RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 24/5732 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 december 2025 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 19 juni 2024. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 272.578. 1.2. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur € 17.122 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking). 1.3. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbende en, namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , mr. [inspecteur 3] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV over jaar 2018 tot een te hoog bedrag is opgelegd. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of belanghebbende de betaalde schadevergoeding en andere uit de civiele en strafrechtelijke procedures voortvloeiende kosten in aftrek mocht brengen op het resultaat uit overige werkzaamheid. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag IB/PVV over het jaar 2018 tot een te hoog bedrag vastgesteld. De inspecteur heeft de door belanghebbende in 2018 betaalde bedragen aan schadevergoeding ten onrechte niet in aftrek toegestaan. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 3. Belanghebbende was van 1998 tot en met 2006 fulltime in dienstbetrekking bij [N.V.] 3.1. Belanghebbende was in 2003 betrokken bij de verkoop van zwaar vuurwerk aan een persoon. Deze persoon is op 1 januari 2004 gewond geraakt bij een ongeval met dat vuurwerk (het vuurwerkincident). In verband hiermee is belanghebbende strafrechtelijk veroordeeld. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft in de strafzaak overwogen dat het feitelijk professioneel vuurwerk betrof met opschriften als 'Niet voor particulier gebruik!’ en 'Uitsluitend voor professioneel gebruik’. Het hof achtte het aan particulieren ter beschikking stellen van dergelijk vuurwerk in zijn algemeenheid extreem gevaar zettend. 3.2. Belanghebbende had een aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren bij Nationale Nederlanden afgesloten. De aansprakelijkheid in verband met de uitoefening van een (neven)bedrijf of (neven)beroep viel niet onder de dekking. Nationale Nederlanden heeft verklaringen afgenomen van onder meer de heer [naam] (de vuurwerkhandelaar) en belanghebbende. Nationale Nederlanden heeft op 20 september 2004 aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen beroep kan doen op de aansprakelijkheidsverzekering, omdat Nationale Nederlanden tot het oordeel is gekomen dat belanghebbende een nevenberoep c.q. nevenbedrijf erop na heeft gehouden uit welke hoedanigheid de schade aan het slachtoffer van het vuurwerkincident is ontstaan. 3.3. In 2015 is belanghebbende in een civielrechtelijke procedure wegens het vuurwerkincident veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 397.984,14 aan de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2014. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft het vonnis in 2019 bekrachtigd. 3.4. Als gevolg van de civielrechtelijke veroordeling heeft belanghebbende in de kalenderjaren 2014 tot en met 2017 € 251.307,52 aan schadevergoeding betaald. In het kalenderjaar 2018 heeft belanghebbende € 86.383,35 aan schadevergoeding betaald. 3.5. Belanghebbende heeft in de aangifte IB/PVV 2018 in verband met het vuurwerkincident de volgende kosten ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden gebracht: Schadevergoeding vuurwerkincident betaald tm 2018 € 297.313 Proceskosten Ned. Rekencentrum Letselschade € 8.017 Advocaat en advieskosten € 50.547 Rente schadeclaim NRL € 32.360 Motivering Geschil en standpunten van partijen 4. In geschil is of de activiteiten van belanghebbende in 2003 die zagen op de handel in vuurwerk kwalificeren als een bron van inkomen. Zo ja, dan zijn partijen het erover eens dat het gaat om resultaat uit overige werkzaamheden. Partijen houdt dan verdeeld of de verkoop van het zware vuurwerk aan het slachtoffer van het vuurwerkincident binnen de uitoefening van die werkzaamheid heeft plaatsgevonden en als gevolg daarvan de daarmee gepaarde kosten aftrekbaar zijn. Tot slot zijn partijen het niet eens of alle van de onder 3.4 genoemde kosten in 2018 voor aftrek in aanmerking komen. 4.1. Belanghebbende heeft ter zitting toegelicht dat hij vanaf 1998 contact had met een vuurwerkhandelaar. Belanghebbende was ter promotie aanwezig in de zaak van de vuurwerkhandelaar. In eerste instantie deed belanghebbende dit als een vriendendienst. Later leverde belanghebbende tegen betaling klanten aan vanuit zijn netwerk en verkocht hij ook zelf vuurwerk voor de vuurwerkhandelaar. Hij had dummy’s thuis liggen die klanten konden bekijken en op basis daarvan een bestelling konden plaatsen. Belanghebbende ontving een provisie als hij bekenden als klanten aanbracht bij de vuurwerkhandelaar. Het ging om ongeveer 30 tot 40 klanten per jaar en behoorlijk wat inkomen. Daarnaast heeft hij ook zelf vuurwerk gekocht en verkocht zonder vergunning. Soms vroegen klanten om groter vuurwerk dan waarvan hij dummy’s had. Dat ging niet via de vuurwerkhandelaar. Met de verkoper van het vuurwerk dat het vuurwerkincident heeft veroorzaakt, had hij vaker contact gehad. De gerealiseerde inkomsten heeft hij volgens hem als resultaat uit overige werkzaamheden aangegeven. 4.2. Belanghebbende voert verder aan dat hij van plan was om samen met de vuurwerkhandelaar een vuurwerkwinkel te openen in [plaats 2] en dat daarvoor eind 2003 al vergevorderde plannen waren gemaakt. Samen met de vuurwerkhandelaar had hij al een opslagloods op het oog en ook bestonden er plannen om voor verschillende partijen vuurwerkpakketten voorzien van een logo op de markt te brengen. Daarover was al gesproken met (de adviseur van) de directie van [voetbalclub] en andere partijen. 4.3. Belanghebbende stelt dat hij beoogde om inkomsten te behalen met de vuurwerkhandel en dat was gezien marges die worden behaald op de verkoop van vuurwerk ook te verwachten. Na het vuurwerkincident is de samenwerking met de vuurwerkhandelaar niet meer doorgegaan. Belanghebbende betoogt dat in 2003 echter wel sprake was van een bron van inkomen. De kosten als gevolg van het vuurwerkincident zijn naar zijn mening daarom aftrekbaar. De kosten konden pas in aanmerking worden genomen op het moment dat de rechter uitspraak had gedaan en de zaak definitief was gesloten. De gehele kosten dienen daarom in 2018 in aanmerking te worden genomen. 4.4. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat in 2003 geen sprake was van een bron van inkomen. Het beogen van voordeel is hiervoor onvoldoende en belanghebbende heeft geen stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat sprake was van een objectieve voordeelsverwachting. Er is geen administratie, ondernemersplan, marktonderzoek of cijfermatige prognoses overgelegd. Ook heeft belanghebbende zich niet ingeschreven bij de Kamer van Koophandel of een BTW-nummer aangevraagd en de inspecteur betwist ook dat destijds inkomsten uit vuurwerkhandel zijn aangegeven. Subsidiair betoogt de inspecteur dat de kosten naar hun aard privékosten zijn, omdat het ter beschikking stellen van illegaal vuurwerk zodanig buiten de normale uitoefening van de werkzaamheid lag dat de privésfeer overheersend wordt. Meer subsidiair stelt de inspecteur dat, indien sprake is van een bron van inkomen, slechts de kosten in aftrek kunnen worden gebracht die voortvloeien uit de schadevergoeding die daadwerkelijk in 2018 is betaald. De kosten en lasten die verband houden met de strafrechtelijke procedure zijn van aftrek uitgesloten. Bron van inkomen 4.5. De rechtbank stelt voorop dat sprake is van een bron van inkomen wanneer belanghebbende (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.