RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/437574 / JE RK 25-1266 Datum uitspraak: 11 augustus 2025 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling in de zaak van RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] , [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] , advocaat: mr. A.V. Mostert te Rotterdam. De kinderrechter merkt als informant aan: de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de GI, gevestigd te Middelburg. 1Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen van 9 juli 2025, ontvangen op 9 juli 2025; - een tweetal berichten van de Raad met bijlagen van 17 juli 2025, ontvangen op 17 juli 2025; - een bericht van de Raad met bijlage van 22 juli 2025, ontvangen op 22 juli 2025. 1.2. De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2025. Daarbij waren aanwezig: de moeder; de vader met zijn advocaat; - een vertegenwoordiger van de Raad; - een vertegenwoordigster van de GI. 1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2De feiten 2.1. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 2.2. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder. 3Het verzoek 3.1. De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4De standpunten 4.1. [minderjarige 1] vertelt tijdens het gesprek met de kinderrechter dat het goed gaat met haar. Ze vindt het aan de ene kant goed als er een ondertoezichtstelling komt, aangezien de jeugdbeschermer meer zicht kan krijgen op hoe het echt zit. De vader vertelt immers steeds een ander verhaal over wat er gebeurd is dan de moeder en [minderjarige 1] . [minderjarige 1] vindt een ondertoezichtstelling aan de andere kant niet nodig, omdat alles goed gaat bij de moeder thuis. Verder vertelt [minderjarige 1] dat ze al een langere tijd geen contact meer heeft met de vader. Ze voelt zich veel beter sinds ze niet meer naar de vader gaat en haar lichamelijke klachten zijn verdwenen. Ze wil ook geen contact meer met hem. [minderjarige 1] is bang dat ze van de jeugdbeschermer weer contact met de vader moet hebben en dat ze weer naar de vader “geduwd wordt”, ondanks dat zij meermaals aan diverse instanties heeft verteld wat de vader heeft gedaan. Het contact tussen [minderjarige 1] en de vader is, doordat de vader zijn emoties slecht onder controle heeft en erg boos kan worden, een aantal keer geëscaleerd. Zo heeft de vader een asbak naar [minderjarige 1] gegooid. [minderjarige 1] vertelt ook dat ze zich zorgen maakt om [minderjarige 2] als hij bij de vader is, aangezien ze er nu niet meer bij is om voor hem te zorgen en de vader daartoe niet in staat is. [minderjarige 1] licht tot slot toe dat het voor iedereen helpend zou zijn als de vader rustiger wordt en, desnoods met hulpverlening, beter leert omgaan met zijn emoties. 4.2. [minderjarige 2] vertelt tijdens het gesprek met de kinderrechter dat het goed gaat met hem. Hij geeft zijn leven een 8,5. [minderjarige 2] heeft zin in zijn nieuwe school en heeft al een vriend gemaakt. Vroeger kreeg hij de ruzies tussen de ouders mee, maar dat is nu niet meer het geval. Dit vindt hij heel fijn. Daarnaast vertelt [minderjarige 2] dat hij een weekend per twee weken naar de vader gaat. Hij zou graag langer bij de vader willen zijn, maar de moeder vindt dat te onrustig. Het liefst zou [minderjarige 2] de ene week bij de moeder willen zijn en de andere week bij de vader. Ook geeft [minderjarige 2] aan dat hij het belangrijk vindt om een fijn contact met allebei de ouders te hebben. Hij wil zijn vader én zijn moeder niet kwetsen en wil niet dat ze boos op hem zijn. 4.3. De Raad handhaaft het verzoek. De Raad maakt zich zorgen over de spanningen en onrust die de kinderen ervaren rondom de scheiding van de ouders. Zij zijn getuige geweest van ruzies, staan tussen de ouders in en zijn in een positie komen te verkeren waarin zij een rol zijn gaan spelen in deze strijd. De langdurige onrust heeft chronische stress en overmatige bezorgdheid bij de kinderen veroorzaakt. De Raad maakt zich er zorgen over dat [minderjarige 2] zich in allerlei bochten moet wringen om beide ouders tevreden te stellen en wrijving tussen zijn ouders te voorkomen. De Raad is ook bezorgd dat [minderjarige 1] geen contact wil met de vader. Zij heeft geweld vanuit de vader naar de moeder gezien, heeft boosheid vanuit de vader naar haar gekend en heeft e-mails uit naam van vader moeten opstellen aan de moeder. De Raad concludeert dat de voorafgaand aan het onderzoek beschreven signalen, te weten ruzies, geweld, angst, controle en beheersing, mogelijk te herleiden zijn naar intieme terreur van de vader naar de moeder, maar ook te herleiden zouden kunnen zijn vanuit complexe echtscheidingsproblematiek (of een combinatie van beide). Hier is in het onderzoek onvoldoende zicht op gekomen. In het onderzoek zijn de signalen van intieme terreur weliswaar concreter geworden vanuit het GIA, maar het blijft voor de Raad onvoldoende duidelijk of sprake is van intieme terreur. Het GIA heeft geen contact gehad met de vader en de MASIC is niet afgenomen, noch door het GIA, noch door de Raad. Op vraag van de kinderrechter laat de Raad weten dat de MASIC niet is ingezet tijdens het onderzoek van de Raad, omdat de kennis van de MASIC van de uitvoerende collega’s niet meer up-to-date is. De Raad adviseert daarom om de MASIC binnen de ondertoezichtstelling te laten afnemen door een daartoe bevoegde hulpverlener. Ook geeft de Raad op navraag aan dat het standpunt van het GIA dat de vader een persoonlijkheidsonderzoek nodig heeft en dat er sprake is van intieme terreur, vergaand is, nu het GIA geen gesprek heeft gevoerd met de vader. Pas als er meer signalen uit de MASIC komen dat er daadwerkelijk sprake is van intieme terreur in plaats van complexe echtscheidingsproblematiek, kan een persoonlijkheidsonderzoek bij de vader worden overwogen. Voor beide hiervoor genoemde scenario’s (complexe scheidingsproblematiek, dan wel een situatie van intieme terreur) is echter een ondertoezichtstelling noodzakelijk. De Raad licht verder toe dat ook in beide situaties het advies is om parallel solo ouderschap in te zetten, zodat de ouders niet meer met elkaar hoeven te communiceren om afspraken te maken over de kinderen. De ouders hebben een andere beleving bij wat er is gebeurd en de kinderen zitten ertussen. Het is wenselijk en noodzakelijk dat een onafhankelijke derde wordt betrokken en de nodige beslissingen neemt, zodat de ontwikkelingsbedreigingen kunnen worden weggenomen. 4.4. De moeder verklaart tijdens de mondelinge behandeling dat zij en de kinderen hebben geleden onder de scheiding en onder het gedrag van de vader en daar nog steeds ernstig onder lijden. De moeder voelt zich erg onveilig, omdat ze nooit zeker weet waartoe de vader in staat is. De vader intimideert en bedreigt de moeder en de moeder voelt veel angst voor hem. Het door de moeder ondergane geweld gaat nu verder via de kinderen; de vader zet de kinderen in om controle en dwang uit te oefenen op de moeder. De moeder en de kinderen willen graag verder met hun leven. De moeder geeft aan dat verschillende instanties ten onrechte spreken over een complexe echtscheiding van de ouders. Zij vindt dit schrijnend, omdat er geen sprake is van een complexe scheiding, maar van een patroon van macht en controle door de vader dat nooit zal stoppen. [minderjarige 1] heeft meermaals aangegeven bij deze instanties wat de vader heeft gedaan, maar deze instanties blijven aangeven dat de ouders met elkaar moeten praten en samenwerken. De ouders hebben mediation geprobeerd, maar dit is niet gelukt. De moeder wil geen co-ouderschap met de vader, omdat hij niet voor de kinderen kan zorgen. Ze staat wel open voor contact tussen de vader en de kinderen, mits dit veilig is. De vader kan ineens heel boos worden, hetgeen maakt dat [minderjarige 2] zich niet vrij voelt om aan te geven wat zijn eigen wensen en gevoelens zijn. [minderjarige 1] moest bij de vader thuis voor [minderjarige 2] zorgen. De vader gebruikt de kinderen om het contact met de moeder te herstellen. Het GIA-team helpt de moeder om haar sterker te maken. De moeder zou een ondertoezichtstelling fijn vinden als dit zorgt voor rust voor haar en de kinderen. De betrokkenheid van hulpverlening is ook beter voor [minderjarige 2] . 4.5. Door en namens de vader wordt ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat de vader zich kan vinden in het verzoek, ondanks dat hij van mening is dat het rapport van de Raad op diverse punten niet kloppend is. Het GIA-team heeft veel vergaande aannames gedaan over waar de vader zich schuldig aan zou maken, terwijl het GIA team alleen met de moeder en niet met de vader heeft gesproken. De vader distantieert zich van deze aannames. De vader heeft een fijn contact met [minderjarige 2] en hij zou graag meer contact met hem willen. [minderjarige 2] wil dit zelf ook, omdat hij niet wil kiezen tussen zijn ouders. Verder geeft de advocaat aan dat de vader [minderjarige 1] enorm mist. Hij heeft geprobeerd het contact te herstellen, maar de moeder werkt niet mee. De vader hoopt dat de ondertoezichtstelling zich voornamelijk richt op een contactherstel met [minderjarige 1] en op een verbetering van de communicatie tussen de vader en de moeder. De ouders moeten hier samen aan werken, zonder de kinderen erbij te betrekken. De vader heeft tot slot geen bezwaar tegen het doen van onderzoeken, mits deze onderzoeken bij beide ouders plaatsvinden. 4.6. De GI licht toe dat zij bereid is om de ondertoezichtstelling uit te voeren. Er is echter wel sprake van een wachtlijst. De GI zal alvast contact opnemen met de ouders voor een eerste kennismaking. De GI verklaart daarnaast dat zij de MASIC met prioriteit zal oppakken, maar de GI is daarbij wel afhankelijk van de uitvoerende instanties. 5De beoordeling Wettelijk kader 5.1. De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) een minderjarige onder toezicht stellen van een GI, wanneer die minderjarig zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet: a. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.