RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02-243311-24 vonnis van de meervoudige kamer van 4 december 2025 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] thans gedetineerd in [verblijfplaats] raadsman mr. M.R.J. Schönfeld, advocaat te Breda 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 november 2025, waarbij de officier van justitie, mr. I.M. Peters, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Tevens zijn de vorderingen van de benadeelde partijen behandeld. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan herhaaldelijke mishandeling van en aan doodslag op zijn vriendin alsmede aan mishandeling van zijn vijfjarig zoontje. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het primair onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Op grond van de letseldatering gaat zij er vanuit dat verdachte zowel voor zijn vertrek naar de coffeeshop als na terugkomst geweld tegen [slachtoffer 1] (verder: [slachtoffer 1] ) heeft geuit. Op grond van het geconstateerde letsel bij [slachtoffer 1] (samendrukkende krachtsinwerking ter hoogte van de neus/mond) gaat de officier ook uit van samendrukken/smoren van neus/mond/keel/hals. Op grond van het letseldateringsonderzoek in combinatie met de verklaring van verdachte acht zij dan ook alle ten laste gelegde gedragingen bewijsbaar. De officier van justitie gaat bij dit feit uit van voorwaardelijk opzet van verdachte. Zij acht de verklaring van verdachte dat hij niet wist dat [slachtoffer 1] door het herhaaldelijk toegepaste geweld was verzwakt en minder weerbaar was, ongeloofwaardig en schuift deze terzijde. Verder zijn de gedragingen van verdachte die bestonden uit een extreme golf van geweld als gevolg van complete razernij, waarbij hij meermalen heeft geslagen, geschopt, met voorwerpen gegooid, tegen het hoofd en lichaam alsook uit het smoren en wurgen van een verzwakt en weerloos slachtoffer naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het overlijden van [slachtoffer 1] dat het niet anders kan dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard. Er zijn daarvoor geen contra-indicaties gebleken. Op grond van de stukken in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte acht de officier van justitie feit 2 en 3 eveneens wettig en overtuigend bewezen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit vrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde. Hij voert daartoe aan dat er bij verdachte op geen enkel moment de opzet is geweest om [slachtoffer 1] te doden, ook niet in voorwaardelijke zin. Verder kan niet met de vereiste zekerheid worden vastgesteld dat er sprake is geweest van het dichtknijpen van de keel/neus/mond of de hals of van het smoren van het slachtoffer. Bovendien is er op grond van het voorlopig forensisch pathologisch onderzoek met betrekking tot deze gedragingen geen sprake van een zodanige stelligheid dat het overlijden van [slachtoffer 1] hierdoor kan worden verklaard. Het subsidiair tenlastegelegde onder feit 1 kan volgens de verdediging wel wettig en overtuigend worden bewezen. Voor het tenlastegelegde onder feit 2 geldt hetzelfde met dien verstande dat gelet op het onderzoek naar de medische zoektermen op de telefoon van [slachtoffer 1] tot een kortere periode moet worden gekomen. Met uitzondering van het slaan met een voorwerp kan tot slot feit 3 wettig en overtuigend worden bewezen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Feit 1 Aanleiding Op 27 juli 2024 omstreeks 18.42 uur werd er door mevrouw [naam ] , de zus van verdachte, telefonisch contact opgenomen met de politie met de mededeling dat zij zich zorgen maakte over de vriendin van haar broer [slachtoffer 1] en hun vijfjarig zoontje [slachtoffer 2] . Zij vertelde dat verdachte eerder die dag telefonisch contact had gehad met hun moeder en haar had medegedeeld dat er in de woning van hem en [slachtoffer 1] in [plaats] een incident met zijn vriendin had plaatsgevonden waarbij hij haar had geslagen. Zij zou niet meer in leven zijn. Verdachte had ook gezegd dat hij zichzelf en zijn zoontje iets zou aandoen wanneer er politie naar zijn woning zou komen. Omstreeks 19.15 uur heeft verdachte zich samen met zijn zoontje bij het politiebureau in [plaats] gemeld. Tegelijkertijd was de politie inmiddels ter plaatse gegaan en troffen zij na binnentreden in de woning van verdachte op een matras op de vloer in de woonkamer het levenloze lichaam van een vrouw aan. Later is deze persoon door de politie geïdentificeerd als [slachtoffer 1] , hierna aan te duiden als: [slachtoffer 1] . Niet natuurlijke dood [slachtoffer 1] en de rol van verdachte Uit de lijkschouw kwam naar voren dat [slachtoffer 1] niet op een natuurlijke wijze is overleden maar vermoedelijk door een misdrijf. Er heeft vervolgens radiologisch onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer 1] plaatsgevonden waaruit is gebleken dat er sprake was van uitgebreide zwellingen ter plaatse van het hoofd, het aangezicht, de hals, de romp en de extremiteiten. Ook zijn er meerdere ribfracturen en een mogelijke fractuur van het tongbeen geconstateerd. Vervolgens is er door het NFI een sectie verricht op het lichaam van [slachtoffer 1] waarbij door de patholoog onder meer de volgende bevindingen zijn gedaan: Trauma Verspreid aan het lichaam waren talrijke letsels van wisselende ouderdom veelal als gevolg van meervoudige stompe en/of schavende krachtinwerking (zoals slagen, trappen, stoten en/of vallen). De talrijke letsels kunnen via beschadiging van spierweefsel hebben geleid tot of bijgedragen aan het overlijden. Krachtinwerking op het hoofd Aan het hoofd waren uitgebreide letsels door stompe en/of schavende krachtinwerking. De letsels waren het meest uitgesproken aan de linkerzijde van het gelaat. Gezien de breuk van de binnenste wand van de linkeroogkas is deze krachtinwerking minstens deels hevig geweest. Krachtinwerking op de mond Ter hoogte van de mond waren uitgebreide slijmvliesscheuren en bloeduitstortingen door stompe en/of samendrukkende krachtinwerking. Samendrukkende krachtinwerking op mond en neus (smoren) met afsluiting van de ademweg kan via ademhalingsfunctiestoornissen hebben geleid tot of bijgedragen aan het overlijden. Krachtinwerking op de hals Ter hoogte van de kaakranden, de kin en de hals was letsel door stompe, samendrukkende en/of toesnoerende krachtinwerking. De letsels ter hoogte van de hals waren van wisselende ouderdom. Ten aanzien van de oudere breuken van het tongbeen waren hier ook aanwijzingen voor bijkomende recentere krachtinwerking (in de vorm van bloeduitstorting ter hoogte van het tongbeen). Samendrukkende en/of toesnoerende krachtinwerking op de hals kan via belemmering van de bloedsomloop van het hoofd (met zuurstofgebrek van de hersenen tot gevolg) hebben geleid tot of bijgedragen aan het overlijden. Krachtinwerking op de romp Er waren letsels ter hoogte van de romp met meerdere recente en oude ribbreuken door (hevige) stompe en/of samendrukkende krachtinwerking. De oppervlakkige huidbeschadi-gingen tot huiddefecten kunnen ook zijn ontstaan door schavende krachtinwerking. De letsels waren meest uitgesproken aan de linkerzijde van de romp. De ribbreuken kunnen via ademhalingsfunctiestoornissen (als direct gevolg van de breuken (functioneel) en/of in het kader van pijnklachten) hebben bijgedragen aan het overlijden. Als sprake is geweest van samendrukkende krachtinwerking op de romp kan dit via belemmering van de ademhalingsbewegingen hebben geleid tot of bijgedragen aan het overlijden. Letselbeeld De uitgebreidheid van het letselbeeld, het aspect van de letsels (met patroonletsels passend bij krachtinwerking met op tegen voorwerpen), de concentratie van letsel ter hoogte van onder meer het aangezicht, alsook de relatieve sparing van zogeheten aanstootplaatsen (aan de ledematen) duiden op geweldpleging. Conclusie Het overlijden van [slachtoffer 1] , 23 jaar oud, kan worden verklaard op basis van stompe en/of (samen)drukkende krachtinwerking ter hoogte van de neus/mond, de hals en/of de romp. Het geheel aan letsels kan ook hebben geleid tot of bijgedragen aan het overlijden. Bij het forensisch pathologisch onderzoek is geen andere oorzaak van het overlijden gebleken. Verdachte heeft verklaard dat hij een aantal maanden voorafgaand aan het overlijden van [slachtoffer 1] is begonnen met het gebruiken van geweld tegen haar. Dit kwam voort uit zijn overtuiging dat [slachtoffer 1] zich bezighield met hekserij waardoor zij onder invloed stond van demonen. In de ogen van verdachte betrok zij hier ook hun vijfjarig zoontje [slachtoffer 2] bij. Met name dit laatste was voor verdachte aanleiding om [slachtoffer 1] aan te spreken. Toen bleek dat dit aanspreken niet hielp, is verdachte haar - naar eigen zeggen uit onmacht - gaan slaan. Omdat het leek alsof de klappen [slachtoffer 1] niks deden, is verdachte in de weken daarna meer geweld gaan gebruiken, wat uiteindelijk resulteerde in een neerwaartse spiraal, waarbij het geweld in aard, ernst en intensiteit steeds verder is toegenomen. In het dossier bevindt zich een selfie die door [slachtoffer 1] op 23 juli 2024 lijkt te zijn gemaakt, waarop fors aangezichts-letsel bij haar zichtbaar is. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij toen heel boos was en haar inderdaad fors heeft mishandeld. In de avond van 26 juli 2024 is verdachte opnieuw boos geworden en is hij volledig de controle over zichzelf verloren. Hij heeft [slachtoffer 1] in blinde razernij geslagen, gestompt en geschopt en hij raakte haar overal waar hij haar maar raken kon. Hij sloeg haar waar hij gaten oftewel ruimte zag. Verdachte omschrijft dit zelf als ‘strikes’ waarmee hij schoppen en slaan bedoelt. Verdachte had zichzelf niet meer in de hand en heeft in zijn boosheid ook met spullen naar [slachtoffer 1] gegooid zoals de afstands-bediening en een tablet. Ten slotte heeft hij haar geslagen met een telefoonlader. Verdachte heeft ontkend dat hij gericht geweld op de hals van [slachtoffer 1] heeft uitgeoefend, maar hij zou haar daar wel geraakt kunnen hebben. Evenmin heeft hij haar luchtwegen geblokkeerd in de zin van wurgen of smoren. Op grond van deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat in voldoende mate vaststaat dat verdachte al het bij [slachtoffer 1] geconstateerde letsel heeft veroorzaakt dat hiervoor onder het kopje ‘niet natuurlijke dood [slachtoffer 1] is omschreven. Zij acht bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] meermalen tegen het hoofd en/of andere delen van het lichaam al dan niet met voorwerpen heeft geslagen, gestompt en geschopt. Dat verdachte [slachtoffer 1] ook actief zou hebben gesmoord door de neus/mond en/of de hals/keel dicht te knijpen en/of dichtgeknepen te houden en/of samen te drukken en/of toe te snoeren kan naar het oordeel van de rechtbank niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld, nu dit in tegenstelling tot de overige gedragingen stellig door verdachte wordt ontkend en niet met voldoende zekerheid uit het sectierapport blijkt. Van dit onderdeel van de tenlastelegging wordt verdachte daarom vrijgesproken. Ook staat voor de rechtbank niet in voldoende mate vast dat er op 26 juli 2024 sprake zou zijn van twee afzonderlijke momenten van geweld. Anders dan de officier van justitie kan de rechtbank dit niet afleiden uit de sectiebevindingen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de gedragingen van verdachte niet alleen tot al het geconstateerde letsel bij [slachtoffer 1] geleid, maar ook haar dood tot gevolg gehad. Bij dat oordeel neemt de rechtbank op de eerste plaats in aanmerking de verklaring van verdachte zelf dat hij denkt dat [slachtoffer 1] door het door hem toegepaste geweld is overleden. Daarnaast kent zij veel gewicht toe aan de conclusie van de patholoog in het sectierapport dat het geheel aan letsels kan hebben geleid tot of heeft bijgedragen aan het overlijden. Nu uit het forensisch pathologisch onderzoek geen andere oorzaak van het overlijden is gebleken en hier ook overigens geen aanwijzingen voor zijn in het dossier, staat voor de rechtbank in voldoende mate vast dat de door verdachte veroorzaakte forse letsels bij [slachtoffer 1] niet slechts mogelijk een rol hebben gespeeld bij haar overlijden, maar hier daadwerkelijk de oorzaak van zijn geweest. Opzet Voor een bewezenverklaring van doodslag moet er sprake zijn van opzet bij verdachte op de dood van [slachtoffer 1] . Dat verdachte vol opzet had om [slachtoffer 1] van het leven te beroven kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld. Verdachte heeft uitdrukkelijk verklaard dat hij niet de intentie had om [slachtoffer 1] dood te slaan en het dossier bevat verder geen andere aanknopingspunten hiervoor. Ook wanneer vol opzet niet kan worden bewezen, kan in juridische zin sprake zijn van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg. Dit is aanwezig wanneer de verdachte de aanmerkelijke kans, dat dat gevolg zal intreden, bewust heeft aanvaard. Of dit het geval is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg, in dit geval het overlijden van [slachtoffer 1] , heeft aanvaard. Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, met name de aard en ernst van het letsel en de hoeveelheid concrete verwondingen van [slachtoffer 1] , stelt de rechtbank vast dat de verdachte van 26 juli 2024 op 27 juli 2024 buitensporig veel en fors geweld tegen zijn vriendin heeft gebruikt. In blinde razernij heeft hij niet alleen excessief geweld tegen haar hoofd gebruikt, maar ook tegen andere vitale lichaamsdelen. Hij sloeg en schopte haar waar hij maar raken kon waarbij hij zo tekeer ging dat hij zelfs buiten adem raakte. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke geweldsexplosie tegen onder meer het hoofd, de hals en de romp de aanmerkelijke kans met zich brengt dat [slachtoffer 1] als gevolg daarvan zou komen te overlijden. Alleen al het hoofd is immers een kwetsbaar en vitaal onderdeel van het lichaam en het geven van herhaaldelijke harde vuistslagen daartegen kan schedel- en/of hersenletsel met dodelijke afloop tot gevolg hebben. Het handelen van de verdachte, zoals hiervoor weergegeven, wordt naar zijn uiterlijke verschijningsvorm ook geacht daarop gericht te zijn geweest. Het in blinde razernij gewoonweg compleet in elkaar slaan en trappen van zijn vriendin [slachtoffer 1] tot het moment dat verdachte zelf letterlijk buiten adem was, omvat naar het oordeel van de rechtbank in zichzelf de aanvaarding op de dood. Door zo te handelen heeft de verdachte dan ook welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 1] zou komen te overlijden. Dit geldt te meer nu verdachte ondanks het duidelijk zichtbare letsel van [slachtoffer 1] als gevolg van zijn eerdere mishandelingen (o.a. op 23 juli 2024) toch opnieuw extreem geweld op haar heeft toegepast. Ten slotte weegt de rechtbank mee dat verdachte heeft verklaard dat hij zag dat [slachtoffer 1] na het door hem toegepaste geweld medische hulp nodig had en haar desondanks toch in zorgwekkende toestand heeft achtergelaten. In plaats van hulpdiensten in te schakelen, heeft verdachte ervoor gekozen om naar een coffeeshop te gaan en pas rond 02:10 uur die nacht op 27 juli 2024 terug te komen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] . Het verweer van de verdediging wordt verworpen. Feit 2 en 3 Op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat het tenlaste-gelegde onder deze twee feiten wettig en overtuigend is bewezen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1 Primair in de periode 26 juli 2024 tot en met 27 juli 2024 te [plaats] opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer 1] : - meermalen, al dan niet met een voorwerp, tegen het hoofd en andere delen van het lichaam te slaan en te stompen en te schoppen. 2 in de periode 01 april 2024 tot en met 25 juli 2024 te [plaats] [slachtoffer 1] , heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] - meermalen tegen het hoofd en andere delen van het lichaam te slaan en te stompen en te schoppen, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel. 3 in de periode 26 juli 2024 tot en met 27 juli 2024 te [plaats] zijn kind, [slachtoffer 2] , heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] meermalen tegen het hoofd en/of andere delen van het lichaam te slaan. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een terbeschikkingstelling (verder: tb)s met verpleging van overheidswege. Gelet op de aard en ernst van de feiten waarbij sprake is van femicide en intieme terreur, de roep om vergelding, de enorme schok voor de maatschappij en blijvende gevolgen voor de nabestaanden, in het bijzonder [slachtoffer 2] , vordert zij ook een gevangenisstraf en wel voor de duur van 14 jaar met aftrek van voorarrest. Volgens haar is deze gevangenisstraf niet van onacceptabele hoogte in combinatie met de tbs-maatregel. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vraagtekens gezet bij de conclusie van de deskundigen tot verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, maar heeft hieraan geen juridische consequenties verbonden. Wanneer een tbs-maatregel aan verdachte wordt opgelegd, bepleit de verdediging een (relatief) korte gevangenisstraf op te leggen zodat een behandeling op een zo kort mogelijke termijn kan starten. Daarnaast wordt verzocht om op grond van artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr) een advies op te nemen omtrent het tijdstip waarop de tbs-maatregel dient aan te vangen. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Aard en ernst van de feiten In de nacht van 26 op 27 juli 2024 heeft verdachte zijn vriendin [slachtoffer 1] door geweld van het leven beroofd. Hij heeft haar op dat moment in blinde razernij meermalen geslagen, gestompt, getrapt en met voorwerpen geslagen. Aan deze geweldsexplosie ging een periode van vier maanden vooraf waarin verdachte richting [slachtoffer 1] geweld gebruikte dat naar zijn aard en ernst steeds heftiger werd. Deze laatste nacht heeft verdachte [slachtoffer 1] zo ernstig toegetakeld dat zij niet lang daarna aan haar verwondingen is overleden. In dezelfde fatale nacht heeft verdachte ook hun vijfjarig zoontje [slachtoffer 2] mishandeld. Na het buitensporig geweld is verdachte uit de woning vertrokken richting een coffeeshop en heeft hij [slachtoffer 1] met hun zoontje aan haar lot overgelaten. Toen hij enkele uren later terugkwam, was [slachtoffer 1] niet meer in leven. Verdachte heeft op dat moment besloten om niet de politie te bellen maar samen met zijn zoontje te gaan slapen. Pas in de avond van 27 juli 2024 is verdachte met [slachtoffer 2] naar de politie gegaan. [slachtoffer 1] is diezelfde avond levenloos door de politie op een matras in de woonkamer in een zeer vervuild appartement aangetroffen met verspreid over haar lichaam talrijke letsels van wissende ouderdom. Ook [slachtoffer 2] had over zijn gehele lichaam diverse blauwe plekken, schaaf- en kraswonden. Verdachte heeft het meest kostbare bezit van zijn vriendin [slachtoffer 1] , namelijk haar leven, bruut afgenomen. [slachtoffer 1] was een jonge vrouw van nog maar 23 jaar oud en zij had op deze leeftijd in de bloei van haar leven moeten zijn met een zorgzame en liefdevolle partner en een fijn gezins- en familieleven in een veilige woning. Het moet voor haar afschuwelijk zijn geweest om telkens door haar vriend in haar eigen woning in het bijzijn van hun jonge zoontje te worden mishandeld. Dit valt echter in het niet bij de laatste momenten die [slachtoffer 1] moet hebben gehad. De rechtbank kan alleen maar raden naar wat er door haar heen moet zijn gegaan toen zij zwaar gewond en met veel pijn op de grond lag. Wist zij dat ze dood ging? Heeft zij nog afscheid genomen van [slachtoffer 2] ? We weten het niet. Het handelen van verdachte heeft niet alleen onomkeerbare gevolgen gehad voor het leven van [slachtoffer 1] , maar ook voor [slachtoffer 2] . Verdachte heeft namelijk de meest belangrijke persoon in zijn leven met wie hij altijd samen was, uit zijn leven weggerukt waardoor hij de rest van zijn leven zijn moeder zal moeten missen. Los van het feit dat verdachte hiermee onherstelbaar leed bij [slachtoffer 2] heeft veroorzaakt, heeft hij hem ook nog eens zeer traumatische gebeurtenissen laten doorstaan. [slachtoffer 2] is namelijk telkens een weerloze getuige geweest van de ernstige mishandelingen van zijn moeder, tot aan de laatste fatale geweldsexplosie aan toe. Het gedrag van zijn vader is voor een jongetje van vijf jaar die afhankelijk was van beide ouders en zich veilig bij zijn vader had moeten kunnen voelen, onbegrijpelijk en angstaanjagend. Het is bovendien schrijnend en weerzinwekkend om te beseffen dat [slachtoffer 2] geheel ontredderd met zijn ernstig gewonde moeder in de woning is achtergelaten en dat hij letterlijk moederziel alleen was toen zij overleed. Uit de verklaring die namens hem op de terechtzitting is voorgelezen blijkt ook dat hij het eng vond om met zijn moeder alleen te zijn en haar dood te zien. Ook begrijpt hij niet waarom zijn vader boos was op hem en zijn moeder. Hij is verdrietig wanneer hij aan zijn vader denkt maar is niet meer zo erg bang omdat hij weet dat zijn vader in de gevangenis zit. Deze afschuwelijke gebeurtenissen hebben een gezonde ontwikkeling van [slachtoffer 2] ernstig doorkruist en zullen nog lang van invloed zijn op zijn toekomst. Tot slot heeft het handelen van verdachte bij de nabestaanden van [slachtoffer 1] voor veel verdriet gezorgd en een groot gemis veroorzaakt. Naaste familieleden hebben zich op de terecht-zitting indrukwekkend uitgelaten over wat voor impact het overlijden van [slachtoffer 1] op hen heeft gehad en blijft hebben. Hierbij hebben zij verteld niet alleen gegriefd te zijn door het geweld dat verdachte op [slachtoffer 1] heeft toegepast en door haar dood, maar ook doordat verdachte haar had geïsoleerd van hen en haar de laatste maanden zo heeft mishandeld dat haar leven een hel moet zijn geweest. Ook benadrukken zij dat dat [slachtoffer 1] in haar relatie met verdachte degene was die, tot het laatst toe, bleef werken voor het gezinsinkomen en bleef zorgen voor [slachtoffer 2] , terwijl verdachte hieraan geen bijdrage leverde en zelf een ogenschijnlijk normaal leven leidde. De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte Verdachte is ter observatie opgenomen bij het [kliniek] (verder: [kliniek] ). Naar aanleiding hiervan hebben de deskundigen [psychiater] , en [GZ-psycholoog] , beiden verbonden aan het [kliniek] , een rapport opgesteld gedateerd op 10 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.