RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/438809 / JE RK 25-1494 Datum uitspraak: 15 september 2025 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, regio Zeeland-West-Brabant, hierna te noemen: de Raad, gevestigd te Middelburg, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. A.A. Broekman - de Feijter te Terneuzen, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [plaats 1] , advocaat: mr. N. Wouters te Middelburg, de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de GI, gevestigd te Middelburg. 1Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift van 13 augustus 2025, ontvangen op 13 augustus 2025; de bijlagen bij het verzoekschrift, ontvangen op 26 augustus 2025 en 5 september 2025. 1.2. De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 september 2025. Daarbij waren aanwezig: beoordeling: de moeder, bijgestaan door haar advocaat; mr. R. Wouters, als waarnemend advocaat voor mr. N. Wouters; een vertegenwoordigster namens de Raad; een tweetal vertegenwoordigers namens de GI. Hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, is niet verschenen: - de vader. 2De feiten 2.1. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. Bij beschikking van 17 juni 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige] , zonder voorafgaand horen van de belanghebbende(n), voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 17 juni 2025 en tot 1 juli 2025. Tevens heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 17 juni 2025 en tot 1 juli 2025. Het overige deel van de beslissingen is aangehouden tot aan de mondelinge behandeling op 30 juni 2025. 2.3. Bij beschikking van 30 juni 2025 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 1 juli 2025 en tot 17 september 2025. Tevens heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 1 juli 2025 en tot 17 september 2025. 2.4. Op grond van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] bij een (neutraal) pleegezin. 3Het verzoek 3.1. De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4De standpunten 4.1. De Raad handhaaft het verzoek en stelt, aanvullend op de overgelegde stukken, dat de GI op een voortvarende wijze regie houdt op de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin. Daarnaast onderzoekt de GI ook de mogelijkheid van een plaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin. Een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden is passend. De Raad heeft het vertrouwen dat de GI de passende stappen zet als een wijziging van de verblijfssituatie van [minderjarige] gerealiseerd moet worden. Als het verzoek voor drie maanden wordt toegewezen, komt er veel druk op de GI. De GI moet zich dan op korte termijn focussen op een verlengingsverzoek, hetgeen het onderzoek naar een plaatsing in het netwerkpleeggezin zal vertroebelen. Het is tot slot van belang dat er op korte termijn duidelijkheid komt over het perspectief van [minderjarige] . De GI handelt hier echter al naar. 4.2. Door en namens de moeder wordt ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat het deze week best goed gaat met haar. Ze had geen vertrouwen meer in de hulpverlening, maar na een goed gesprek met haar advocaat wil de moeder er toch voor gaan. De afgelopen periode is erg zwaar, gelet op de uithuisplaatsing van [minderjarige] , persoonlijke zaken met de ouders van de moeder en het dagelijks gebruik van middelen. De moeder herkent zich in de zorgen over haar netwerk. Ze zou graag de zorg over [minderjarige] weer willen dragen, maar ze weet dat het nu nog niet mogelijk is. Eerst wil de moeder haar verslaving en de onderliggende problematiek aanpakken. Daarnaast verklaart de moeder dat ze soms emotioneel is voor een bezoek aan [minderjarige] , hetgeen ze wel goed kan aangeven. Er zijn echter ook bezoeken geweest die fijn waren. De advocaat licht toe dat de moeder graag wil dat er een goed contact is tussen [minderjarige] en de vader. Echter, gelet op hun huidige band, is het niet aannemelijk dat er binnen korte termijn een plaatsing bij de vader kan worden gerealiseerd. Verder is een uithuisplaatsing voor de duur van drie maanden te kort om meer duidelijkheid te verkrijgen over het contact tussen de vader en [minderjarige] en het verloop van de behandeling van de moeder. De moeder is akkoord met het feit dat de GI voor de langere termijn beziet of een netwerkplaatsing een mogelijkheid is, aangezien er een oplossing moet zijn als de behandeling van de moeder niet loopt zoals verwacht. De wens van de moeder is wel dat de behandeling goed gaat en dat er daarna kan worden toegewerkt aan een terugthuisplaatsing. De moeder wil graag dat de plaatsing in het huidige pleeggezin wordt voortgezet, aangezien [minderjarige] daar gewend is en nog een tijdje bij hen kan verblijven. De moeder verzet zich tegen een netwerkplaatsing op de korte termijn, aangezien er vaak conflicten zijn tussen de families en de moeder geen contact heeft met de oma vaderszijde. 4.3. Namens de vader verklaart de advocaat dat het prima met hem gaat. Hij heeft eenmaal per week contact met [minderjarige] , hetgeen de vader te weinig vindt. De vader zou graag meer contact willen. Hij vindt het nog wel lastig om goed aan te sluiten bij [minderjarige] , aangezien ze voorheen weinig contact hebben gehad. De oma vaderszijde heeft daarnaast aangegeven dat de netwerkscreening komende vrijdag zal plaatsvinden. De vader heeft geen bezwaar tegen de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing, maar wil wel graag dat de machtiging tot uithuisplaatsing voor drie maanden wordt toegewezen in plaats van zes maanden. Binnen deze termijn kan duidelijk worden of [minderjarige] bij de grootouders moederszijde of bij de vader kan verblijven. Het is voor de vader belangrijk dat [minderjarige] opgroeit binnen het eigen netwerk en hij verwacht niet dat [minderjarige] op korte termijn kan worden teruggeplaatst bij de moeder. Er moet daarom meer nadruk komen op het netwerk van de vader en de rol die de vader kan spelen in het leven van [minderjarige] . De grootouders vaderszijde zijn geschikt om voor [minderjarige] te zorgen, gelet op het feit dat ze een stabiele relatie hebben, ze zelf kinderen hebben grootgebracht en oma vaderszijde flexibele werktijden heeft. Oma heeft er ook vertrouwen in dat er duidelijke afspraken kunnen worden gemaakt met de moeder en herkent zich niet in het beeld de moeder schetst over hun moeizame contact. 4.4. De GI licht toe dat de moeder inmiddels weer in samenwerking is met First Change in het kader van de verslavingszorg. De moeder heeft de afgelopen twee weken in totaal drie intakegesprekken gehad. Morgen zal bekend worden gemaakt of de moeder kan deelnemen aan de detox behandeling in [plaats 2] . Als dit het geval is, zal ze waarschijnlijk op zeer korte termijn deze behandeling kunnen aangaan. Het is de bedoeling dat de moeder aansluitend wordt opgenomen in een kliniek in [land 1] . Als er nog geen plek is in [land 1] , zal ook de detox behandeling in [plaats 2] worden uitgesteld. Daarnaast is het de bedoeling dat er tweemaal per week omgang plaatsvindt tussen de moeder en [minderjarige] , maar dit is vaak niet gelukt. De moeder vindt de bezoeken soms moeilijk. Verder heeft de GI intern besloten om een netwerkscreening te doen bij de grootouders vaderszijde. Aangezien de grootouders in [land 2] wonen, zal de betrokken pleegzorgorganisatie aangeven of dit mogelijk is. Ook zal er worden bezien of de grootouders geschikt zijn als pleeggezin voor [minderjarige] , mede gelet op de zorgen over de verwikkelingen binnen de twee families. Zo blijkt tijdens de netwerkoverleggen dat er sprake is van veel negativiteit over en weer. Ook heeft iedereen zijn eigen verhaal en beleving over wat er is gebeurd. Er zijn daarom zorgen over de loyaliteit van [minderjarige] . De netwerkscreening zal enige tijd in beslag nemen. In de tussentijd kan de moeder de behandeling aangaan en hopelijk ook voortzetten. Na de netwerkscreening zal worden gekeken of [minderjarige] eventueel terug kan worden geplaatst bij de moeder. Het huidige pleeggezin van [minderjarige] is niet perspectief biedend, aangezien het een crisispleeggezin betreft. Het pleeggezin heeft echter wel aangegeven dat [minderjarige] bij hen kan blijven voor de verzochte periode van zes maanden. Mocht [minderjarige] daarna (nog) niet kunnen worden teruggeplaatst bij de moeder, is het van belang dat er nog een andere optie is. De oma vaderszijde haalt [minderjarige] nu op voor een contactmoment met de vader. De GI wil kijken of het contact met oma vaderszijde kan worden uitgebreid. Wat betreft het contact met de oma moederszijde moeten nog afspraken worden gemaakt. Gelet op de vele afspraken is het van belang dat de belasting van [minderjarige] in de gaten wordt gehouden. Voorts is er voorzichtig een start gemaakt met de omgang tussen [minderjarige] en de vader. Er lijkt echter geen hechtingsband te zijn tussen de vader en [minderjarige] en de vader is nog niet actief betrokken in zijn leven. Het is de bedoeling dat de omgang met vader op een voor [minderjarige] passende wijze verder opgebouwd wordt. Ook is het gebleken dat de vader psycho-educatie en opvoedondersteuning behoeft. Het is verder onduidelijk hoe de vader zijn werk wil en kan combineren met de zorg voor [minderjarige] . Gelet hierop is het niet mogelijk dat [minderjarige] op korte termijn bij de vader wordt geplaatst. 5De beoordeling Wettelijk kader 5.1. De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) een minderjarige onder toezicht stellen van een GI, wanneer die minderjarig zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet: a. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.