RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 24/7946 tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2025 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] (Duitsland), belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 14 november 2024. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting (IB) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.157 (de aanslag). Gelijktijdig met de vaststelling van deze aanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende € 676 belastingrente vergoed (de belastingrentebeschikking). 1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 7 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] en mr. [inspecteur 3] . Namens belanghebbende is niemand verschenen. 1.4. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Belanghebbende is via het systeem Mijn Rechtspraak op 6 juni 2025, om 9:54 uur, onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd de zitting bij te wonen. Daarbij is belanghebbende de mogelijkheid geboden om via een digitale beeldverbinding aan de zitting deel te nemen. Belanghebbende heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Van de plaatsing van genoemd bericht is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 6 juni 2025 heeft ontvangen. De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de aanslag en de belastingrentebeschikking tot de juiste bedragen heeft vastgesteld. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op het IB-deel van de algemene heffingskorting. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. Naar het oordeel van de rechtbank is het op basis van de huidige jurisprudentie niet duidelijk of belanghebbende (gedeeltelijk) recht heeft op het IB-deel van de algemene heffingskorting. Voor de beoordeling is het antwoord van de prejudiciële vragen van de Hoge Raad van 18 juli 2025 relevant. De rechtbank heropent daarom het onderzoek en houdt de zaak aan totdat het Hof van Justitie antwoord heeft gegeven op de prejudiciële vragen van de Hoge Raad. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 3. Belanghebbende woonde in 2021 met haar echtgenoot in Duitsland. 3.1. Belanghebbende heeft een aangifte IB voor het jaar 2021 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.167. Het belastbaar inkomen bestaat geheel uit een arbeidsongeschiktheidsuitkering. In de aangifte heeft belanghebbende aangegeven dat zij een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is en in 2021 in Duitsland geen inkomstenbelasting verschuldigd is vanwege de geringe hoogte van haar inkomen. 3.2. Belanghebbende heeft een door de Duitse belastingdienst ondertekende inkomensverklaring overgelegd waarin onder ‘Einkünfte, die nicht in den Niederlanden besteuert werden’ een inkomen van € 25.748 is vermeld, bestaande uit het belastbare deel van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in Duitsland van € 8.026 en niet in Nederland belaste inkomsten uit vermogen van € 17.722. 3.3. Naar aanleiding van telefonisch contact over de afdoening van de aangifte heeft belanghebbende de aan haar en haar echtgenoot gezamenlijk opgelegde Duitse aanslag voor het jaar 2021 overgelegd. Op de Duitse aanslag staan de volgende gegevens: 3.4. Bij e-mail van 22 augustus 2024 heeft de inspecteur belanghebbende geïnformeerd dat hij voornemens is af te wijken van de aangifte omdat belanghebbende geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is, met als gevolg dat belanghebbende geen recht heeft op (het inkomstenbelastingdeel van) de algemene heffingskorting. 3.5. De inspecteur heeft de aanslag voor het jaar 2021 dienovereenkomstig vastgesteld. Er zijn geen heffingskortingen aan belanghebbende toegekend. 3.6. De partner is in 2021 aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige in Nederland. Overwegingen 4. Tussen partijen is – terecht - niet in geschil dat belanghebbende niet als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige in de zin van artikel 7.8, lid 6, van de Wet IB 2001 kan worden aangemerkt omdat haar inkomen, ook niet tezamen met dat van haar partner, niet geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan inkomstenbelasting (het 90%-criterium). Dat betekent dat zij op grond van de Nederlandse wetgeving geen recht heeft op het belastingdeel van de algemene heffingskorting. 4.1. Belanghebbende vindt dat zij wordt gediscrimineerd door de wettelijke regels. Belanghebbende voert daartoe aan dat in Nederland wonende belastingplichtigen recht hebben op de algemene heffingskorting zonder dat naar inkomen uit vermogen wordt gekeken, terwijl die inkomsten bij haar wel in aanmerking worden genomen voor het antwoord op de vraag of zij een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is en dus of zij recht heeft op de heffingskorting. Dat onderscheid vindt belanghebbende discriminerend. 4.2. De rechtbank stelt bij haar beoordeling het volgende voorop. Uit de zogenoemde Schumacker-rechtspraak en de daarop volgende jurisprudentie over uitleg van het Unierecht volgt dat ingezetenen en niet-ingezetenen zich in de regel niet in vergelijkbare situaties bevinden. Een lidstaat mag daarom bepaalde belastingvoordelen met betrekking tot de persoonlijke en gezinssituatie in beginsel wel aan haar ingezetenen verlenen zonder dat deze belastingvoordelen ook aan de niet-ingezetenen ter beschikking staan. Dat onderscheid is in de regel niet discriminerend. Als uitgangspunt is het dus niet discriminerend dat voor binnenlandse belastingplichtigen andere voorwaarden en tegemoetkomingen gelden als voor buitenlandse belastingplichtigen. 4.3. Dit is anders in een geval waarin (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.