← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2025:7786

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team strafrecht Zittingsplaats Breda zaaknummer.: 11355075 \ MB VERZ 24-1420 CJIB-nummer: [cjib-nummer] uitspraakdatum: 1 augustus 2025 proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) in de zaak van naam : [betrokkene] adres : [adres] woonplaats : [woonplaats] hierna: betrokkene gemachtigde : mr. B. de Jong (Skandara B.V.) Verloop van de procedure Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. De zaak is behandeld op de zitting van 1 augustus

  1. Namens de officier van justitie is verschenen mr. I.M.E. van der Meijden (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan. Standpunten De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: niet zoveel mogelijk rechts houden op een autoweg of autosnelweg op de Rijksweg (A27) te Hank op 29 juni 2023 om 18:34 uur. Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Betrokkene heeft niet onnodig links gereden, maar was andere weggebruikers aan het inhalen. In tegenstelling tot hetgeen de verbalisant heeft verklaard, was de rechterrijstrook niet vrij van verkeer gedurende 3000 meter. Dat is gezien het tijdstip op een donderdagavond niet aannemelijk. Daar komt bij dat betrokkene de gedraging reeds in de administratieve fase heeft ontkend, waardoor sprake is van een consistente en ontkennende verklaring aan de zijde van betrokkene. Bij deze stand van zaken is gerede twijfel ontstaan omtrent de vraag of de verweten gedraging is verricht. Gemachtigde verzoekt om een proceskostenvergoeding. Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat de gedraging niet zozeer met veiligheid, maar hinder te maken heeft. De daarbij behorende sanctiebedrag is daarom erg fors. Gemachtigde verwijst naar ECLI:NL:GHARL:2025:4719, waaruit volgt dat het hof vaststelt dat de wetgever niet de evenredigheidstoets heeft gemaakt bij het vaststellen van Muldersancties. Dit gold ook al in het jaar ervoor, waar deze gedraging op ziet. Gemachtigde probeert bij het toetsen aan het evenredigheidsbeginsel de maat te zoeken. Ter vergelijking is het sanctiebedrag bij gevaar op de weg in de zin van artikel 5 WVW € 160,-. Verzocht wordt om een matiging gelet op het evenredigheidsbeginsel. Verder is de redelijke termijn overschreden, waardoor verzocht wordt om een strafkorting toe te passen. Omdat de sanctie wordt geïndexeerd met het besluit, is het wel te toetsen aan het beginsel. Op 1 maart 2022 is de boete verhoogd van € 150,- naar € 220,- door de wetgever. Vervolgens is de boete geïndexeerd naar € 240,-. Gemachtigde stelt dat gekeken moet worden of het sanctiebedrag in verhouding is met de te dienen belangen. Als gemachtigde deze toets in deze zaak toepast, dan is het sanctiebedrag uit verhouding. Het blijft een gevoelskwestie. De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. In het aanvullend proces-verbaal heeft de verbalisant nogmaals aangegeven dat de gedraging is vastgesteld. De zittingsvertegenwoordiger ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de duidelijke verklaring van de verbalisant uit het zaakoverzicht en aanvullend proces-verbaal. Een verbalisant is getraind in het doen van dergelijke waarnemingen. Bij onzekerheid wordt geen boete uitgeschreven. Wel is de redelijke termijn overschreden, waardoor verzocht wordt om de boete met 25% te matigen. Wat betreft de evenredigheid ziet de zittingsvertegenwoordiger niet in waarom de boete gematigd dient te worden. Overwegingen Verhoging boetebedrag Gemachtigde heeft aangevoerd dat de verhoging van de boetebedragen per 1 maart 2024 in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel, omdat die verhoging mede is gebaseerd op een financiële taakstelling van de overheid. Deze grond slaagt niet. Zoals het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het arrest van 31 juli 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:4719) heeft overwogen, is een verhoging van boetebedragen (mede) vanwege een financiële taakstelling van de overheid geoorloofd. In navolging van dit arrest zal de kantonrechter ook beoordelen of de opgelegde boete van € 249, voor de gedraging waar het hier om gaat niet onevenredig is. Dit is een terughoudende toetsing. Daarbij gaat het erom dat de hoogte van de boete in redelijke verhouding moet staan tot de aard en de ernst van de gedraging, waarbij het doel van de boete is het sanctioneren van strafwaardig gedrag en het dienen van (onder andere) de belangen die zijn genoemd in artikel 2 van de Wegenverkeerswet
  2. Naar het oordeel van de kantonrechter is een boete van € 249, voor het niet zoveel mogelijk rechts houden op een autoweg of autosnelweg niet onevenredig. Het boetebedrag staat in redelijke verhouding tot de aard en de ernst van deze gedraging. Van strijd met het evenredigheidsbeginsel is in dit geval dus geen sprake. De slotsom is dat het bij het Besluit voor de onderhavige gedraging vastgestelde tarief niet in strijd is met de door de betrokkene genoemde algemene rechtsbeginselen en dus mag worden toegepast. Inhoudelijk De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring of indien dergelijke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken. De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Daarbij acht de kantonrechter het irreëel dat over een totale afstand van 3000 meter zich geen mogelijkheid heeft voorgedaan om op de rechterrijbaan te rijden. De boete is dus terecht opgelegd. Overschrijding redelijke termijn Iedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter tezamen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete. In dit geval is de boete opgelegd op 11 juli 2023 en is de redelijke termijn dus met bijna een maand overschreden. Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald. Proceskosten Nu de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter. Daarbij wordt de wegingsfactor 0,25 (zeer licht) toegepast, nu de matiging uitsluitend het gevolg is van overschrijding van de redelijke termijn (zie ECLI:NL:HR:2023:1526). De proceskostenvergoeding is als volgt berekend: beroepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,25 x € 907,- = € 226,75 zitting kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,25 x € 907,- = € 226,75 totaal € 453,50 Beslissing De kantonrechter: ‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond; ‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 180, plus € 9,- administratiekosten; ‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 60, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen; ‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 453,
  3. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.H.C. van Eck, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus
  4. Als u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als: de boete meer dan € 110,00 bedraagt, of uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld. Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda. Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde. U dient daarbij het zaaknummer te vermelden. De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten. Datum verzending:

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.