← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2025:7792

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team strafrecht Zittingsplaats Breda zaaknummer.: 11322566 \ MB VERZ 24-1299 CJIB-nummer: [cjib-nummer] uitspraakdatum: 1 augustus 2025 proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) in de zaak van naam : [betrokkene] adres : [adres] woonplaats : [woonplaats] hierna: betrokkene gemachtigde : mr. B. de Jong (Skandara B.V.) Verloop van de procedure Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. De zaak is behandeld op de zitting van 1 augustus

  1. Namens de officier van justitie is verschenen mr. I.M.E. van der Meijden (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan. Standpunten De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden op de Rijksweg (A16) te Prinsenbeek op 17 februari 2023 om 21:54 uur. Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Betrokkene heeft geen mobiel elektronisch apparaat vastgehouden tijdens het rijden. Het is niet duidelijk hoe de verbalisant – zonder een staandehouding te verrichten – heeft vastgesteld dat sprake is van een mobiel elektronisch apparaat in de zin van artikel 61a RVV
  2. De verbalisant heeft niets verklaard over een verlicht scherm, de kleur van het apparaat of applicaties die hij zag op een beeldscherm. Ook heeft de verbalisant geen merk of type kunnen noteren tijdens een staandehouding. De verbalisant heeft niet kunnen vaststellen dat het daadwerkelijk ging om een mobiel elektronisch apparaat in de zin van artikel 61a RVV
  3. Bij deze stand van zaken is gerede twijfel ontstaan omtrent de vraag of de verweten gedraging is verricht. Voorts had er een staandehouding moeten plaatsvinden. De verklaring van de verbalisant dat hij een ander voertuig meenam voor een controle is onvoldoende om te kunnen concluderen dat geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond. Bovendien is niet duidelijk waarom het staandehouden van beide voertuigen niet mogelijk was. Onder deze omstandigheden kan niet worden volgehouden dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond. De sanctie is onterecht aan de kentekenhouder opgelegd. Gemachtigde verzoekt om een proceskostenvergoeding. Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat er geen staandehouding heeft plaatsgevonden en de verbalisant niet heeft kunnen vaststellen of het daadwerkelijk om een mobiele telefoon ging. Ook is niet gebleken hoe de gedraging is vastgesteld en ontbreekt een omschrijving van de waarneming, merk en type van het mobiel elektronisch apparaat. De verklaring is te summier, zeker voor twee verbalisanten. Een brigadier en hoofdagent zijn meer ervaren en horen specifieker te zijn in de omschrijving van hun waarneming. Ook is in het zaakoverzicht bij de reden voor het afzien van de staandehouding “geen” aangevoerd, waarna later is aangevoerd dat het ging om een transportcontrole. Waarschijnlijk omdat de officier van justitie de beslissing anders zou vernietigen. Gemachtigde ziet niet in waarom een transportcontrole meer prioriteit heeft dan een bestuurder die op een autosnelweg mogelijk een mobiel elektronisch apparaat vastheeft. Primair wordt verzocht om de beslissing te vernietigen, subsidiair wordt verzocht om de strafkorting toe te passen omdat de redelijke termijn is overschreden. Volgens gemachtigde blijkt ook niet uit de aanvullende verklaring dat er niet twee voertuigen tegelijk staandegehouden kunnen worden. De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Naast de verklaring uit het zaakoverzicht is er een aanvullend proces-verbaal op ambtsbelofte, waarin is herhaald dat is gezien dat betrokkene tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat heeft vastgehouden, waardoor de gedraging kan worden vastgesteld. Wellicht is het summier, maar een verbalisant, en zeker twee verbalisanten, zullen niet zomaar een boete uitschrijven bij een onzekere waarneming. Ook is aangegeven dat niet is staandegehouden wegens een transportcontrole. Van een verbalisant kan niet worden verwacht een transportcontrole te stoppen voor een Mulderboete. Wel is de redelijke termijn overschreden, waardoor verzocht wordt om de boete met 25% te matigen. Overwegingen Inhoudelijk De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring of indien dergelijke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken. De kantonrechter ziet in wat gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. De verbalisant betreft een beroepswaarnemer die getraind is om een dergelijke gedraging te herkennen. Dat geen merk of type is genoteerd, doet volgens de kantonrechter niets af aan het feit dat de gedraging kan worden vastgesteld. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de verbalisant de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een boete kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de boete aan de kentekenhouder worden opgelegd. Volgens het aanvullend proces-verbaal heeft de verbalisant afgezien van staandehouding omdat hij bezig was met het meenemen van een ander voertuig voor een transportcontrole. Naar het oordeel van de kantonrechter was er dan ook geen reële mogelijkheid tot staandehouding. De boete is dus terecht opgelegd aan de kentekenhouder. Overschrijding redelijke termijn Iedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter tezamen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete. In dit geval is de boete opgelegd op 28 februari 2023 en is de redelijke termijn dus met bijna zes maanden overschreden. Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald. Proceskosten Nu de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter. Daarbij wordt de wegingsfactor 0,25 (zeer licht) toegepast, nu de matiging uitsluitend het gevolg is van overschrijding van de redelijke termijn (zie ECLI:NL:HR:2023:1526). De proceskostenvergoeding is als volgt berekend: beroepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,25 x € 907,- = € 226,75 zitting kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,25 x € 907,- = € 226,75 totaal € 453,50 Beslissing De kantonrechter: ‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond; ‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 262,50, plus € 9,- administratiekosten; ‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 87,50, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen; ‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 453,
  4. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.H.C. van Eck, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus
  5. Als u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als: de boete meer dan € 110,00 bedraagt, of uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld. Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde. U dient daarbij het zaaknummer te vermelden. De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten. Datum verzending:

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.