Rechtbank Zeeland-West-Brabant – ECLI:NL:RBZWB:2025:8314
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/4031 CRTV uitspraak van 25 november 2025 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] B.V., te [plaats] , eiseres, gemachtigde: mr. E.M.F. Opering, en de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.
Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om compensatie van de transitievergoeding die zij heeft betaald aan een voormalig werknemer, [persoon 1] (de werknemer).
1.1.
Het UWV heeft deze aanvraag in een besluit van 15 januari 2024 (primair besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 maart 2024 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiseres werd vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Het UWV werd vertegenwoordigd door [persoon 2] .
Overwegingen Relevante feiten en omstandigheden 2. Eiseres produceert en distribueert wereldwijd complete teeltsystemen voor de (glas)tuinbouw. De werknemer is op 1 november 2018 bij haar in dienst getreden. Op 16 september 2021 werd de werknemer arbeidsongeschikt. De wachttijd van 104 weken verstreek op 14 september 2023, waarna sprake was van een zogenaamd slapend dienstverband.
Op 25 september 2023 heeft eiseres, in overleg met de werknemer, bij het UWV een ontslagvergunning wegens langdurige ziekte aangevraagd. Het UWV heeft die vergunning verleend op 25 oktober 2023. Op 27 oktober 2023 is de werknemer overleden. Op dat moment had eiseres het dienstverband nog niet opgezegd.
Eiseres heeft vervolgens een transitievergoeding van € 6.140,79 bruto aan de (erven van de) werknemer betaald en bij het UWV een aanvraag ingediend voor compensatie van deze vergoeding.
Standpunt van het UWV 3. Volgens het UWV komt eiseres niet in aanmerking voor compensatie van de betaalde transitievergoeding, omdat een transitievergoeding niet verschuldigd is wanneer de arbeidsovereenkomst eindigt door het overlijden van de werknemer. Met het overlijden van de werknemer op 27 oktober 2023 is de arbeidsovereenkomst van rechtswege geëindigd. Dat eiseres toch een transitievergoeding heeft betaald, kan worden gezien als goed werkgeverschap, maar er bestond geen wettelijke verplichting daartoe. Volgens het UWV biedt de toepasselijke wet- en regelgeving geen ruimte om in een situatie als deze alsnog compensatie te verlenen.
Het standpunt van eiseres 4. Eiseres stelt dat zij wel recht heeft op compensatie van de transitievergoeding, en beroept zich daarbij op een uitspraken van het gerechtshof Amsterdam van 24 augustus 2006 (ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ2522), van de Hoge Raad (HR) van 3 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2898) en 11 november 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1576), en van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 9 januari 2020 (ECLI:NL:GHSHE:2020:31). Daarnaast verwijst zij naar een uitspraak van de rechtbank Limburg van 24 maart 2023 (ECLI:NL: RBLIM:2023:2103), waaruit volgens haar volgt dat het UWV buitenwettelijk begunstigend beleid voert door artikel 7:673 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bij toepassing van artikel 7:673e van het BW zo uit te leggen dat ook recht op een transitievergoeding bestaat wanneer een traject tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst al in gang is gezet, maar de overeenkomst vóór afronding van dat traject van rechtswege eindigt op een andere grond dan genoemd in artikel 7:673 van het BW. Eiseres stelt dat zij op basis van dit beleid recht heeft op compensatie, omdat de transitievergoeding al was verschuldigd toen de ontslagprocedure werd gestart, dan wel toen de ontslagvergunning op 25 oktober 2023 werd verleend.
Relevante wet- en regelgeving 5. De relevante wet- en regelgeving in deze zaak is opgenomen in een bijlage, die is gehecht aan deze uitspraak.
Waar gaat het in deze zaak (niet) over?
Deze zaak spitst zich toe op de vraag of eiseres desondanks aanspraak kan maken op compensatie op basis van de door haar aangehaalde rechtspraak (dan wel de daarin toegepaste Xella-norm). Daarnaast moet worden beoordeeld of zij een recht op compensatie kan ontlenen aan door het UWV gevoerd beleid.
Heeft eiseres recht op compensatie op grond van de aangehaalde rechtspraak?
7.1.
Eiseres heeft daarnaast gewezen op de zogeheten Xella-beslissing en op uitspraken van de HR van 11 november 2022 en het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 9 januari 2020 die daarnaar verwijzen. Kort gezegd houdt de Xella-norm in dat een werkgever op grond van goed werkgeverschap gehouden is om in te stemmen met het redelijke voorstel tot beëindiging van een slapend dienstverband, onder toekenning van een vergoeding ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding. Ook hiervoor geldt echter dat er dan nog wel een rechtshandeling nodig is, bijvoorbeeld – zoals volgt uit de door eiseres aangehaalde r.o. 4.2 van HR 11 november 2022 – instemming met het voorstel van een werknemer tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst onder toekenning van een vergoeding ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding. In artikel 7:673e van het BW is daarmee rekening gehouden door in het derde lid het recht op compensatie uit te breiden naar situaties waarin de arbeidsovereenkomst door middel van een overeenkomst is beëindigd. Doordat de werknemer daar (nog) niet aan mee wilde werken, is dat in dit geval niet gebeurd.
Heeft eiseres recht op compensatie op grond van het buitenwettelijke beleid van het UWV?
Is sprake van een onredelijk resultaat?
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier op 25 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage: relevante wet- en regelgeving Een werkgever is sinds de invoering van de Wet werk en zekerheid per 1 juli 2015 voor een dienstverband dat op of na die datum eindigt aan de werknemer in beginsel een transitievergoeding verschuldigd op grond van artikel 7:673 van het BW.
Artikel 7:673 van het BW 1. De werkgever is aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd indien: a. de arbeidsovereenkomst:
1° door de werkgever is opgezegd;
2° op verzoek van de werkgever is ontbonden; of 3° na een einde van rechtswege op initiatief van de werkgever niet aansluitend is voortgezet en voor het eindigen van de arbeidsovereenkomst geen opvolgende arbeidsovereenkomst is aangegaan, die tussentijds kan worden opgezegd en ingaat na een tussenpoos van ten hoogste zes maanden; of b. de arbeidsovereenkomst als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever:
1° door de werknemer is opgezegd;
2° op verzoek van de werknemer is ontbonden; of 3° na een einde van rechtswege op initiatief van de werknemer niet aansluitend is voortgezet. (…) Artikel 7:673e van het BW 1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, verstrekt op verzoek van de werkgever die op grond van artikel 673 een transitievergoeding verschuldigd was, een vergoeding, indien de arbeidsovereenkomst: a. na de periode, bedoeld in artikel 670, lid 1, onderdeel a, en lid 11:
1° is beëindigd omdat de werknemer wegens ziekte of gebreken niet meer in staat was de bedongen arbeid te verrichten; of 2° van rechtswege is geëindigd en de werknemer op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, wegens ziekte of gebreken niet in staat was de bedongen arbeid te verrichten; b. is geëindigd in verband met het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming en de werkgever, die minder dan een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal werknemers in dienst had:
1° de in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet bedoelde leeftijd bereikt of heeft bereikt;
2° [Red: dit onderdeel is nog niet in werking getreden;] 3° is overleden.
Artikel 674 van het BW 1.De arbeidsovereenkomst eindigt door de dood van de werknemer.