RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/6219 uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 december 2025 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: [gemachtigde] ), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal (college), verweerder. Inleiding 1.
- In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de feitelijke levering van een perceel aan de buurvrouw van verzoeker die gepland staat op 9 december
- 1.
- Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.
- Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is om op het verzoek te beslissen doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2.
- De gemeente is voornemens om en nabij dinsdag 9 december 2025 de gemeentelijke groenstrook gelegen voor het perceel aan de [adres] te [woonplaats] , [sectie] , [nummer] te verkopen aan de bewoner van [adres] te [woonplaats] . Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 2.
- Volgens artikel 8:81 Awb – voor zover hier van belang – kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.
- De voorzieningenrechter beoordeelt ambtshalve of het verzoek om voorlopige voorziening en het onderliggende bezwaarschrift van 4 december 2025 zijn gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. 2.
- Uit artikel 8:1 gelezen in verbinding met artikel 7:1 van de Awb volgt dat alleen bezwaar kan worden gemaakt tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van die wet. Volgens laatstgenoemd artikel wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is een handeling die naar haar aard op rechtsgevolg is gericht. Dat betekent dat er een verandering optreedt in iemands bestaande rechten, verplichtingen of bevoegdheden of dat het bestaan van rechten, verplichtingen of bevoegdheden bindend wordt vastgesteld.
- De voorgenomen verkoop en notariële levering van de gemeentelijke groenstrook door de gemeente zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter civielrechtelijke rechtshandelingen. De bestuursrechter is dus onbevoegd om van het geschil kennis te nemen. Indien verzoeker zijn zaak aan de rechter wil voorleggen, dient hij zich tot de civiele rechter te wenden. De voorzieningenrechter heeft het verzoekschrift niet doorgestuurd naar de civiele rechter. Conclusie en gevolgen
- De voorzieningenrechter (een bestuursrechter) is daarom kennelijk niet bevoegd om te beslissen op het verzoek om een voorlopige voorziening. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Omdat er nog geen griffierecht is betaald, is er ook geen aanleiding te bepalen dat dat wordt terugbetaald. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om van het verzoek om voorlopige voorziening kennis te nemen. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J.J. van Roij, griffier, op 5 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.