RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummers: 02-150625-24 en 02-127850-24 (tul) vonnis van de meervoudige kamer van 11 november 2025 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats] wonende te [woonadres] raadsman mr. M.C.J. Heinen, advocaat te Roosendaal 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 oktober 2025, waarbij de officier van justitie, mr. E. van Aalst, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte brand heeft gesticht in haar woning. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft voor wat betreft de bewezenverklaring geen verweer gevoerd en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen Indien hoger beroep wordt ingesteld, zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 26 april 2024 te [plaats] opzettelijk brand heeft gesticht in een (tussen)woning aan [adres 1] , door een sigaret aan te steken terwijl de gaskraan enige tijd open heeft gestaan, ten gevolge waarvan een (tussen)woning volledig is uitgebrand, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten: voornoemde woning en in die woning aanwezig zijnde goederen en de zich naast die woning gelegen woningen met de in die woning aanwezig zijnde goederen en - levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten een of meerdere personen die zich in/bij die naast gelegen woningen bevonden, te duchten was. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 367 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 365 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals de reclassering die heeft geadviseerd. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om aan verdachte een taakstraf van 240 uren op te leggen. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht om aan verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. 6.3 Het oordeel van de rechtbank In de periode kort voor 26 april 2024 ging het bijzonder slecht met verdachte. Zij had te kampen met ernstige psychische problemen en verslavingsproblematiek en was in die periode vaak onder invloed van diverse verdovende middelen zoals flakka, GHB en cannabis. Door het gebruik van met name flakka was verdachte in een zwart gat terecht gekomen. In die toestand en nadat ze ruzie had gekregen met haar vriend [naam] , heeft ze hem een afscheidsbericht geschreven en heeft verdachte geprobeerd om een einde aan haar leven te maken. Zij heeft daartoe in de keuken van haar woning met een mes de slang naar het gasfornuis doorgesneden. Door de open gaskraan kon het aardgas zo de woning van verdachte instromen. Op het moment dat verdachte een sigaret aanstak, heeft er zich een forse gasexplosie voorgedaan waardoor de ramen aan de voor- en achterzijde uit de muren zijn gedrukt en er brand ontstond in de woning. Ook tijdens die brand hebben zich nog explosies voorgedaan en de schade die uiteindelijk door de explosies en de brand is ontstaan, is enorm te noemen. De tussenwoning van verdachte is volledig uitgebrand, het dak is ingestort en ook voor de belendende woningen en de bewoners van die woningen was het gevaar door de explosies en de brand bijzonder groot te noemen. Snel ingrijpen door politie en hulpdiensten heeft kunnen voorkomen dat er meer slachtoffers zijn gevallen en dat de schade nog groter zou zijn. Het handelen van verdachte heeft ook voor haarzelf grote lichamelijke gevolgen gehad. Zij was ernstig verband en heeft in verband met die verwondingen langdurig in het ziekenhuis moeten verblijven en diverse operaties moeten ondergaan. Uit haar verklaring tijdens de zitting is echter ook gebleken dat het ernstige incident van 26 april 2024 voor haar ook een ommekeer is geweest in haar leven. Verdachte is nu clean en bij haar is er het besef doorgedrongen dat zij hulp nodig heeft en zij wil die hulp ook graag accepteren. Over verdachte en met betrekking tot de hulp die zij nodig heeft is gerapporteerd door [klinisch psycholoog] . Hij is van mening dat bij verdachte vormen van psychopathologie kunnen worden vastgesteld en op grond daarvan komt hij tot het advies om het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank zal dit advies overnemen en daarmee rekening houden bij het bepalen van de straf. Daarnaast is [klinisch psycholoog] van mening dat een gecombineerde vorm van hulpverlening, het liefst vanuit één organisatie en instantie, sterk geïndiceerd is. Deze hulpverlening dient te bestaan uit een gerichte psychotherapeutische behandeling en begeleiding die zich primair richt op het abstinent blijven van middelengebruik als basisvoorwaarde en het middels monitoring, psycho-educatie, begeleiding en training met name leren omgaan met de symptomatologie van de borderline persoonlijkheidsstoornis zoals die bij verdachte tijdens zijn onderzoek werd vastgesteld. De duur van een dergelijke ambulante behandeling -zo mogelijk met een klinisch bed op de achtergrond- dient minimaal op één tot twee jaar te worden geschat. Ook de verslavingsreclassering GGZ heeft een advies over verdachte uitgebracht, welk advies aansluit bij het advies van [klinisch psycholoog] . De reclassering adviseert om verdachte onder haar toezicht te stellen, zodat verdachte vanuit een gedwongen kader kan toewerken naar positieve gedragsverandering en risicobeperking. Voorts wordt het noodzakelijk gevonden dat verdachte wordt behandeld voor haar psychische- en verslavingsproblematiek om het risico op delictgedrag te kunnen verlagen. De reclassering adviseert dat zowel de verslavingsbehandeling als de psychische behandeling wordt gestart binnen een ambulante behandelkader. Indien na overleg met de behandelende instantie het ambulante behandelkader ontoereikend blijkt, vindt de reclassering het van belang dat verdachte wordt opgenomen in een zorginstelling om op die wijze alsnog een effectieve behandeling tot stand te laten komen. Daarnaast adviseert de reclassering een drugsverbod met middelencontrole om als stok achter de deur te fungeren voor eventueel toekomstig drugsgebruik en om zicht te kunnen houden op het middelengebruik van verdachte. Een voorwaardelijke gevangenisstraf zal fungeren als een passende stok achter de deur om verdachte haar medewerking te laten verlenen aan reclasseringstoezicht met de bijzondere voorwaarden. De reclassering adviseert negatief over het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, omdat deze straf mogelijk een patroon van goede gedragingen kan doorbreken en niet het gewenste effect zal hebben om verdachte te onthouden van toekomstig delictgedrag. De rechtbank is van oordeel dat voor het bewezenverklaarde feit in beginsel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is, gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en vanwege de veroorzaakte schade en de grote gevaren die er zijn geweest voor buurtbewoners en hulpverleners. Daartegenover staat dat het feit aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend en verdachte ook zelf ernstig gewond is geraakt. Daarnaast is er ook nog het inzicht bij verdachte dat zij niet zonder hulp kan en de grote bereidheid om hulp te accepteren. Dat hulpaanbod ligt klaar en de rechtbank is van oordeel dat hulpverlening voor verdachte op dit moment prioriteit heeft. De rechtbank zal de deskundigen dan ook volgen in hun adviezen en aan verdachte niet de onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen die zij in beginsel voor dit feit op zijn plaats vindt, maar een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar. Daarnaast acht de rechtbank oplegging van een taakstraf van 240 uren passend en geboden. De rechtbank legt daarmee een hogere straf op dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank komt tot deze hogere straf gezien de ernst van het feit, de grote schade en overlast voor buurtbewoners die dit feit heeft veroorzaakt en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank bijzondere voorwaarden verbinden, zoals die door de reclassering zijn geadviseerd en zal zij de proeftijd bepalen op drie jaren. Dit laatste is naar het oordeel van de rechtbank nodig om de hulpverleningsinstantie voldoende ruimte te geven om het hulpverleningstraject te laten slagen. 7De vordering tot tenuitvoerlegging De rechtbank heeft met de officier van justitie en de verdediging geconstateerd dat de door de kantonrechter opgelegde proeftijd pas is aangevangen nadat het onderhavige feit werd gepleegd. De rechtbank zal op grond daarvan de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak onder parketnummer 02-127850-
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.