RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team strafrecht Zittingsplaats Breda zaaknummer.: 11411786 \ MB VERZ 24-1593 CJIB-nummer: [cjib-nummer] uitspraakdatum: 1 augustus 2025 proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) in de zaak van naam : [betrokkene] adres : [adres] woonplaats : [woonplaats] hierna: betrokkene Verloop van de procedure Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. De zaak is behandeld op de zitting van 1 augustus
- Namens de officier van justitie is verschenen mr. I.M.E. van der Meijden (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan. Standpunten De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: voor een bromfiets niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden, geconstateerd middels de RDW-registercontrole op 23 maart 2023 om 17:05 uur. Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat hij ten onrechte door de officier van justitie niet-ontvankelijk is verklaard, aangezien het voertuig, de beschikking en beroep op betrokkene’s naam staan. Ook heeft betrokkene nooit een verzoek om een proceskostenvergoeding ingediend. Kennelijk heeft de officier van justitie gereageerd op een beroepschrift van iemand anders. Voorts stelt betrokkene dat de wetgever de sanctie voor de gedraging heeft beoogd waarbij het voertuig rijdend wordt aangetroffen. Het sanctiebedrag voor het in de garage hebben staan van een bromfiets waar niet mee gereden wordt lijkt betrokkene buitenproportioneel. Het voertuig is voor betrokkene zijn zoon, die zijn rijbewijs nog niet heeft gehaald. Een boete is volgens betrokkene terecht, maar de hoogte niet. Het in de garage hebben staan van het voertuig is totaal risicoloos, waardoor een verlaging van het sanctiebedrag op zijn plaats is. Verder verzoekt betrokkene om rekening te houden met zijn omstandigheden, aangezien betrokkene sinds september 2022 in de ziektewet zit omdat hij PTSS heeft. Dit speelt ook mee bij het te laat zijn met het schorsen van het voertuig. Ter zitting heeft betrokkene hieraan toegevoegd dat hij niet tegen onrechtvaardigheid kan en het voertuig nooit op de openbare weg heeft gereden. Dat de officier van justitie het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard kwam als een verrassing. Betrokkene had destijds in verband met PTSS niet alle post geopend. Later kreeg betrokkene een tweede brief van de RDW, waarna het voertuig gelijk was geschorst. Echter, betrokkene kreeg drie dagen later een bekeuring. De zoon van betrokkene heeft nog steeds zijn rijbewijs niet en inmiddels is de accu kapot omdat het voertuig drie jaar niet is gebruikt. Omdat betrokkene zijn zoon geen rijbewijs had, koos betrokkene er expres voor om het voertuig in de garage bij zijn ouders te zetten. Het is moeilijk om via foto’s te bewijzen dat het voertuig niet meer werkt. Het enige bewijs dat betrokkene heeft is dat zijn zoon nog steeds geen rijbewijs heeft. Bovendien hebben betrokkene zijn ouders de sleutels van het voertuig, zodat een ander ook geen gebruik kon maken hiervan. De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht om de beslissing van de officier van justitie te vernietigen, aangezien betrokkene zelf beroep heeft ingesteld en zich niet bij liet staan door een gemachtigde. Inhoudelijk heeft de zittingsvertegenwoordiger verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren. Betrokkene stelt dat niet met het voertuig is gereden en de boete daarom onterecht is, maar dat is nergens uit op te maken. De wet en jurisprudentie zijn hierover streng, waardoor duidelijk naar voren dient te komen dat niet gereden kan worden met het voertuig. Dit kan bijvoorbeeld met een foto. Ook kunnen anderen gebruik maken van het voertuig, waardoor het inzien of de zoon van betrokkene een rijbewijs heeft volgens de zittingsvertegenwoordiger niet relevant is. Wel is de redelijke termijn overschreden, waardoor de zittingsvertegenwoordiger verzoekt om de boete met 25% te matigen. Overwegingen Ontvankelijkheid De officier van justitie heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat betrokkene heeft nagelaten binnen de geboden termijn van vier weken een machtiging aan te leveren. De kantonrechter stelt vast dat betrokkene zich niet bij heeft laten staan door een professionele gemachtigde, zodat geen machtiging is vereist. De kantonrechter ziet daarom aanleiding om de beslissing van de officier van justitie te vernietigen. De kantonrechter zal het beroep tegen de boete vervolgens inhoudelijk beoordelen. Inhoudelijk De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Betrokkene ontkent dit ook niet. De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Het is de verantwoordelijkheid van betrokkene als kentekenhouder om het voertuig tijdig te verzekeren of te schorsen. Dat betrokkene dit heeft nagelaten, dient in beginsel voor eigen rekening en risico te komen. De boete is dus terecht opgelegd. Omstandigheden De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd wel aanleiding om de boete te matigen. Daarbij is van belang dat de kantonrechter door de aangevoerde omstandigheden overtuigd is dat niet met het voertuig kon worden gereden vanwege de locatie en kapotte accu. Vaststaat dat het gaat om een situatie waarbij betrokkene zijn administratieve verplichtingen niet op orde had. De boete zal worden gematigd tot €
- Overschrijding redelijke termijn Iedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete. In dit geval is de boete opgelegd op 12 mei 2023 en is de redelijke termijn dus met bijna drie maanden overschreden. Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de reeds gematigde boete verder matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald. Beslissing De kantonrechter: verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep gegrond en vernietigt die beslissing; verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de boete wordt gewijzigd in € 75,-, plus € 9,- administratiekosten; - draagt de officier van justitie op het bedrag van € 345,-, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.H.C. van Eck, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus
- Als u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als: de boete meer dan € 110,00 bedraagt, of uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld. Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde. U dient daarbij het zaaknummer te vermelden. De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten. Datum verzending: