Rechtbank Zeeland-West-Brabant – ECLI:NL:RBZWB:2025:9094
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 24/5008 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 op het verzet van [belanghebbende] , uit [plaats] (Frankrijk), belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank van 25 april 2025 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding 1. Belanghebbende heeft met dagtekening 5 mei 2025 een brief verzonden aan het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank van 25 april 2025. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft belanghebbende laten weten dat tegen deze uitspraak van de rechtbank geen hoger beroep mogelijk is en de brief doorgezonden aan de rechtbank. De rechtbank heeft de brief in behandeling genomen als verzetschrift.
Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 25 april 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
Uitspraak 25 april 2025 5. De rechtbank heeft in de uitspraak van 25 april 2025 geoordeeld dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek van belanghebbende van 16 februari 2024 niet-ontvankelijk is. De ingebrekestellingen van belanghebbende zijn ingediend toen de beslistermijn nog niet was verstreken. De rechtbank is niet toegekomen aan het vaststellen van een dwangsom en ook niet aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om schadevergoeding. Het verzoek om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is afgewezen, omdat de redelijke termijn niet was overschreden.
Gronden van verzet 6. Belanghebbende voert in verzet aan dat de rechtbank de toegang tot de rechter belemmerd. Belanghebbende heeft de nota voor het griffierecht met dagtekening 25 juni 2024 pas op 2 september 2024 ontvangen. De nota is opzettelijk achtergehouden. Daarnaast heeft de rechtbank de procedure als spoedeisend aangemerkt, maar is de uitspraak niet binnen een redelijke termijn gedaan. Belanghebbende is ook niet gehoord over zijn klachten. Belanghebbende vindt de gang van zaken in strijd met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM).
Immateriële schadevergoeding 11. Aangezien de verzetsrechter van oordeel is dat het beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard, komt de rechtbank niet toe aan het vaststellen van een dwangsom of een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om schadevergoeding.
Conclusie en gevolgen 13. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 25 april 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Verder wijst de rechtbank het verzoek om een immateriële schadevergoeding af.
Beslissing De rechtbank: verklaart het verzet ongegrond; wijst het verzoek om een immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier, op 19 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter, De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 8:55b van de Awb.
Artikel 8:55b van de Awb.