gevallen geldt als belangrijk uitgangspunt dat de omstandigheid dat de verkrijging van onderzoeksresultaten gepaard is gegaan met een vormverzuim dat betrekking heeft op een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel dan het recht op een eerlijk proces, niet eraan in de weg staat dat die resultaten voor het bewijs van het ten laste gelegde feit worden gebruikt. Onder omstandigheden kan bewijsuitsluiting toch noodzakelijk worden geacht. Naar het oordeel van de rechtbank doet een dergelijke situatie zich hier niet voor. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat het een onderzoek naar ernstige strafbare feiten betrof. Zou een rechter-commissaris om toestemming zijn gevraagd voor onderzoek aan de telefoon zoals dat heeft plaatsgevonden, dan had deze die toestemming zonder nadere beperkingen kunnen geven. De verdachte is derhalve aldus beschouwd door het vormverzuim niet in een nadeliger positie geraakt. De ongerechtvaardigde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte tast bovendien de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal niet aan. Door de verdediging is niet betoogd welk concreet nadeel door de verdachte is geleden als gevolg van het onderzoek aan de telefoon. Daarbij heeft verdachte in eerste instantie ook zijn toestemming gegeven voor dit onderzoek. Dat verdachte vervolgens in verband is gebracht met andere strafbare feiten heeft ook niet te gelden als nadeel zoals hier bedoeld. De rechtbank zal om die reden geen consequenties verbinden aan het geconstateerde vormverzuim. De feiten Op 2 november 2024, omstreeks 18:00 uur werden twee personen gestoord bij een mogelijke inbraakpoging aan [adres 1] te [plaats 1] . Bij een inbraak op 3 november 2024 werd uit een woning aan [adres 2] te [plaats 2] een kluis gestolen met daarin sieraden, contant geld en documenten. Op 8 november vond een soortgelijke woninginbraak plaats in de woning aan [adres 3] te [plaats 1] , waarbij eveneens en ook bij die woninginbraak werd een kluis met sieraden, geld en documenten werd weggenomen. Uit telefoongegevens is vast komen te staan dat verdachte en [medeverdachte] op 2, 3 en 8 november 2024 afspraken maakten om samen op pad te gaan. Deze afspraken vinden plaats om en nabij de momenten dat de (poging) woninginbraken plaatsvinden. Zowel op 2, 3 en 8 november 2024 wordt bij de (poging) woninginbraken de grijze Volvo S40, de auto van verdachte, gezien. Bij de doorzoeking van de woning van [medeverdachte] op 8 november 2024 werden twee kluizen aangetroffen. Van de kluis met het cijferslot bleek dat die uit de woning aan [adres 2] te [plaats 2] was weggenomen. Ook werden in de woning van [medeverdachte] parelkettingen en een herenhorloge aangetroffen, die door [benadeelde 1] als bewoner van [adres 2] werden herkend als sieraden die in de kluis zaten en die op 3 november 2024 werden weggenomen. Ook werd op camerabeelden van de bewoner van [adres 4] gezien dat een grijze Volvo S40, de auto van verdachte, meerdere keren door die straat reed. Uit de locaties van de telefoon van verdachte bleek dat die rond hetzelfde tijdstip als zijn Volvo S40 in de nabijheid van de woning aan [adres 2] is geweest. Uit de gegevens van de telefoon blijkt eveneens dat verdachte eerst langs de woning van [medeverdachte] is gegaan alvorens er richting de [straat 2] is gereden. Dit komt ook overeen met het berichtje van [medeverdachte] naar verdachte “gas erop vanavond of niet”, welk berichtje door verdachte bevestigend werd beantwoord. Tot slot is nog gebleken dat er in de weggenomen kluis een geldbedrag zat van € 4.200,= en dat er twee dagen na de inbraak door [medeverdachte] een bedrag van € 3.000,- werd gestort op diens zakelijke bankrekening De rechtbank is op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat verdachte samen met [medeverdachte] op 3 november 2024 de woninginbraak aan [adres 2] te [plaats 2] heeft gepleegd. Ook de kluis van de woninginbraak op 8 november 2024 aan [adres 3] te [plaats 1] werd op de dag van de inbraak bij de doorzoeking van de woning van [medeverdachte] aangetroffen en in een vuurkorf werden papierresten aangetroffen met daarop onder meer de naam van aangever [benadeelde 2] . Ook werd op 8 november 2024 gezien dat in de berm van de [straat 3] te [plaats 1] een kluis lag en dat die kluis door de bijrijder van een grijze auto in de kofferbak werd gelegd. Tijdens het onderzoek werd de auto van verdachte, de grijze Volvo S40 met het [kenteken] , voorzien van een baken en werd die personenauto ook geobserveerd. Tijdens die observatie werd geconstateerd dat de Volvo S40 op het moment van de inbraak geparkeerd stond in de buurt van [adres 3] te [plaats 1] en dat er niemand in de auto zat. Kort daarna werd een lichtschijnsel in de achtertuin van [adres 3] waargenomen. Tijdens de observatie werd [medeverdachte] herkend als de bijrijder van de Volvo S40 en werd ook gezien dat het [medeverdachte] was die een kluis achterin de Volvo S40 heeft gelegd, hetgeen door [medeverdachte] ook is bekend. Daarna werd waargenomen dat de Volvo S40 naar het adres van [medeverdachte] reed, aan de [straat 4] te [plaats 1] en daarna werd geparkeerd op [straat 5] te [plaats 1] . Vervolgens werd gezien dat verdachte via [straat 5] naar het woonwagenkamp aan de [straat 4] te [plaats 1] liep. Niet veel later werd verdachte aangehouden in de Volvo S40 en werd in de auto inbrekersgereedschap aangetroffen. De rechtbank is op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat ook feit 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank overweegt hierbij nog dat het moment dat de kluis door verdachte en [medeverdachte] werd opgehaald op de [straat 3] te [plaats 1] zeer korte tijd na de woninginbraak op 8 november 2024 was en dat indien een verdachte kort na een inbraak wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij het strafbare feit duiden, het uitblijven van een aannemelijk scenario in voor de verdachte nadelige zin mag meewegen bij de beoordeling van het medeplegen van die inbraak. Het door verdachte gegeven alternatieve scenario dat er iemand anders in zijn auto gereden zou hebben, omdat hij zijn auto aan meerdere mensen uitleent en dat hij zijn telefoon in zijn auto had laten liggen, is door verdachte op geen enkele wijze onderbouwd. Gelet op het voorgaande zal het alternatief scenario als niet aannemelijk worden gepasseerd. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1op 3 november 2024 te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met een ander in een woning aan [adres 2] , alwaar verdachte en zijn mededader zich buiten weten van derechthebbende bevonden, een kluis (met sieraden en geld en documenten), die aan [benadeelde 1] en [benadeelde 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot deplaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen kluis (met sieraden en geld en documenten) onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak en verbreking, en inklimming; 2op 8 november 2024 te [plaats 1] , gemeente Breda, tezamen en in vereniging met een ander in een woning aan [adres 3] , alwaar verdachte en zijn mededader zich buiten weten vande rechthebbende bevonden, een kluis met daarin geld en sieraden en documenten, die aan [benadeelde 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot deplaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen kluis met daarin geld en sieraden en documenten onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking, en inklimming; De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten verbeterd, waarbij bij de feiten 1 en 2 het woord ‘de’ aan de tenlastelegging is toegevoegd. Naar het oordeel van de rechtbank is de verdachte door deze taalkundige verbetering van de tenlastelegging niet geschaad in de verdediging. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast vordert de officier van justitie op te leggen de maatregel ex artikel 38v Sr, namelijk dat verdachte voor de duur van vijf jaar zich niet zal ophouden in de buurt van de [straat 2] te [plaats 2] en dat de duur van de vervangende hechtenis 1 week bedraagt voor elke keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. 6.2 Het standpunt van de verdediging Met betrekking tot een aan verdachte op te leggen straf heeft de verdediging verzocht om rekening te houden met het feit dat de onderzoeksresultaten middels het voornoemde verzuim zijn verkregen en betoogd dat strafvermindering op zijn plaats is. Voorts heeft de verdediging verzocht rekening te houden met het over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport, waaruit blijkt dat er nu sprake is van een stabiele huisvesting en dagbesteding. Ten aanzien van de gevorderde maatregel ex artikel 38v Sr heeft de verdediging verzocht deze niet op te leggen nu de grondslag daarvoor ontbreekt. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van twee woninginbraken, waarbij in beide gevallen de gehele kluis met inhoud werd meegenomen. De rechtbank tilt aan deze feiten bijzonder zwaar, met name door de impact die een woninginbraak heeft op de bewoners/slachtoffers. Bij de bewezenverklaarde woninginbraken zijn telkens vooral sieraden buitgemaakt en juist dit zijn goederen die vaak kostbaar zijn en bovendien een grote emotionele waarde hebben. Dat blijkt ook uit de slachtofferverklaring van [benadeelde 1] . Van haar werden niet alleen haar eigen sieraden ontvreemd, maar ook sieraden van haar overleden schoonmoeder. Het gaat om sieraden waar men aan gehecht is, die zijn gekregen bij een speciale gelegenheid of waar men bijzondere herinneringen aan heeft. Ook werden forse bedragen aan contant geld weggenomen, waardoor de financiële impact voor de slachtoffers nog groter werd. Daarnaast zijn er bij de slachtoffers nog de gevoelens van angst die zij hebben gekregen door de woninginbraken. Die angst komt vooral voort uit de wetenschap dat een vreemde hun huis is binnengedrongen, juist de plek waar je, zoals in het geval van [benadeelde 1] , al 44 jaar zorgeloos hebt gewoond en waar je je altijd veilig hebt gevoeld. Dat gevoel van veiligheid verdwijnt door dit soort feiten volledig. Bij de slachtoffers blijft naast de gevoelens van angst nog woede en frustratie over en wordt het dagelijkse leven nog steeds beïnvloed door hetgeen verdachte hen heeft aangedaan. Dat is ook de reden dat voor dit soort feiten doorgaans forse gevangenisstraffen worden opgelegd en dat blijkt ook uit de LOVS-oriëntatiepunten, waar 3 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor een woninginbraak het uitgangspunt is. In het geval van verdachte zijn er naar het oordeel van de rechtbank daarnaast nog strafverzwarende omstandigheden, zoals die hiervoor al zijn benoemd. Ook houdt de rechtbank bij de strafbepaling in het nadeel van verdachte rekening met zijn proceshouding. De rechtbank heeft kunnen constateren dat verdachte enkel en alleen wilde verklaren met betrekking tot de feiten waar hij echt niet omheen kon en die verklaring was dan ook nog onaannemelijk. Door de reclassering is over verdachte een voorlichtingsrapport uitgebracht en daaruit blijkt dat verdachte voor dergelijke feiten niet eerder in beeld is geweest bij justitie. Bij de reclassering bestaan er wel zorgen over de vele recente politiemutaties. Door de proceshouding van verdachte heeft de reclassering geen gedegen delictanalyse kunnen opmaken, noch beschermende of risicofactoren kunnen vaststellen. Wel zijn er zorgen over de financiën, het sociale netwerk en het psychosociaal functioneren van verdachte. Verdachte staat wel open voor schuldhulpverlening en psychologische ondersteuning en de reclassering ziet verschillende aanknopingspunten om bijzondere voorwaarden te adviseren. Op grond van het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien en gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, is de rechtbank van oordeel dat het opleggen aan verdachte van een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden passend en geboden is. Van die gevangenisstraf zal de rechtbank 3 maanden voorwaardelijk opleggen, als stok achter de deur en om verdachte ervan te weerhouden om zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. Daarnaast zal de rechtbank aan die voorwaardelijke straf ook de bijzondere voorwaarden verbinden, zoals die door de reclassering worden geadviseerd. Het opleggen aan verdachte van de maatregel ex artikel 38v Sr in de vorm van een locatieverbod, acht de rechtbank niet opportuun. Een dergelijke vrijheidsbeperkende maatregel dient ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten en de rechtbank is van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat de slachtoffers in deze zaak in de toekomst zullen worden lastiggevallen door verdachte. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet. 7De benadeelde partij 7.1 De benadeelde partij [benadeelde 1] . De benadeelde [benadeelde 1] vordert een schadevergoeding van € 18.487,25 voor feit 1, waarvan € 700,= aan immateriële schade. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank deels toewijsbaar. De materiële schade Betreffende de materiële schade als gevolg van het wegnemen van sieraden, heeft de benadeelde partij ter onderbouwing bonnen en foto’s overgelegd. Betreffende de sieraden waarvan de benadeelde een bon of foto heeft overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat de schade voldoende aannemelijk is gemaakt. Dit komt dan neer op een schadebedrag van € 14.477,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.