← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2025:7517

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/436679 / JE RK 25-1106 Datum uitspraak: 31 juli 2025 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling in de zaak van DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1] , advocaat mr. J. Nederlof te Tilburg, [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats 2] , advocaat mr. A. Mudde-Zeevaart te Tilburg. De kinderrechter merkt als informant aan: STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Tilburg, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI). 1Het verloop van de procedure 1.

  1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen van 18 juni 2025, ontvangen op 18 juni 2025; het definitieve onderzoeksrapport met bijlagen van de Raad van 25 juni 2025, ontvangen op 27 juni 2025; de brief met bijlagen van mr. Mudde-Zeevaart van 28 juli 2025, ontvangen op 28 juli
  2. 1.
  3. De zitting heeft, met gesloten deuren, plaatsgevonden op 30 juli
  4. Daarbij waren aanwezig: de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de vader, bijgestaan door zijn advocaat; - een vertegenwoordigster van de Raad; - een vertegenwoordigster van de GI. 1.
  5. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2De feiten 2.
  6. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 2.
  7. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder. 3Het verzoek 3.
  8. De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4De standpunten De Raad 4.
  9. Ter onderbouwing van het verzoek voert de Raad, samengevat, het volgende aan. De ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn sinds 2023 uit elkaar. Bij beschikking van deze rechtbank van 12 december 2023 is een voorlopige zorgregeling vastgesteld. In april 2025 heeft er een incident plaatsgevonden bij de vader thuis. Sindsdien wordt de zorgregeling niet meer nageleefd en gaan de kinderen niet meer zoals voorheen naar de vader. Inmiddels zijn er wel twee contactmomenten geweest, maar na het laatste contact is dit weer stil komen te liggen. De Raad maakt zich zorgen over de situatie. De relatie tussen de ouders staat onder druk, waardoor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al lange tijd opgroeien in een gespannen thuissituatie. De ouders slagen er niet in gezamenlijk om afspraken te maken over wat de jongens nodig hebben. Hoewel beide ouders aangeven het beste voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te willen, worden de jongens belast door de situatie. Hun sociaal-emotionele ontwikkeling wordt ernstig bedreigd, mede door gevoelens van onveiligheid in het contact met hun vader en de spanningen en zorgen die zij mogelijk meekrijgen of aanvoelen vanuit hun moeder. Beide ouders tonen bereidheid tot samenwerking met hulpverlening. Zo hebben zij een UHA-traject gevolgd maar dit heeft niet tot resultaten geleid. Het lukt de ouders niet om zelfstandig de spanningen en zorgen weg te nemen. Daarbij zijn zij het niet eens over de oorzaken van de problematiek en over wat nodig is om de situatie te verbeteren. Op dit moment ontbreekt het aan voldoende zicht op beide opvoedsituaties om de zorgen goed in kaart te brengen en aan te pakken. Regievoering en monitoring is hierbij noodzakelijk. 4.
  10. De Raad acht het van belang dat de GI snel betrokken raakt om de noodzakelijke hulp te organiseren en te coördineren. Met name omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] momenteel geen regulier contact hebben met hun vader en de Raad dat wel erg in hun belang acht. De zorgregeling moet zo snel mogelijk worden hervat. De Raad adviseert tijdens de zitting om afspraken te maken over een voorlopige contactregeling gedurende de zomervakantie. Na de zomervakantie kan dan worden aangesloten bij het door de Raad voorgestelde opbouwschema. Naast de invulling van de zorgregeling is er behoefte aan gerichte ondersteuning bij zowel de kinderen als de ouders. Het is belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet langer emotioneel belast worden door de spanningen tussen hun ouders en dat gevoelens van onveiligheid worden voorkomen. De kinderen hebben baat bij een stabiele en voorspelbare omgeving, waarin zij zich vrij kunnen voelen om van beide ouders te mogen houden en zij daar ook van mogen genieten. Professionele hulpverlening voor de kinderen is noodzakelijk, waaronder het inzetten van bijvoorbeeld een kindbehartiger of speltherapie, zodat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geholpen worden bij het herkennen en uiten van hun gevoelens en bij het begrijpen van de situatie waarin zij zich bevinden. Daarnaast is het belangrijk dat er bij beide ouders zicht komt op hun opvoedsituatie. De ouders moeten worden ondersteund in het geven van emotionele toestemming aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] : hen de ruimte geven om het ook bij de andere ouder goed te mogen hebben. De ouders hebben hierin een belangrijke rol, ook als het gaat om het omgaan met uitspraken van de kinderen over de andere ouder. Waar mogelijk is afstemming van de aanpak binnen beide opvoedsituaties wenselijk. Ook is het van belang dat beide ouders professionele ondersteuning accepteren bij het tot stand brengen van de minimale communicatie die nodig is om gezamenlijk beslissingen te nemen, om afspraken te maken over de zorgregeling en voor het uitwisselen van informatie over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Betrokkenheid van een gecertificeerde instelling is hierbij noodzakelijk. Gelet op het voorgaande verzoekt de Raad om een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar. De moeder 4.
  11. Door en namens de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij achter het verzoek tot ondertoezichtstelling staat. Zij kan zich vinden in de doelen die door de Raad zijn geformuleerd. Er zijn veel spanningen tussen haar en de vader. Na het kort geding in juni hebben de ouders de opdracht gekregen om zelf aan de slag te gaan met het opbouwen van het contact tussen de vader en [minderjarige 1] . Ondanks inspanningen is dit niet gelukt. De moeder geeft aan dat zij [minderjarige 1] actief probeert te stimuleren om naar zijn vader te gaan omdat zij het contact tussen hen belangrijk vindt. Tegelijkertijd ontvangt zij signalen van [minderjarige 1] over eerdere contactmomenten, die ertoe hebben geleid dat hij op dit moment niet meer naar zijn vader wil. De moeder benadrukt dat zij [minderjarige 1] probeert te stimuleren maar dat zij hem hierin niet kan dwingen. Daarnaast is de verstandhouding tussen de ouders ernstig verstoord, wat maakt dat er nauwelijks of geen communicatie tussen hen mogelijk is. Dit belemmert het maken van afspraken en het gezamenlijk zoeken naar oplossingen. Het is noodzakelijk dat hierin een weg gevonden wordt maar dat lukt op dit moment niet zonder hulp. De moeder geeft aan dat het op dit moment dan ook niet mogelijk is om tot een voorlopige contactregeling te komen. De situatie is te complex om afspraken te maken die ook daadwerkelijk kunnen worden nagekomen. Als er nu geen goede basis wordt gelegd, vreest zij dat dit in de toekomst schadelijk zal zijn voor de relatie tussen de vader en [minderjarige 1] . Betrokkenheid van de GI is daarom op korte termijn noodzakelijk. De vader 4.
  12. Door en namens de vader is, samengevat, het volgende aangegeven. De vader erkent dat er sprake is van spanningen. Hij ervaart veel strijd en spanning vanuit de moeder richting hem en zijn systeem. Volgens de vader worden er regelmatig uitspraken gedaan en aannames geuit die volgens hem niet overeenkomen met wat er feitelijk gebeurt. Hij wil graag de kans krijgen om zijn rol als ouder op een goede manier op te pakken maar op dit moment lukt dat niet. De vader geeft aan het lastig te vinden dat de moeder bepaalde zaken met [minderjarige 1] bespreekt, terwijl hierover tussen de ouders nog geen afspraken zijn gemaakt. Wanneer er een voorstel is voor een contactmoment, lijkt het voor [minderjarige 1] een definitieve afspraak. Als de vader vervolgens aangeeft niet te kunnen, heeft [minderjarige 1] het gevoel dat zijn vader hem heeft laten zitten. Het is belangrijk dat er eerst tussen de ouders hierover afstemming plaatsvindt. De vader wil graag weer het contact opbouwen met [minderjarige 1] maar hij ervaart dat hij daar nu geen ruimte voor krijgt. Na twee contactmomenten, die goed zijn verlopen, is het contact weer stopgezet. De Raad heeft een opbouwregeling voorgesteld, en de vader heeft geprobeerd deze in gang te zetten, maar er komt geen medewerking om de regeling uit te voeren. De vader heeft aangegeven graag afspraken te maken tijdens de zitting over een voorlopige contactregeling voor de zomervakantie. In het vrijwillige kader komt het contact niet van de grond. Regievoering is hierbij noodzakelijk. Hij staat achter het verzoek tot ondertoezichtstelling. De doelen die de Raad heeft geformuleerd zijn volgens de vader goed. Hulpverlening voor de kinderen is al wel ingeschakeld, [naam] zal als kindbehartiger starten. De vader ondersteunt het verzoek tot ondertoezichtstelling maar benadrukt het belang dat er op korte termijn een jeugdbeschermer bij hen wordt betrokken. Het is belangrijk dat er snel weer contactopbouw plaatsvindt; dit kan niet nog maanden op zich laten wachten omdat er nog geen jeugdbeschermer beschikbaar is. De GI 4.
  13. Door de GI is tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij bereid is om de ondertoezichtstelling uit te voeren. Door de wachtlijst kan zij echter niet direct aan de slag gaan. Het is nog onbekend wanneer er een (vaste) jeugdzorgwerker beschikbaar is. Dat zal niet op korte termijn zijn. Voorlopig zal zij dus geen regie kunnen voeren in deze zaak. 5De beoordeling 5.
  14. Op grond van artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. 5.
  15. Uit de overgelegde stukken en uit hetgeen is besproken tijdens de zitting blijkt dat de ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] sinds 2023 uit elkaar zijn. Bij beschikking van deze rechtbank van 12 december 2024 is een voorlopige zorgregeling vastgesteld. In april 2025 heeft er een incident plaatsgevonden tussen [minderjarige 1] en de vader. Hierna is de zorgregeling niet langer nageleefd en is het contact tussen de vader en de kinderen volgens de afgesproken regeling gestopt. Hoewel er nadien twee contactmomenten hebben plaatsgevonden, is het contact daarna niet meer van de grond gekomen. De kinderen groeien al geruime tijd op in een gespannen thuissituatie. De verstandhouding tussen de ouders is ernstig verstoord en zij slagen er niet in om gezamenlijk afspraken te maken over wat de kinderen nodig hebben. De kinderen worden structureel belast door de situatie. 5.
  16. De kinderrechter is van oordeel dat het vorenstaande een zeer zorgelijke situatie is. Er dienen op korte termijn structurele en blijvende veranderingen plaats te gaan vinden als het gaat om het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Er moet snel gewerkt gaan worden aan het opbouwen van het contact tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Tijdens de zitting is de mogelijkheid voor een voorlopige contactregeling voor de zomervakantie besproken. Het is echter gebleken dat het op dit moment niet haalbaar is om hier concrete afspraken over te maken. Gezien de complexiteit van de situatie is het van belang dat dit zorgvuldig tot stand komt. De kinderrechter zal daarom geen voorlopige contactregeling voor de zomervakantie vaststellen. 5.
  17. De ouders geven aan achter het verzoek tot ondertoezichtstelling te staan en zich te kunnen vinden in de gestelde doelen. Tijdens de zitting is gebleken dat de beoogde gecertificeerde instelling, de Stichting Jeugdbescherming Brabant, een lange wachtlijst heeft en dat de GI niet per direct of op korte termijn een jeugdbeschermer beschikbaar heeft. De kinderrechter acht het van groot belang dat, bij een eventuele toewijzing van de ondertoezichtstelling, de maatregel zo snel mogelijk kan worden opgepakt. De kinderrechter beschouwt deze zaak als een code rood-zaak, waarin snel handelen noodzakelijk is. Om die reden wordt de beslissing aangehouden tot donderdag 14 augustus
  18. 5.
  19. De kinderrechter verzoekt de Raad om bij het Leger des Heils na te gaan of zij op korte termijn een jeugdbeschermer beschikbaar hebben die de zaak kan oppakken. De Raad wordt verzocht om hierover uiterlijk op woensdag 6 augustus 2025 te berichten. De ouders krijgen vervolgens de gelegenheid om hierop schriftelijk te reageren, uiterlijk op maandag 11 augustus
  20. 5.
  21. Indien het Leger des Heils beschikbaar is om de ondertoezichtstelling uit te voeren, zal de zaak verder schriftelijk worden afgedaan, met de benoeming van het Leger des Heils als gecertificeerde instelling. Mocht blijken dat dit niet mogelijk is dan zal de kinderrechter de Stichting Jeugdbescherming Brabant benoemen als gecertificeerde instelling, in de verwachting dat zij eveneens met spoed de zaak zal oppakken. Ook in dat geval zal de zaak schriftelijk worden afgedaan, met benoeming van de Stichting Jeugdbescherming Brabant als uitvoerende gecertificeerde instelling. 5.
  22. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 6De beslissing De kinderrechter: 6.
  23. houdt de behandeling van het verzoek aan tot donderdag 14 augustus 2025, in afwachting van het bericht van de Raad; 6.
  24. verzoekt de Raad om uiterlijk op woensdag 6 augustus 2025 een reactie uit te brengen, zoals hiervoor is overwogen in r.o. 5.5-5.6; 6.
  25. verzoekt de advocaten van de ouders om uiterlijk op maandag 11 augustus 2025 een schriftelijke reactie te geven op het bericht van de Raad, zoals hiervoor is overwogen in r.o. 5.5-5.
  26. 6.
  27. behoudt zich verder iedere beslissing voor.
  28. Deze beschikking is gegeven door mr. Bogaert, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2025, in tegenwoordigheid van mr. Van Krieken, griffier. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.