← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2025:8161

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 24/8392 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 november 2025 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: mr. G. Tajjiou), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 11 november
  2. 1.
  3. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.
  4. 1.
  5. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 50 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking). 1.
  6. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.
  7. De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur deelgenomen: [vertegenwoordiger 1] en mr. [vertegenwoordiger 2] . Belanghebbende en zijn gemachtigde waren niet aanwezig. De griffier heeft op 29 juli 2025 in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarin de gemachtigde van belanghebbende is uitgenodigd om op te zitting te verschijnen. De gemachtigde heeft de rechtbank bij brief van 7 oktober 2025 verzocht om uitstel, omdat hij op 8 oktober 2025 verhinderd zou zijn. 1.
  8. De rechtbank heeft het in 1.4 bedoelde verzoek om uitstel afgewezen, omdat het verzoek niet voldoet aan de voorwaarden waaraan een dergelijk verzoek moet voldoen. Het verzoek is niet zo spoedig mogelijk ingediend nadat van de tot uitstel vragende omstandigheid is gebleken. Beoordeling door de rechtbank
  9. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslag over het jaar 2021 terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of sprake was van een nieuw feit op grond waarvan de inspecteur een navorderingsaanslag mocht opleggen en of belanghebbende recht heeft op een hoger bedrag aan persoonsgebonden aftrek. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of de belastingrentebeschikking niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.
  10. Naar het oordeel van de rechtbank is de navorderingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd. Er was sprake van een nieuw feit op grond waarvan de inspecteur een navorderingsaanslag mocht opleggen. Ook heeft belanghebbende geen recht op een hoger bedrag aan persoonsgebonden aftrek. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de belastingrentebeschikking niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten
  11. Belanghebbende heeft op 1 maart 2022 de aangifte IB/PVV over 2021 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.
  12. Hierbij heeft belanghebbende een aftrek van specifieke zorgkosten in aanmerking genomen van € 8.
  13. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: Uitgaven voor vervoer i.v.m. ziekte of invaliditeit € 5.529 Extra uitgaven voor kleding en beddengoed € 750 Uitgaven specifieke zorgkosten voor verhoging € 6.279 Verhoging specifieke zorgkosten € 2.512 Totaal uitgaven specifieke zorgkosten € 8.791 Drempel uitgaven specifieke zorgkosten € 379 Totaal aftrekbare specifieke zorgkosten € 8.412 3.
  14. Met dagtekening 26 april 2022 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV over 2021 geautomatiseerd opgelegd conform de ingediende aangifte. 3.
  15. Op 8 juni 2022 heeft de inspecteur gewijzigde aangiften IB/PVV over de jaren 2017 tot en met 2020 van belanghebbende ontvangen. De inspecteur heeft toen vragen gesteld over de daarin opgenomen hogere aftrek van specifieke zorgkosten. Naar aanleiding van informatie die de inspecteur heeft ontvangen ten aanzien van de jaren 2017 tot en met 2020 heeft de inspecteur besloten nader onderzoek te doen met betrekking tot de aanslag IB/PVV over
  16. De inspecteur heeft per brief van 30 november 2022 een verzoek om informatie verzonden. De gemachtigde van belanghebbende heeft vervolgens een toelichting gegeven op de aangegeven zorgkosten en stukken ter onderbouwing daarvan aangeleverd. 3.
  17. Met dagtekening 11 november 2023 heeft de inspecteur een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2021 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.
  18. De inspecteur heeft een aftrek van specifieke zorgkosten in aanmerking genomen van € 6.
  19. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: Uitgaven voor vervoer i.v.m. ziekte of invaliditeit € 4.536 Extra uitgaven voor kleding en beddengoed € 300 Uitgaven specifieke zorgkosten voor verhoging € 4.836 Verhoging specifieke zorgkosten € 1.935 Totaal uitgaven specifieke zorgkosten € 6.771 Drempel uitgaven specifieke zorgkosten € 379 Totaal aftrekbare specifieke zorgkosten € 6.392 Motivering Mocht de inspecteur navorderen?
  20. De rechtbank beoordeelt eerst of de inspecteur een navorderingsaanslag mocht opleggen. De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor navordering is voldaan, omdat sprake was een nieuw feit. 4.
  21. Indien een feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld (een zogenaamd nieuw feit), kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, tenzij de belastingplichtige ten aanzien van dit feit te kwader trouw is. 4.
  22. Volgens vaste jurisprudentie mag de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag IB/PVV uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, en mede gelet op de overige in aanmerking komende omstandigheden van het geval, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn. 4.
  23. Naar het oordeel van rechtbank hoefde de inspecteur in redelijkheid niet aan de juistheid van de aangifte te twijfelen. De niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de aangifte juist was. De inspecteur was daarom voorafgaand aan het opleggen van de aanslag niet gehouden tot nader onderzoek. Naar aanleiding van informatie die de inspecteur pas na het opleggen van de aanslag heeft verkregen met betrekking tot de jaren 2017 tot en met 2020, heeft de inspecteur besloten een verzoek om informatie te versturen met betrekking tot het jaar
  24. Deze nieuwe informatie vormt een nieuw feit dat grond oplevert om een navorderingsaanslag op te leggen. De rechtbank komt daarom toe aan de vraag of de navorderingsaanslag te hoog is vastgesteld en tot welk bedrag belanghebbende recht heeft op aftrek van specifieke zorgkosten. Extra uitgaven voor beddengoed 4.
  25. Uitgaven voor specifieke zorgkosten zijn onder meer de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven. Deze uitgaven worden in aanmerking genomen voor een bedrag van € 300 dan wel, indien blijkt dat de uitgaven € 600 te boven gaan, voor een bedrag van € 750, indien de genoemde uitgaven voortvloeien uit ziekte of invaliditeit van een persoon als bedoeld in artikel 6.16 van de Wet IB 2001 die tot het huishouden van de belastingplichtige behoort en de ziekte of invaliditeit ten minste een jaar heeft geduurd of vermoedelijk zal duren. 4.
  26. De inspecteur heeft € 300 aan extra uitgaven voor beddengoed in aanmerking genomen. Belanghebbende heeft geen stukken aangeleverd waaruit blijkt dat de extra uitgaven voor kleding en beddengoed het bedrag van € 600 te boven gaan. Belanghebbende komt daarom niet in aanmerking voor de aftrek van €
  27. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de extra uitgaven voor beddengoed niet tot een te laag bedrag in aanmerking genomen. Vervoerskosten 4.
  28. Uitgaven voor specifieke zorgkosten zijn ook de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor vervoer. Kosten die niet rechtstreeks zijn verbonden met het verkrijgen van geneeskundige hulp, maar betrekking hebben op het overige gebruik van een auto door een zieke of invalide in verband met hun ziekte of invaliditeit (leefkilometers) kunnen slechts in aftrek worden gebracht als deze meer bedragen dan die van personen die niet ziek of invalide zijn, maar overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in een gelijke positie verkeren (de maatman). De rechtbank beoordeelt daarom of belanghebbende meer vervoerskosten heeft gemaakt dan de maatman. Alleen voor dat gedeelte bestaat recht op aftrek. 4.
  29. De inspecteur heeft op basis van de door belanghebbende aangeleverde informatie (de kilometerstanden, gegevens van het RDW en een parkeerkaart) en aan de hand van gegevens van de ANWB, het CBS en Autoweek de werkelijke autokosten van belanghebbende geschat op € 4.
  30. Op basis van gegevens van het Nibud heeft de inspecteur de autokosten van de maatman vastgesteld op € 4.536 (12 maal € 378). De inspecteur heeft vervolgens € 4.536 als uitgaven voor vervoer in aanmerking genomen, ondanks dat de kosten van belanghebbende niet hoger waren dan de kosten van de maatman. 4.
  31. Belanghebbende heeft aangevoerd dat er ten onrechte is gerekend met 10.000 kilometer per jaar, in plaats van 10.000 in 8 maanden. Deze grond slaagt niet. De rechtbank leidt uit de gegevens van de RDW af dat tussen 8 januari 2021 en 27 december 2021, dus in 11,5 maanden, net iets meer dan 10.000 kilometer is gereden. 4.
  32. Verder heeft belanghebbende aangevoerd dat hij een tweede auto had waarvan de kosten niet zijn meegenomen. De inspecteur erkent dit, maar is van mening dat hij ook dan nog steeds eerder teveel dan te weinig vervoerskosten in aftrek heeft toegelaten, omdat de kosten niet meer dan € 4.536 meer zullen zijn dan de maatman. Belanghebbende heeft geen stukken aangeleverd om aannemelijk te maken dat zijn kosten voor vervoer hoger zijn dan de uitgaven voor vervoer die de inspecteur reeds in aanmerking heeft genomen. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de uitgaven voor vervoer niet tot een te laag bedrag in aanmerking heeft genomen. Tussenconclusie navorderingsaanslag 4.
  33. De inspecteur mocht een navorderingsaanslag opleggen en belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur de aftrek van specifieke zorgkosten te laag heeft vastgesteld. De navorderingsaanslag blijft in stand. De belastingrente 4.
  34. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de navorderingsaanslag volgt. Conclusie en gevolgen
  35. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de navorderingsaanslag over het jaar 2021 in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier, op 19 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. Artikel 2.13, tweede lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken, Staatscourant 2024,
  36. Artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Hoge Raad 18 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:379, r.o. 4.2.
  37. Artikel 6.17, eerste lid, onderdeel g van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). Artikel 38 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting
  38. Artikel 6.17, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB
  39. Hoge Raad 24 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9626.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.