Rechtbank Zeeland-West-Brabant – ECLI:NL:RBZWB:2025:7568
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 23/141 uitspraak van de meervoudige kamer van 5 november 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats 1] , eiser, (gemachtigde: mr. P.G. Grijpstra), en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, de minister, vertegenwoordigd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).
Als derde-belanghebbende is in het geding betrokken: de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid).
Procesverloop 1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van de minister van 29 november 2022 (bestreden besluit) over het opleggen van bestuurlijke boetes vanwege verschillende overtredingen van de Meststoffenwet (Msw) in het jaar 2017, tot een bedrag van in totaal € 31.853,70.
Beoordeling door de rechtbank 5. In 2017 had eiser een melkveehouderij met een stal aan [adres] met gemiddeld 195 melkkoeien en 88 stuks jongvee, en 53,31 hectare landbouwgrond.
Daarnaast kreeg eiser een waarschuwing voor het niet naar waarheid opmaken van een aantal vervoersbewijzen dierlijke meststoffen. De boetes zijn gematigd met 10% vanwege de overschrijding van de redelijke beslistermijn.
Wettelijk kader 11. De tekst van de relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete 12. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete bestaat slechts voor zover zij bij of krachtens de wet is verleend. In artikel 51 van de Msw is opgenomen dat de minister een bestuurlijke boete kan opleggen ter zake van overtreding van het bepaalde bij of krachtens onder meer de artikelen 7, en 21, eerste lid, en 31a, eerste lid, van de Msw.
De overtredingen in 2017 volgens de minister 16. Voor het bedrijf van eiser gold in 2017 een gebruiksnorm dierlijke meststoffen van 170 kg stikstof per hectare. Eiser had 53,29 hectare gras- en bouwland. Voor hem gold in 2017 dus een gebruiksnorm dierlijke mest van 9.059 kg stikstof.
Eiser heeft in 2017 22.770 kg stikstof geproduceerd. Daarvan is 3.224 kg afgevoerd. Zijn beginvoorraad was 19.545 kg. Zijn eindvoorraad was 27.014 kg. Eiser heeft dus 7.469 kg stikstof opgeslagen.
Dit zou betekenen dat eiser in 2017 (22.770 – (3.224 + 7.469) =) 12.077 kg stikstof uit dierlijke mest heeft uitgereden. Dat is dus (12.077 – 9.059 =) 3.018 kg te veel, aldus de minister.
Eiser heeft in 2017 7.638 kg fosfaat geproduceerd. Voor de regio Zuid gold een verwerkingspercentage van 59%. Dit betekent dat eiser in 2017 een mestverwerkingsplicht van 1.941 kg fosfaat had. Eiser moest dus 1.941 kg fosfaat in dierlijke mest afvoeren van zijn bedrijf en elders laten verwerken.
Eiser heeft in 2017 887 kg fosfaat in dierlijke mest af laten voeren. Dit betekent dat hij (1.941 – 887 =) 1.054 kg fosfaat te weinig heeft verwerkt/afgevoerd, aldus de minister.
Aan het bedrijf van eiser is een melkveefosfaatreferentie verleend van 2.696 kg fosfaat. Het melkveefosfaatoverschot van eiser bedroeg in 2017 (productie 7.638 – ruimte 4.349 – referentie 2.696 =) 593 kg.
In het kader van de VGM moest 41% daarvan nog extra verwerkt worden (naast de 59% van de gewone verwerkingsplicht). Dat is 243 kg fosfaat. Nu niet aan de gewone verwerkingsplicht is voldaan, is ook zeker niet aan de verwerkingsplicht VGM voldaan, aldus de minister.
Het geschil tussen partijen 18. Partijen verschillen van mening over de hoeveelheid mest die is afgevoerd in 2017 en het stikstofgehalte van twee vrachten afgevoerde mest.
De afvoer van dierlijke meststoffen op 28 september 2017 19. Tussen partijen is in geschil of op 28 september 2017 drie vrachten met in totaal 109.500 kg vaste stalmest zijn afgevoerd van het bedrijf van eiser.
De drie vrachten zijn volgens de vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (VDM) op 28 september 2017 opgehaald bij eiser en vervoerd naar afnemer [bedrijf 1] BVBA te [plaats 2] in België door intermediair [bedrijf 2] B.V. met een vrachtwagen met [kenteken 3] .
De RVO heeft van deze drie vrachten geen laad- en losberichten ontvangen.
Op 27 september 2017 om 15:38 uur heeft de meldkamer van de NVWA een storingsmelding code 55 ontvangen van [bedrijf 2] B.V. ten aanzien van de aanhanger met [kenteken 4] . Code 55 betekent dat de AGR/GPS-apparatuur niet adequaat functioneert. Verder is telefonisch doorgegeven aan de meldkamer dat op 27 september 2017 drie vrachten met vaste mest zijn opgehaald bij eiser met een vrachtwagen met [kenteken 3] en afgeleverd bij [bedrijf 1] BVBA in België.
Bij de RVO waren in 2017 op naam van [bedrijf 2] B.V. voor het vervoer van vaste mest vier vrachtwagencombinaties geregistreerd. Deze voertuigen zijn voorzien van AGR/GPS-apparatuur. Eén van de vrachtwagencombinaties is voorzien van de kentekens [kenteken 3] (trekkend voertuig) en [kenteken 4] (aanhanger).
Daaruit blijkt dat de vrachtwagen met [kenteken 3] op deze dagen wel degelijk heeft gereden, maar niet in de buurt van het bedrijf van eiser in [plaats 1] is geweest en ook niet in de buurt van het bedrijf van de opgegeven afnemer in België. Ook twee andere vrachtwagencombinaties van [bedrijf 2] B.V. ( [kentekens 1] en [kentekens 2] die op 27, 28 en 29 september 2017 werden gebruikt, zijn niet in de buurt van het bedrijf van eiser geweest. Uit de naar aanleiding van de heropeningsbeslissing overgelegde verklaring van de toezichthouder van 10 april 2025 blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende dat de vrachtwagencombinatie van [bedrijf 2] B.V. met kentekens [kenteken 1] / [kenteken 2] de drie vrachten niet heeft kunnen afvoeren, omdat uit de track and trace gegevens ten aanzien van die vrachtwagencombinatie ook is gebleken dat deze op 28 september 2017 niet in de buurt van het bedrijf van eiser is geweest.
De afvoer van dierlijke meststoffen op 27 september 2017 26. Tussen partijen is verder in geschil wat het stikstof- en fosfaatgehalte is van twee vrachten met in totaal 66.200 kg vaste stalmest, die op 27 september 2017 zijn afgevoerd van het bedrijf van eiser.
De hoogte van de bestuurlijke boetes 36. De hoogte van de bestuurlijke boete is vastgelegd in artikel 57 van de Msw. De rechtbank stelt vast – en eiser bestrijdt niet – dat de hoogtes van de boetes in overeenstemming met artikel 57 zijn bepaald. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser verklaard dat er geen bijzondere omstandigheden zijn in de zin van artikel 5:46, derde lid, van de Awb, die aannemelijk maken dat de vastgestelde boete te hoog is.
Redelijke termijn 37. De rechtbank overweegt dat in punitieve zaken het uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties in beginsel is overschreden als die procedure in haar geheel langer duurt dan twee jaar.
De conclusie 40. De door eiser tegen het bestreden besluit aangevoerde beroepsgronden slagen niet. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen voor zover het de hoogte van de boetes betreft en het boetebesluit herroepen voor zover het de hoogte van de boetes betreft. Verder zal de rechtbank de boetes vaststellen op € 22.297,59 en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.
Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 29 november 2022, voor zover het de hoogte van de boetes betreft; herroept het boetebesluit van 12 oktober 2021, alleen voor zover het de hoogte van de boetes betreft; stelt de boetes vast op € 22.297,59; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit; veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 226,75; bepaalt dat de griffier van de rechtbank het in beroep betaalde griffierecht van € 184,- terugbetaalt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, voorzitter, en mr. L.P. Hertsig en mr. T.I. van Term, leden, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 5 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Wettelijk kader Algemene wet bestuursrecht (Awb) Artikel 5:41 Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.
Artikel 5:46, derde lid Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
Meststoffenwet (Msw) Artikel 1, eerste lid, onder g In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder landbouw: akkerbouw, veehouderij (…) Artikel 7 Het is verboden in enig kalenderjaar op een bedrijf meststoffen op of in de bodem te brengen.
Artikel 8 Het in artikel 7 gestelde verbod geldt niet indien de op of in de landbouwgrond gebrachte hoeveelheid meststoffen in het desbetreffende jaar geen van de volgende normen overschrijdt: de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen; de stikstofgebruiksnorm voor meststoffen; de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen.
Artikel 9, eerste lid De gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 8, onderdeel a, is 170 kilogram stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond.
Artikel 21, eerste en tweede lid Het is een landbouwer verboden op zijn bedrijf in enig kalenderjaar fosfaat met melkvee te produceren.
Het eerste lid is, onverminderd artikel 33a, niet van toepassing op een landbouwer die in het desbetreffende kalenderjaar: op zijn bedrijf minder dan 250 kilogram fosfaat met melkvee produceert, op zijn bedrijf geen bedrijfsoverschot produceert, op zijn bedrijf geen melkveefosfaatoverschot produceert, 100%, verminderd met het percentage, bedoeld in artikel 33a, tweede lid, onderdeel b, van het melkveefosfaatoverschot:
Het eerste lid is niet van toepassing op een landbouwer die in het desbetreffende kalenderjaar: op zijn bedrijf geen bedrijfsoverschot produceert; een hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, minimaal gelijk aan een door Onze Minister voor het desbetreffende kalenderjaar vastgesteld percentage van het op zijn bedrijf geproduceerde bedrijfsoverschot:
Artikel 57, eerste lid 1. In geval van overtreding van artikel 7 bedraagt de bestuurlijke boete: € 7 per kilogram stikstof waarmee de in artikel 8, onderdeel a, bedoelde gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen is overschreden, vermeerderd met € 7 per kilogram stikstof waarmee de in artikel 8, onderdeel b, bedoelde stikstofgebruiksnorm is overschreden, en vermeerderd met € 11 per kilogram fosfaat waarmee de in artikel 8, onderdeel c, bedoelde fosfaatgebruiksnorm is overschreden.
Artikel 58a In geval van overtreding van artikel 21, eerste lid, bedraagt de bestuurlijke boete € 11 per kilogram fosfaat ten aanzien waarvan de landbouwer niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 21, tweede lid, onderdeel d.
Artikel 59, eerste lid In geval van overtreding van artikel 33a, eerste lid, bedraagt de bestuurlijke boete € 11 per kilogram fosfaat ten aanzien waarvan de landbouwer niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 33a, tweede lid, onderdeel b.
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, tekst 2017 Artikel 54 Het vervoer van dierlijke meststoffen vindt uitsluitend plaats, indien de in artikel 53 bedoelde apparatuur zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang adequaat functioneert.
Het eerste lid is niet van toepassing op het vervoer van dierlijke meststoffen middels een transportvoertuig, indien het niet adequaat functioneren van de apparatuur is veroorzaakt door een storing die door de vervoerder terstond telefonisch is gemeld aan meldkamer van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en indien de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit toestemming heeft verleend voor het vervoer.
De in het tweede lid bedoelde toestemming kan ten hoogste voor een periode van 24 uur worden verleend en kan de verplichting inhouden van het vervoer elektronisch of telefonisch mededeling te doen voordat het laden van het transportmiddel plaatsvindt, waarbij de gegevens, bedoeld in artikel 58, tweede lid, worden verstrekt.
Artikel 55, vierde lid De vervoerder draagt er zorg voor dat op het tijdstip van het laden en het lossen van drijfmest door de AGR-apparatuur de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de locatie, de datum en het tijdstip van het laden van het transportmiddel, onderscheidenlijk de locatie, de datum en het tijdstip van het lossen van het transportmiddel automatisch worden vastgelegd en met de in het eerste en tweede lid bedoelde gegevens elektronisch aan de minister worden verzonden.
Boetebeleid Meststoffenwet, versie 1.1 van 15 oktober 2020 Paragraaf 5.1.5 Onaannemelijke waarden Paragraaf 5.1.5.1 Vaste mest Het kan voorkomen dat aan- of afgevoerde vrachten vaste dierlijke mest hoeveelheden stikstof en fosfaat bevatten, die buiten de zogenaamde ‘grenswaarden’ vallen. Op basis van onderzoek van de Wageningen University & Research (rapport 553, Grenswaarden voor N- en P-gehalte in vaste mest) gebruiken RVO en de NVWA grenswaarden voor stikstof en fosfaat bij het beoordelen van vaste mest. Deze staan in onderstaande tabel:
Grenswaarden voor stikstof en fosfaat in vaste mest, diersoort rundvee en mestcode 10: maximum 27,2 stikstof (gram/kg) en maximum 9.45 fosfaat (gram/kg). (…) Als de gehalten in vrachten gewone vaste mest buiten de grenswaarden vallen, gebruiken wij hier het bedrijfsgemiddelde gehalte van overige van het bedrijf afgevoerde vrachten bemonsterd en geanalyseerde onbewerkte mest voor. Als gegevens van dergelijke vrachten niet beschikbaar zijn, gebruiken wij het desbetreffende forfait voor de afwijkende gehalten.
Paragraaf 5.1.5.3 Fictieve vrachten Als uit onderzoek blijkt dat vrachten die zijn gemeld niet hebben plaatsgevonden of betrokkenen RVO bewust hebben willen misleiden worden vrachten met een beroep op artikel 3 van de Meststoffenwet buiten beschouwing gelaten.
Paragraaf 5.2.2.4 Termijnoverschrijding Wanneer er een Rapport is gemaakt van een overtreding, moet het bestuursorgaan binnen dertien weken na de datum van het Rapport beslissen of een bestuurlijke boete wordt opgelegd. Dit staat in artikel 5:51 van de Algemene wet bestuursrecht. Sinds het controlejaar 2013 worden boetes die hoger zijn dan € 1000,- verminderd als deze beslistermijn met meer dan 26 weken is overschreden. De boetes worden in dat geval met 10% verlaagd tot maximaal € 2.500,-. Als de NVWA onderzoek heeft gedaan, start de beslistermijn vanaf de dagtekening van het NVWA-Rapport. Een Rapport van de NVWA geeft soms aanleiding om boetes op te leggen voor verschillende stelsels (gebruiksnormen, mestverwerking en verantwoorde groei melkveehouderij). In die situatie wordt het bedrag per stelsel en per boetegrondslag verminderd met 10% per stelsel volgens het hierboven beschreven beleid (10% van het boetebedrag tot maximaal € 2.500,- per stelsel).
Artikel 5:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 8 van de Msw.
Artikel 21, tweede lid, onder d, van de Msw.
Artikel 58a van de Msw.
Artikel 33a, tweede lid, onder b, van de Msw.
Artikel 59, eerste lid, van de Msw.
Artikel 9, eerste lid, van de Msw.
Zie Bijlage 1, onder gebied II, bij de Msw en artikel 71 van de Uitvoeringsregeling Msw.
De melkveefosfaatreferentie is in 2013-2014 door de minister vastgesteld voor alle in 2013 actieve melkveehouderijen.
Bijlage 2 bij het NVWA-rapport van 5 oktober 2018.
VDM-nummers [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4] .
Op grond van artikel 55, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Msw moeten de laad- en losgegevens automatisch online worden geüpload vanaf de AGR/GPS-apparatuur van de gebruikte vrachtwagencombinatie bij de RVO.
AGR staat voor Automatische Gegevens Registratie.
CBB 25 juli 2023, ECLI:NL:CBB:2023:385, r.o. 6.3.
Deze grenswaarden zijn gebaseerd op het rapport 553 ‘Grenswaarden voor het N- en P-gehalte in vaste mest’ van Wageningen UR Livestock Research van januari 2012.
Rechtbank Oost-Brabant 4 juli 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:3080.
CBb 25 juli 2023, ECLI:NL:CBB:2023:385, r.o. 7.3.
CBb 16 september 2025, ECLI:NL:CBB:2025:471, r.o. 13.4.