← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2025:8534

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/6415 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 oktober 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: [gemachtigde 1] ), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek, het college (gemachtigde: [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] ). Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [vergunninghouder 1] en [vergunninghouder 2] uit [plaats] (gemachtigde: mr. K.M. Peters) (vergunninghouders). Samenvatting

  1. Deze uitspraak gaat over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het realiseren van een woongebouw met 19 appartementen en twee commerciële ruimten op de percelen [adres 1] en [adres 2] . Het college heeft deze vergunning op 21 november 2023 verleend voor de activiteiten ‘bouwen’, ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ en ‘uitweg/inrit’ aanleggen (hierna: de omgevingsvergunning). Eiseres is het niet eens met de omgevingsvergunning en met de ongegrondverklaring van haar bezwaar. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. 1.
  2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het gedeelte van het bouwplan op het [adres 1] terecht heeft gekwalificeerd als bijbehorend bouwwerk. Echter heeft het college niet gemotiveerd in welke mate het bouwplan afwijkt van de toegestane bebouwingspercentages en wat de ruimtelijke gevolgen daarvan zijn. Hierdoor ontbreekt een deugdelijke motivering van het besluit. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop
  3. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning. 2.
  4. Met het bestreden besluit van 27 augustus 2024 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. 2.
  5. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.
  6. De rechtbank heeft het beroep op 1 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van het college, [vergunninghouder 2] en de gemachtigde van vergunninghouders. Beoordeling door de rechtbank Beroep niet tijdig beslissen
  7. Eiseres heeft beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar. Het college heeft met het bestreden besluit alsnog op het bezwaar beslist en een dwangsom toegekend. Daarmee is het belang bij de beoordeling van het beroep wegens niet tijdig beslissen komen te vervallen. Het beroep wegens niet tijdig beslissen wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. Wettelijk kader
  8. Het bestreden besluit is gebaseerd op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die wet is vervallen als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari
  9. Op grond van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet blijft het oude recht van toepassing op een besluit op een aanvraag die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend. De aanvraag voor de omgevingsvergunning is in deze zaak ingediend vóór 1 januari
  10. Dat betekent dat in dit geval het oude recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Dit omvat onder andere de Wabo. Bekendmaking
  11. Eiseres voert aan dat de omgevingsvergunning opnieuw gepubliceerd had moeten worden. Volgens haar is in de publicatie en de bijbehorende stukken ten onrechte niet vermeld dat de omgevingsvergunning, naast het [adres 2] , ook betrekking heeft op het [adres 1] . Eiseres stelt dat het hierdoor voor haarzelf en voor andere belanghebbenden onduidelijk was op welke percelen de omgevingsvergunning precies zag. Op zitting heeft eiseres hieraan toegevoegd dat zij van mening is dat het college niet transparant heeft gehandeld en dat sprake is van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. 5.
  12. De rechtbank stelt vast dat in de omgevingsvergunning slechts het [adres 2] is vermeld, terwijl de omgevingsvergunning ook betrekking heeft op [adres 1] . Daarnaast stelt de rechtbank vast dat eiseres tijdig bezwaar en beroep heeft kunnen instellen, dus hierdoor niet in haar belangen is geschaad. Dat dit mogelijk voor andere belanghebbenden anders kan liggen, raakt het persoonlijk belang van eiseres niet en zij kan alleen opkomen voor haar eigen belang(en). De beroepsgrond slaagt daarom niet. Toetsingskader omgevingsvergunning
  13. De Wabo kent in artikel 2.10 een verplicht toetsingskader voor de activiteit ‘bouwen’. Kort gezegd betekent dit dat het college moet toetsen of het bouwplan voldoet aan het bouwbesluit, de bouwverordening, het geldende bestemmingsplan ‘Centrumplan Hilvarenbeek 1992’ (hierna: bestemmingsplan) en de redelijke eisen van welstand. Indien er geen sprake is van strijd met één van deze weigeringsgronden moet het college de vergunning verlenen. Indien er zich één van deze weigeringsgronden voordoet, is het college in beginsel verplicht de omgevingsvergunning voor het bouwen te weigeren. 6.
  14. Als er sprake is van strijd met het bestemmingsplan, is het college verplicht te onderzoeken of er alsnog een vergunning kan worden verleend. Het college heeft dat onderzocht en is tot de conclusie gekomen dat hij een vergunning wil verlenen in afwijking van het bestemmingsplan. Het college heeft beleidsruimte om al dan niet de vergunning in afwijking van het bestemmingsplan te verlenen. Het college is in dit geval van mening dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en heeft daarom de vergunning verleend. De rechtbank moet dit terughoudend toetsen. Toetsing planregels
  15. Beide percelen van het bouwplan hebben de bestemming ‘Kernwinkelgebied’ en zijn bestemd voor wonen, detailhandel, zakelijke en maatschappelijke dienstverlening, horeca en behoud, bescherming, herstel en ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden. Het bouwplan voldoet volgens de omgevingsvergunning op de volgende punten niet aan het bestemmingsplan: “het grootste gedeelte van het hoofdgebouw is 15,5m hoog waar volgens het bestemmingsplan een bouwhoogte van 15m is toegestaan; de goothoogte van het hoofdgebouw 10,41m bedraagt waar het bestemmingplan 10m toelaat; de goothoogte ter plaatse van het torentje 12,11m bedraagt waar het bestemmingsplan 10m toelaat; een gedeelte van het gebouw ter plaatse van de galerijen, de liftschacht en trappenhuizen alsmede een deel van de winkel en de ingang van de parkeergarage is buiten de aanduiding van 10m goot- en 15m bouwhoogte gelegen. Het bestemmingsplan laat daar een lagere hoofdgebouw (maximaal 11m nok en 5,5m goot en daarachter 4m nok en 3m goot) toe en op het binnenterrein een lagere bijgebouw met een oppervlakte van 65m2, een maximale bouwhoogte van 3,5m en een maximale goothoogte van 2,75m).” 7.
  16. Daarnaast is op deze gronden het parapluplan ‘Parkeren Hilvarenbeek 2018’ (hierna: parapluplan) van toepassing. Eiseres betwist dat het bouwplan binnen de bepalingen van dit parapluplan past. Behoefteonderzoek
  17. Eiseres voert aan dat het college geen onderzoek heeft verricht naar de behoefte aan het bouwplan zoals vereist door artikel 3, aanhef en vijfde lid, van het bestemmingsplan. Volgens eiseres heeft het college onvoldoende onderzocht of het bouwplan aansluit bij de feitelijke en planologische behoefte vanuit de omliggende kern en regio. 8.
  18. Het college erkent dat er geen specifiek behoefteonderzoek is uitgevoerd voor het bouwplan. Het college stelt echter dat op basis van het bestemmingsplan en het bijbehorende beleid voldoende draagvlak mag worden aangenomen. Het bestemmingsplan heeft een behoudend karakter en is vastgesteld met ruimte voor dergelijke ontwikkelingen. Aanvullend onderzoek is niet vereist, aldus het college. 8.
  19. Het door eiseres’ genoemde artikel bepaalt: “De nog te ontwikkelen (centrum)voorzieningen moeten qua aard en omvang zijn afgestemd op de behoefte vanuit de kern Hilvarenbeek en op de centrumpositie die deze kern in de regio inneemt.” De rechtbank stelt voorop dat dit geen behoefteonderzoek is op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan is meer dan dertig jaar geleden vastgesteld. De behoefte aan woningen is tegenwoordig algemeen bekend. Het college mocht volstaan met de motivering die hij gegeven heeft, nu deze aansluit bij de behoefte zoals vastgesteld in het Addendum Woonvisie en bij de doorstroming die het college beoogt voor levensbestendige woningen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank niet gebleken dat dit bouwplan, qua aard en omvang, onvoldoende is afgestemd op de behoefte vanuit het centrum van Hilvarenbeek. Het betoog van eiseres slaagt daarom niet. Structuurvisie Hilvarenbeek
  20. Eiseres stelt dat het bestreden besluit in strijd is met de Structuurvisie Hilvarenbeek (hierna: Structuurvisie). Uit hoofdstuk 8.1.5 van de Structuurvisie volgt dat grote schaalverschillen in bouwhoogte, bouwmassa, gevelindeling en architectuurvorm met de directe omgeving voorkomen moeten worden. Nieuwe initiatieven op meerdere aaneengesloten percelen dienen het oorspronkelijk individueel karakter van het straatbeeld te respecteren. Het pad, wat de percelen scheidt, wordt daarnaast opgeofferd in strijd met de Structuurvisie. Eiseres vindt dat het besluit op dit punt onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. 9.
  21. Het college benadrukt dat de Structuurvisie een algemeen, strategisch beleidsdocument is waarin hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid zijn vastgelegd. Die Structuurvisie heeft geen juridische status. Een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘handelen in strijd regels ruimtelijke ordening’ hoeft hier niet volledig aan te voldoen. Het bestreden besluit past binnen de uitgangspunten van de Structuurvisie, aldus het college. 9.
  22. Met betrekking tot de verwijzing naar de Structuurvisie merkt de rechtbank op dat een structuurvisie een beleidskader geeft, waarbinnen het college ruimtelijke ontwikkelingen moet beoordelen. Een structuurvisie geeft sturing en richting, maar bevat geen harde voorwaarden zoals de regels van een bestemmingsplan dat wel zijn. In hoofdstuk 8.1.5 van de Structuurvisie staan voorschriften over de straten die het verbindende lint vormen van de kern van Hilvarenbeek, waaronder de [straat 1] . De door eiseres aangehaalde passages uit dit hoofdstuk zijn te algemeen omschreven. Hieruit kan niet worden afgeleid dat elke ontwikkeling die bestaat uit schaalverschillen in bouwhoogte, bouwmassa, gevelindeling en architectuurvorm niet kunnen worden gerealiseerd. Het zijn enkel toetsingscriteria waarmee het college rekening moet houden. Om die reden kan niet worden gesproken over strijdigheid met het bestemmingsplan. Het betoog van eiseres slaagt niet. Parapluplan
  23. Volgens eiseres motiveert het college niet waarom juist deze categorisering van appartementen is gekozen noch wat voor winkels worden gerealiseerd. Daarnaast is niet toegelicht waarom bepaalde parkeernormen worden toegepast. De bezwarencommissie heeft het college bovendien geadviseerd om duidelijk inzicht te geven in de gehanteerde normen voor de winkelruimte, wat volgens eiseres niet is gebeurd. Hierdoor ontbreekt een voldoende transparante en inhoudelijke motivering van de parkeerberekening en de toepassing van het beleid zoals vastgelegd in het parapluplan. 10.
  24. Het college stelt dat het bestreden besluit voldoende inzicht en motivering bevat over de gehanteerde parkeernormen en de wijze van berekening. Het plan is beoordeeld binnen het kader van het parapluplan, waarbij rekening is gehouden met het juiste gebiedstype en de gevolgen van de aanleg van een uitweg die parkeerplaatsen kost. Deze vermindering is meegenomen in de parkeerbalans. Het college merkt op dat eiseres geen tegenberekening of vergelijkbaar bewijs heeft aangeleverd om de aangevoerde parkeerproblematiek te onderbouwen. Het college is van mening dat met de opgenomen parkeerberekening is voldaan aan de motiveringsplicht dat er voldoende (openbare) parkeerplaatsen beschikbaar blijven. 10.
  25. De rechtbank overweegt dat het parapluplan fungeert als het geldende parkeerbeleid en normen bevat die worden toegepast bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente. In dit parapluplan staan parkeernormen vastgelegd voor verschillende gebiedstypen binnen de gemeente Hilvarenbeek waaraan het plan moet voldoen. Bij de vergunningverlening moet het college in de motivering toelichten welke parkeernormen zijn gehanteerd, waarom die normen passend zijn voor het project, hoe eventuele bijzondere situaties (zoals het verlies van parkeerplaatsen door uitritten) zijn verwerkt en welke uitgangspunten zijn gehanteerd voor de commerciële ruimten. 10.
  26. Het college heeft in het bestreden besluit een parkeerberekening opgenomen die aansluit bij het parapluplan. In deze berekening is uitgelegd welke normen er gehanteerd worden bij het berekenen van het aantal parkeerplaatsen. Deze berekening geeft voldoende inzicht in de gehanteerde parkeernormen, de categorisering van de woningen en functies en de verwerking van diverse factoren zoals vermindering door uitritten. Het college heeft hiermee voldaan aan de motiveringsplicht. Het betoog van eiseres slaagt niet. Situering van de voorgevel
  27. Eiseres stelt dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat de voorgevel van het bouwplan niet aan de [straat 2] ligt. Volgens haar tonen de bouwtekeningen duidelijk dat de gevel aan de [straat 2] is aangeduid als “voorgevel”. Bovendien bevindt zich aan de [straat 2] de hoofdontsluiting van het perceel in de vorm van een poort naar de parkeergarage. De hoofdmassa van het bouwplan ligt eveneens aan de [straat 2] . Het college miskent volgens eiseres hiermee de feitelijke situatie en handelt daarmee in strijd met het bestemmingsplan. 11.
  28. Het college voert aan dat het bouwplan voldoet aan de definitie in het bestemmingsplan. De hoofdtoegang van het te realiseren bouwplan is gelegen aan de [straat 1] . Hierbij merkt het college op dat in het bestemmingsplan niet is opgenomen dat het niet is toegestaan om twee toegangen tot een gebouw te realiseren. 11.
  29. Artikel 1, aanhef en lid 37, van het bestemmingsplan definieert de voorgevelrooilijn als: “de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft”. Volgens artikel 7, aanhef en derde lid, onder a, van het bestemmingsplan dienen hoofdgebouwen te worden opgericht in de naar de weg gekeerde bouwgrens/vogelrooilijnen zoals op de plankaart aangegeven. Deze is conform de plankaart gericht naar de [straat 1] . 11.
  30. Dat de gevel aan de [straat 2] op de bouwtekening als “voorgevel” is aangeduid en dat zich daar een tweede ontsluiting bevindt, maakt dit niet anders. De aanwezigheid van meerdere toegangen is planologisch toegestaan. Als discussie ontstaat over de ligging van de voorgevel, wordt primair uitgegaan van de ligging van de voorgevelrooilijn zoals die in het bestemmingsplan is vastgelegd. Nu deze aan de [straat 1] ligt, heeft het college terecht aangenomen dat de voorgevel van het bouwplan aan de [straat 1] is gelegen. Het betoog van eiseres slaagt om die reden niet. Peil
  31. Eiseres stelt dat het college bij de berekening van de bouw- en goothoogtes is uitgegaan van een onjuist peil. Volgens artikel 1, aanhef en lid 34, onder a, van het bestemmingsplan geldt dat voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst, het peil wordt bepaald op de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang. Omdat het peil wordt vastgesteld op basis van de voorgevel, zou volgens eiseres, als juist was uitgegaan van de [straat 2] als voorgevel, het peil ook vanaf deze straat moeten worden gemeten. In het centrum van [plaats] verschillen de hoogtes van de wegen, zodat de keuze van de juiste voorgevel bepalend is voor het peil. Daarnaast wijst eiseres erop dat in de bouwtekeningen de hoogteberekeningen zijn uitgevoerd vanaf een lijn “0 begane grond”, die hoger ligt dan het trottoir, en dat er onjuiste afrondingen naar beneden zijn toegepast. 12.
  32. Het college stelt dat het peil terecht is bepaald aan de [straat 1] , aangezien de voorgevel daar is gesitueerd. Naar aanleiding van het beroep heeft het college een aanvullende tekening met NAP-gegevens overgelegd. Hieruit blijkt dat het feitelijke peil 17,69 meter boven NAP bedraagt, terwijl in de oorspronkelijke maatvoering 17,80 meter boven NAP is gehanteerd. Het verschil bedraagt 11 centimeter. Dit betekent dat de werkelijke bouw- en goothoogtes 11 centimeter hoger zijn dan aanvankelijk berekend. Volgens het college blijven de hoogtes, ook na correctie, binnen de in het bestemmingsplan en de afwijkingsmogelijkheden toegestane maxima. Het verschil is volgens het college ondergeschikt en veroorzaakt geen onevenredige schade aan de belangen van omwonenden. 12.
  33. De rechtbank overweegt dat de hoogte van het peil moet worden bepaald aan de hand van de definitie zoals opgenomen in het bestemmingsplan. De hoogte van het peil is dus afhankelijk van de positie van de voorgevel. De rechtbank heeft al geoordeeld dat de voorgevel is gesitueerd aan de [straat 1] en het college heeft het peil op deze basis vastgesteld. Ook is niet gebleken van een relevante inbreuk op de belangen van eiseres door het verschil van 11 centimeter. Het betoog van eiseres slaagt daarom niet. Bijbehorend bouwwerk
  34. Eiseres stelt dat het incorrect is om het deel van het hoofdgebouw dat op het [adres 1] is gelegen, te vergunnen als bijbehorend bouwwerk, omdat dat gedeelte een integraal onderdeel is van het hoofdgebouw dat vooral op [adres 2] staat en niet ondergeschikt is in functie. Dat maakt de toepassing van de kruimelgevallenregeling discutabel, omdat die bedoeld is voor uitbreidingen van een hoofdgebouw of functioneel verbonden bouwwerken op hetzelfde perceel. Als het deel van het bouwplan van [adres 1] geen op zichzelf staand hoofdgebouw is, maar slechts een deel van een ‘doorlopend’ hoofdgebouw, dan kan het geen bijbehorend bouwwerk zijn. 13.
  35. De rechtbank overweegt dat het te realiseren hoofdgebouw vooral gelegen is op [adres 2] , perceelnummer [nummer 1] . Drie meter van het hoofdgebouw ligt op [adres 1] , perceelnummer [nummer 2] , en dat deel heeft het college vergund als bijbehorend bouwwerk op grond van artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor), ook wel bekend als de kruimelgevallenregeling. Artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor definieert een bijbehorend bouwwerk als: “uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.” 13.
  36. In bijlage II van het Bor is niet de beperking opgenomen dat de uitbreiding van het hoofdgebouw functioneel of bouwkundig moet zijn te onderscheiden van het hoofdgebouw. Ook volgt daaruit niet dat de uitbreiding aan de rest van het gebouw ondergeschikt moet zijn of dat het om een bestaand gebouw moet gaan. In beginsel kan de bebouwing op het kadastrale [adres 1] dus aangemerkt worden als bijbehorend bouwwerk. Uit de definitie volgt verder dat een bijbehorend bouwwerk zich op hetzelfde perceel als het hoofdgebouw moet bevinden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft verduidelijkt dat bij deze beoordeling de feitelijke actuele situatie beslissend is. Dit betekent dat moet worden gekeken naar de inrichting en het gebruik van de gronden, en niet uitsluitend naar kadastrale grenzen. Indien het bouwwerk en het hoofdgebouw zich op afzonderlijke percelen bevinden die niet als één geheel zijn ingericht, kan geen sprake zijn van een bijbehorend bouwwerk in de zin van het Bor. 13.
  37. Gelet op het voorliggende bouwplan waarbij de kadastrale percelen feitelijk als één perceel worden gebruikt voor het realiseren van het bouwplan, is de rechtbank van oordeel dat het hier gelet op de feitelijke actuele situatie als één perceel moet worden aangemerkt. Ook aan die voorwaarde van artikel 4, aanhef en eerste lid, in samenhang met artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor is daarmee voldaan. De rechtbank oordeelt dan ook dat de bebouwing op [adres 1] kwalificeert als een bijbehorend bouwwerk in de zin van artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor. Het college mocht de kruimelgevallenregeling hier dus toepassen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek
  38. Eiseres voert aan dat het college niet inzichtelijk heeft gemaakt in welke mate het bouwplan afwijkt van de toegestane bebouwingspercentages uit het bestemmingsplan. Volgens eiseres is duidelijk dat nagenoeg het gehele [adres 1] zal worden volgebouwd, waardoor er feitelijk sprake is van een bebouwing van bijna 100% van het perceel. Juist op dit gedeelte van het bouwplan bevinden zich volgens eiseres de grootste afwijkingen. Zij stelt dat deze afwijkingen leiden tot een aanzienlijke aantasting van haar woon- en leefklimaat, onder meer doordat haar woonkamer uitkijkt op het achterste deel van dit perceel. De afwijkingen op het [adres 2] vindt eiseres daarentegen minder bezwaarlijk en acht zij aanvaardbaar. 14.
  39. De rechtbank overweegt dat het college in het bestreden besluit en ook op zitting niet kenbaar heeft gemaakt welke maximale bebouwingspercentages op grond van het bestemmingsplan gelden en of daarvan wordt afgeweken (en zo ja, in welke mate). Als er is afgeweken, dan ontbreekt ook een motivering van de gevolgen van deze afwijkingen voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het bouwplan, zowel afzonderlijk voor het [adres 1] als in samenhang met de overige delen van het plan. Gelet op de mate van verstening en de resterende open ruimte binnen het bouwvlak, had het college moeten beoordelen of deze gestelde afwijkingen dan niet alsnog leiden tot strijd met een goede ruimtelijke ordening, al dan niet in combinatie met de overige strijdigheden die zijn vergund. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt. Bestuurlijke lus
  40. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek kent. 15.
  41. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen, de zogeheten ‘bestuurlijke lus’. De rechtbank ziet aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken. Het college wordt in de gelegenheid gesteld om de ontbrekende motivering te herstellen. Hierbij moet inzichtelijk worden gemaakt of er is afgeweken van de toegestane bebouwingspercentages en zo ja, wat de effecten daarvan zijn op de goede ruimtelijke ordening – mede in samenhang met de overige (gestelde) strijdigheden – en op welke wijze het college deze afwijkingen heeft betrokken in de belangenafweging. Daarbij moet het college (laten) motiveren of dit leidt tot een ander standpunt ten aanzien van de redelijke eisen van welstand. 15.
  42. De rechtbank zal de termijn waarbinnen het college de gebreken kan (laten) herstellen bepalen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak. Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, aan de rechtbank meedelen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting einduitspraak doen op het beroep. 15.
  43. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak. Dat betekent ook dat zij over het griffierecht en de proceskosten nu nog geen beslissing neemt. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk; - draagt het college op binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen; - stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak; - houdt iedere verdere beslissing aan. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van mr. B.A.M. van Hoof, griffier, op 24 oktober 2025, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Artikel 2.10, tweede lid van de Wabo. Artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo. Het perceel kadastraal bekend als gemeente [plaats] , [sectie] , [nummer 2] , plaatselijk bekend als [adres 1] , en het perceel kadastraal bekend als gemeente [plaats] , [sectie] , [nummer 1] , plaatselijk bekend als [adres 2] . Artikel 7, eerste lid, van het bestemmingsplan. Zie onder meer artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1636, r.o. 3.
  44. ABRvS 9 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1515 en ABRvS 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:
  45. ABRvS 28 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:
  46. ABRvS 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:677, r.o.
  47. Zie de tabel op pagina 7 van het aanvullende beroepschrift van eiseres van 20 juli 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.