RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/441637 JE RK 25-1975 Datum uitspraak: 6 november 2025 (spoed)beschikking wijzigen van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken c.q. recht op omgang ex artikel 1:265g BW in de zaak van de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, gevestigd te Etten-Leur, hierna te noemen: de GI, over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2018 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2023 in [geboorteplaats 3] , hierna te noemen: [minderjarige 3] , [minderjarige 4] , geboren op [geboortedag 3] 2023 in [geboorteplaats 4] , hierna te noemen: [minderjarige 4] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] , [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] . 1Het procesverloop 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het spoedverzoek van de GI met bijlagen van 6 november 2025, ingekomen bij de griffie op diezelfde datum. 2De feiten 2.1 De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] (hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen). 2.2 De minderjarigen wonen bij hun moeder. 2.3 Bij beschikking van 15 maart 2024 heeft de kinderrechter de minderjarigen onder toezicht gesteld van de GI. Laatstelijk, bij beschikking van 14 maart 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van de minderjarigen verlengd tot 15 maart 2026. 2.4 Bij beschikking van 17 april 2024 heeft de kinderrechter — in zoverre onder wijziging van het co-ouderschapsplan van april 2021 — bepaald dat de vader en de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg en opvoedingstaken wekelijks recht hebben op (begeleide) omgang met elkaar gedurende minimaal drie uur, waarbij de GI in het kader van de ondertoezichtstelling deze basisregeling verder vorm zal geven en uitbreiden. Daarnaast heeft de kinderrechter bepaald dat de vader en de minderjarigen [minderjarige 3] en [minderjarige 4] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wekelijks recht hebben op (begeleide) omgang met elkaar gedurende minimaal 30 minuten, waarbij de GI in het kader van de ondertoezichtstelling deze basisregeling verder vorm zal geven en uitbreiden. 3Het verzoek 3.1 De GI verzoekt met spoed, uitvoerbaar bij voorraad, dat de verdeling van de zorg- en opvoedtaken stopgezet wordt in het kader van de veiligheid en de regie van het herstarten van de (begeleide) omgang bij de GI wordt belegd. 3.2 De GI verzoekt de te wijzen beschikking af te geven zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. 4De beoordeling Wettelijk kader 4.1 Op grond van artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter gedurende de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een verdeling van de zorg- en opvoedtaken wijzigen of vaststellen indien dat in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is. 4.2 Op grond van artikel 800, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en 809 lid 3 Rv kan een beschikking betreffende een voorlopige ondertoezichtstelling, machtiging uithuisplaatsing, voorlopige voogdij alsmede een beschikking als bedoeld in artikel 1:265i, tweede lid BW aanstonds worden afgegeven, indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige. 4.3 Nu bij wet niet is voorzien in de mogelijkheid om met spoed te beslissen op artikel 1:265g lid 1 BW, zal de kinderrechter in deze zaak, gelet op de spoedeisendheid, analoge toepassing geven aan artikel 800 lid 3 en 809 lid 3 Rv. Inhoudelijke beoordeling 4.4 De kinderrechter overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de GI op 28 oktober 2025 een melding heeft ontvangen van Veilig Thuis in verband met een blauwe plek op de onderarm van [minderjarige 1] . Deze blauwe plek is beoordeeld als verontrustend. Hierna is [minderjarige 1] gesproken conform de NICHD-methode. Naar aanleiding van het gesprek met [minderjarige 1] en de onduidelijkheid over het ontstaan van de blauwe plek is beoordeeld dat onderzoek naar het risico op kindermishandeling nodig is. Er is op dat moment onvoldoende informatie om een strafrechtelijke route te bewandelen. 4.5 Vervolgens heeft de GI op 4 november 2025 twee nieuwe meldingen van Veilig Thuis ontvangen. Uit deze meldingen volgt dat de vader uitspreekt geneigd te zijn om de moeder en de minderjarigen van het leven te beroven. Ook heeft de vader recent aangegeven dat hij een wapen gaat aanschaffen. Na overleg tussen de GI, Veilig Thuis, de politie, het Openbaar Ministerie en het Zorg- en Veiligheidshuis worden de zorgen door alle instanties als ernstig en reëel geclassificeerd. De moeder is hiervan op de hoogte gebracht en verblijft met de minderjarigen elders. Er wordt ingeschat dat het noodzakelijk is om de moeder en de minderjarigen te plaatsen in een veilige opvang. 4.6 Gelet op al het voorgaande ziet de kinderrechter noodzaak om de zorg- en opvoedtaken met spoed en zonder het horen van belanghebbenden te wijzigen. De kinderrechter maakt zich ernstige zorgen over de in het verzoekschrift genoemde signalen. De vader is bekend met een verleden van fors huiselijk geweld, waardoor de moeder en de minderjarigen eerder ruim acht maanden in een moeder- kindhuis moesten verblijven. 4.7 Met de GI acht de kinderrechter het noodzakelijk dat de moeder en de minderjarigen een veilige en beschermde omgeving wordt geboden. Hierbij past een (tijdelijke) wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, als hierna in het dictum te melden. Gebleken is dat er zich in de afgelopen periode, maar ook in het verleden, zeer zorgelijke situaties hebben voorgedaan waarbij het niet veilig was voor de moeder en de minderjarigen. Met inachtneming van de huidige situatie is de kinderrechter van oordeel dat het contact tussen de vader en de minderjarigen (op dit moment) niet veilig kan worden vormgegeven. 4.8 De kinderrechter benadrukt dat het van belang is dat alle betrokkenen de veiligheid voorop blijven stellen. Daar past bij dat het nu nodig is om de verdeling van de zorg- en opvoedtaken te wijzigen. De kinderrechter zal het spoedverzoek dan ook toewijzen voor de duur van twee weken. De kinderrechter zal het overige deel van het verzoek aanhouden tot na te melden mondelinge behandeling. 5De beslissing De kinderrechter: 5.1 wijzigt de beschikking van 17 april 2024 en bepaalt dat de vader en [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] voorlopig, voor de duur van twee weken, geen contact hebben met elkaar zolang de GI dat in het belang van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] acht en hun veiligheid niet gewaarborgd kan worden; de regie voor het herstarten van (begeleide) omgang ligt bij de GI; 5.2 houdt de behandeling van het restende deel van het verzoek van de GI om de verdeling van de zorg- en opvoedtaken te wijzigen aan tot de mondelinge behandeling van [datum] te [uur], bij de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda (in de persoon van mr. Van Triest) Stationslaan 10, 4815 GW; 5.3 bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die mondelinge behandeling voor de GI, de moeder en de vader; 5.4 gelast de griffier om de Raad voor de Kinderbescherming bij aparte brief voor de mondelinge behandeling op te roepen om de kinderrechter te adviseren; 5.5 behoudt zich verder iedere beslissing voor. Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2025 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.