RECHTBANK Zeeland-West-Brabant Civiel recht Zittingsplaats Breda Zaaknummer: C/02/430899 / HA ZA 25-41 Vonnis in hoofdzaak en incident van 5 november 2025 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [b.v. 1] , gevestigd te [plaats 1] , eisende partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident ex art. 194 e.v. Rv, hierna te noemen: [b.v. 1] , advocaat: mr. F.J. Laagland, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [b.v. 2] , gevestigd te [plaats 2] , gedaagde partij in de hoofdzaak, verweerster in het incident ex art. 194 e.v. Rv, hierna te noemen: [b.v. 2] , advocaat: mr. T.M. Schraven. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 19 maart 2025 en de daarin genoemde stukken, - de akte aanvullende producties 29 tot en met 38 tevens incidentele conclusie van [b.v. 1] , - de akte overlegging productie 11 van [b.v. 2] , - de conclusie van antwoord in het incident met productie 12 van [b.v. 2] , - de mondelinge behandeling van 25 juni 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - de spreekaantekeningen van mr. F.J. Laagland en mr. T.M. Schraven, zoals deze zijn overgelegd en voorgedragen op de mondelinge behandeling. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [b.v. 1] was enig aandeelhouder van [b.v. 3] (hierna: [b.v. 3] ). [b.v. 3] is een groothandel in audio- en videoapparatuur. 2.2. In 2019 hebben partijen onderhandeld over de koop van de aandelen in [b.v. 3] door [b.v. 2] . Voorafgaand aan die onderhandelingen heeft [b.v. 1] een ‘Informatie Memorandum [b.v. 3] ’ van 14 februari 2019 met [b.v. 2] gedeeld (hierna: het Informatie Memorandum). In het Informatie Memorandum is op basis van de geconsolideerde resultatenrekening van [b.v. 3] en [b.v. 1] een (genormaliseerde) prognose van EBITDA voor 2019 opgenomen van (afgerond) € 1.300.000,00 en voor 2020 van (afgerond) € 1.600.000,00. 2.3. In juli 2019 heeft [b.v. 1] financiële informatie van [b.v. 3] vertrekt aan [b.v. 2] in verband met een door [b.v. 2] uit te voeren due diligence onderzoek. 2.4. Op 20 augustus 2019 hebben partijen een koopovereenkomst ondertekend, waarbij [b.v. 1] al haar aandelen in [b.v. 3] heeft verkocht aan [b.v. 2] voor een bedrag van € 1.300.000,00. Diezelfde dag zijn de aandelen notarieel geleverd aan [b.v. 2] en heeft [b.v. 2] het eerste deel van de koopprijs van € 600.000,00 aan [b.v. 1] voldaan. Partijen zijn overeengekomen dat het resterende deel van de koopprijs een achtergestelde verkoperslening is. Daartoe hebben partijen een geldleningsovereenkomst gesloten, die ook op 20 augustus 2019 door hen is ondertekend. De geldleningsovereenkomst maakt integraal onderdeel uit van de koopovereenkomst. 2.5. In de geldleningsovereenkomst is opgenomen dat [b.v. 1] een bedrag van € 700.000,00 ter leen heeft verstrekt aan [b.v. 2] en dat aflossing van dit bedrag zal plaatsvinden in twee termijnen. De eerste termijn van € 400.000,00 moet worden afgelost uiterlijk 19 mei 2020. De tweede termijn van € 300.000,00 moet worden afgelost uiterlijk 19 mei 2021. Verder is in de overeenkomst opgenomen dat over het uitstaande deel van de lening een rente van 4% per jaar is verschuldigd, ingaande op 1 mei 2020 respectievelijk 1 mei 2021, en dat de lening is achtergesteld bij Rabobank, bij partijen genoegzaam bekend. 2.6. Vereenvoudigd ziet dit er schematisch als volgt uit: [afbeelding verwijderd i.v.m. anonimisering] 2.7. Voorafgaand aan het sluiten van voornoemde koopovereenkomst en geldleningsovereenkomst is op naam van [b.v. 2] en [b.v. 3] een zakelijk krediet aangevraagd bij Rabobank om een deel van de koopprijs voor de aandelen in [b.v. 3] en om werkkapitaal van [b.v. 3] te kunnen financieren. In dat kader heeft – onder meer – op 20 juni 2019 een gesprek plaatsgevonden tussen [b.v. 2] en Rabobank, waarbij [b.v. 2] het Informatie Memorandum aan Rabobank heeft overhandigd. 2.8. Rabobank heeft aan het verstrekken van het zakelijk krediet de voorwaarde gesteld dat de voorgenomen verkoperslening van [b.v. 1] aan [b.v. 2] wordt achtergesteld bij de aan [b.v. 2] en [b.v. 3] te verstrekken financiering. In verband daarmee is op 19 augustus 2019 (de aanvankelijk overeengekomen dag van eigendomsoverdracht van de aandelen in [b.v. 3] aan [b.v. 2] ) aan [b.v. 1] een concept achterstellingsakte voorgelegd. Daarop is – onder meer – bij e-mail van 20 augustus 2019 namens [b.v. 1] gereageerd. Uiteindelijk hebben de gesprekken tussen [b.v. 2] , Rabobank en [b.v. 1] geresulteerd in een definitieve versie van de achterstellingsakte en een side letter van Rabobank van 20 augustus 2019. 2.9. Op 20 augustus 2019, de dag van de aandelenoverdracht, hebben [b.v. 1] , [b.v. 2] , [b.v. 3] en Rabobank de achterstellingsakte ondertekend. [b.v. 2] , [b.v. 3] en Rabobank hebben daarnaast een overeenkomst zakelijke financiering ondertekend (hierna: de kredietovereenkomst), op grond waarvan Rabobank een krediet in rekening-courant heeft verstrekt aan [b.v. 2] en [b.v. 3] van maximaal € 3.000.000,00. 2.10. De achterstellingsakte, waarbij [b.v. 1] wordt aangeduid als ‘de crediteur’ en [b.v. 3] en [b.v. 2] als ‘ de debiteur’ luidt – voor zover van belang – als volgt: “ Welke vordering stelt de crediteur achter? De crediteur heeft of krijgt een vordering op de debiteur op basis van een lening van € 700.000 aan de debiteur. De lening is vastgelegd in de akte van 19 augustus 2019. De crediteur stelt deze vordering in verband met de lening hierbij achter op alles wat de debiteur nu of in de toekomst aan ons moet betalen. Dit kunnen schulden zijn in verband met een financiering, maar ook schulden in verband met andere overeenkomsten tussen ons en de debiteur. (…). Wat houdt de achterstelling in? De debiteur mag de achtergestelde vordering en de rente niet aan de crediteur (terug)betalen. De debiteur mag ook niet: (…) Wat geldt voor de rente en aflossing voor de achtergestelde vordering? Heeft u met elkaar afgesproken dat de debiteur (periodiek) rente en aflossing aan de crediteur moet betalen voor de achtergestelde vordering? Dan geven wij de debiteur toestemming om dit te doen. Deze toestemming geldt zolang: De (geconsolideerde) EBITDA van de groep waar de debiteur deel van uitmaakt hoger is dan € 1.200.000. Met EBITDA bedoelen wij: het (geconsolideerde) bedrijfsresultaat vóór rente, afschrijvingen, belastingen (exclusief dividendbelasting) en bijzondere baten/lasten. Deze toestemming geldt alleen zolang de debiteur al zijn verplichtingen aan ons nakomt. (…)”.. De side letter vermeldt een gelijkluidende afspraak tussen Rabobank en [b.v. 1] . 2.11. Op 13 maart 2020 hebben [b.v. 1] en [b.v. 2] ter beëindiging van een tussen hen bestaand geschil een vaststellingsovereenkomst gesloten. Partijen zijn bij deze overeenkomst overeengekomen dat [b.v. 2] een bedrag van € 100.000,00 zal voldoen aan [b.v. 1] en dat de geldleningsovereenkomst zal worden gewijzigd in die zin, dat de datum van aflossing van de eerste termijn van € 400.000,00 wordt verschoven naar uiterlijk 19 mei 2021, dat de datum van aflossing van de tweede termijn van € 300.000,00 wordt verschoven naar 19 mei 2022 en dat de verschuldigde rente zal worden voldaan op 1 mei 2020, 1 mei 2021 en 1 mei 2022. 2.12. Op 8 mei 2020 heeft [b.v. 1] tegenover [b.v. 2] aanspraak gemaakt op betaling van de contractuele rente op grond van de geldleningsovereenkomst. [b.v. 2] heeft daarop een bedrag aan [b.v. 1] betaald. Dit bedrag heeft [b.v. 1] op een later moment weer terugbetaald aan [b.v. 2] , nadat Rabobank [b.v. 1] te kennen had gegeven dat zij geen toestemming verleent voor een rentebetaling door [b.v. 2] aan [b.v. 1] . 2.13. Op 21 oktober 2021 hebben Rabobank enerzijds en [b.v. 2] en [b.v. 3] anderzijds overeenstemming bereikt over aanpassing van de financiering aan [b.v. 2] en [b.v. 3] . 2.14. Tussen 2021 en 2024 hebben partijen meerdere malen met elkaar gecorrespondeerd over de verplichting van [b.v. 2] tot voldoening van de achtergestelde geldlening inclusief rente aan [b.v. 1] , omdat – zo meent [b.v. 1] – de EBITDA van de groep waartoe [b.v. 3] en [b.v. 2] behoren al meerdere jaren meer bedraagt dan € 1.200.000,00. [b.v. 2] betwist dat. Tussen partijen is een geschil ontstaan over het antwoord op de vraag hoe het begrip ‘groep’ in de achterstellingsakte moet worden uitgelegd. 2.15. Bij brief van 21 maart 2024 heeft [b.v. 1] [b.v. 2] gesommeerd uiterlijk 31 maart 2024 een bedrag van € 700.000,00, te vermeerderen met de contractuele rente van 4% per jaar te voldoen op de derdengeldrekening van haar advocaat. [b.v. 2] heeft [b.v. 1] te kennen gegeven dat zij aan de sommatie tot betaling niet zal voldoen. 3Het geschil in de hoofdzaak 3.1. [b.v. 1] vordert, samengevat: I. een verklaring voor recht dat het begrip ‘groep’ in de achterstellingsakte betrekking heeft op de gehele groep waartoe [b.v. 3] en [b.v. 2] behoren, II. een veroordeling van [b.v. 2] tot betaling van € 700.000,00 aan [b.v. 1] op grond van de geldleningsovereenkomst, III. een veroordeling van [b.v. 2] tot betaling van primair de contractuele rente van 4% en subsidiair de wettelijke rente vanaf primair 19 mei 2021 over € 400.000,00 en vanaf 19 mei 2022 over € 300.000,00 en subsidiair vanaf de dag van dagvaarden, IV. een veroordeling van [b.v. 2] tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 5.275,00, vermeerderd met de wettelijke rente, V. een veroordeling van [b.v. 2] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente en nakosten. 3.2. [b.v. 1] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. [b.v. 2] , [b.v. 3] en de vennootschappen [b.v. 4] , [b.v. 5] en [b.v. 6] vormen samen een groep, waarin de zeggenschap feitelijk ligt bij de heren [persoon 1] en [persoon 2] . Uit de jaarstukken van deze groep vennootschappen volgt dat de EBITDA van de groep al jaren boven de € 1.200.000,00 uitkomt. Rabobank geeft in een dergelijk geval toestemming aan [b.v. 2] voor het betalen van rente en aflossing aan [b.v. 1] voor haar achtergestelde vordering uit de geldleningsovereenkomst. [b.v. 2] verkeert dus al jaren in verzuim met de nakoming van haar betalingsverplichtingen voortvloeiend uit de (aangepaste) geldleningsovereenkomst. [b.v. 1] heeft op grond van de geldleningsovereenkomst opeisbaar van [b.v. 2] te vorderen een bedrag van € 700.000,00, vermeerderd met de contractuele rente van 4% per jaar. Daarnaast kan [b.v. 1] tegenover [b.v. 2] aanspraak maken op vergoeding van de gemaakte buitengerechtelijke kosten. 3.3. [b.v. 2] voert verweer. [b.v. 2] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [b.v. 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [b.v. 1] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [b.v. 1] in de kosten van deze procedure. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna bij de beoordeling, voor zover nodig, nader ingegaan. in het incident 3.5. [b.v. 1] vordert, samengevat, [b.v. 2] , op straffe van verbeurte van een dwangsom, te gebieden primair de jaarrekeningen 2020 tot en met 2024 van [b.v. 2] , [b.v. 3] en de vennootschappen [b.v. 4] , [b.v. 5] en [b.v. 6] aan [b.v. 1] te verstrekken dan wel subsidiair de jaarrekeningen 2020 tot en met 2024 van [b.v. 2] en [b.v. 3] aan [b.v. 1] te verstrekken, met veroordeling van [b.v. 2] in de kosten van het incident. 3.6. [b.v. 1] legt aan deze vordering ten grondslag dat aan de hand van de stukken zowel per entiteit als per groep kan worden berekend wat de EBITDA is vanaf de periode na overname van de aandelen in [b.v. 3] door [b.v. 2] tot en met heden. 3.7. [b.v. 2] voert verweer. [b.v. 2] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [b.v. 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [b.v. 1] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [b.v. 1] in de kosten van het incident. 3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna bij de beoordeling, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling in de hoofdzaak 4.1. [b.v. 1] maakt aanspraak op betaling van haar vordering op grond van de geldleningsovereenkomst tussen partijen. Kern van de discussie tussen partijen ziet op de vraag of deze vordering opeisbaar is. Dit omdat deze vordering is achtergesteld bij wat Rabobank van [b.v. 2] en [b.v. 3] te vorderen heeft op grond van de kredietovereenkomst. 4.2. [b.v. 1] meent dat haar vordering opeisbaar is, omdat – zo stelt [b.v. 1] – de EBITDA van de groep vennootschappen waartoe [b.v. 2] en [b.v. 3] behoren al jaren boven de € 1.200.000,00 uitkomt. [b.v. 2] meent dat [b.v. 1] ten onrechte ervan uitgaat dat met het begrip ‘groep’ in de achterstellingsakte meer vennootschappen zijn bedoeld dan [b.v. 2] en [b.v. 3] . [b.v. 2] stelt dat zij samen met [b.v. 3] de ‘groep’ vormt waarover in de achterstellingsakte wordt gesproken en dat de EBITDA van deze groep niet boven de € 1.200.000,00 uitkomt. Aan het in de achterstellingsakte opgenomen toestemmingsvereiste voor de betaling van rente en aflossing aan [b.v. 1] wordt daarom niet voldaan. De vordering van [b.v. 1] op grond van de geldleningsovereenkomst is daarom niet opeisbaar, aldus [b.v. 2] . 4.3. Voor beantwoording van de vraag of [b.v. 1] een opeisbare vordering heeft op [b.v. 2] op grond van de geldleningsovereenkomst is allereerst van belang wat de achterstellingsakte bepaalt ten aanzien van de toestemming voor het betalen van rente en aflossing voor de achtergestelde vordering (de vordering van [b.v. 1] op [b.v. 2] en [b.v. 3] ). In de geldleningsovereenkomst is het volgende opgenomen (zoals ook onder 2.10 vermeld):“Deze toestemming geldt zolang: De (geconsolideerde) EBITDA van de groep waar de debiteur deel van uitmaakt hoger is dan € 1.200.000”. Partijen verschillen van mening over de uitleg van het begrip ‘groep’. De achterstellingsakte bevat geen definitie of nadere omschrijving van het begrip. Deze zal daarom aan de hand van de zogenaamde Haviltex-maatstaf moeten worden uitgelegd. Het komt daarbij in het bijzonder aan op de vraag of de uitleg van [b.v. 1] van het begrip ‘groep’ gevolgd moet worden, nu [b.v. 1] haar uitleg van dat begrip ten grondslag heeft gelegd aan haar vorderingen. 4.4. Bij de uitleg van de betekenis die in de achterstellingsakte toekomt aan het begrip ‘groep’ volgens de Haviltex-maatstaf, komt het aan op de betekenis die partijen bij die overeenkomst in de gegeven omstandigheden van het geval over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op wat zij in dat opzicht redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden, die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn. 4.5. [b.v. 1] stelt hierover dat [b.v. 2] , naast [b.v. 4] , voor 50% deel uitmaakt van een concern, waarbij [b.v. 5] (waarvan de heer [persoon 1] 100% aandeelhouder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.