RECHTBANK Zeeland-West-Brabant Civiel recht Zittingsplaats Middelburg Zaaknummer: C/02/426684 / HA ZA 24-522 Vonnis van 17 december 2025 in de zaak van de rechtspersoon naar buitenlands recht FACTRIS CHANNEL S.A., te Luxemburg (Luxemburg), eisende partij, hierna te noemen: Factris, advocaat: mr. L.J. van Gastel, tegen THE INVESTMENT COMPANY EUROPE B.V., te Halsteren, gedaagde partij, hierna te noemen: TIC, advocaat: mr. J.J. van de Velde. De zaak in het kort Logistiek dienstverlener BMD heeft werkzaamheden verricht in opdracht van TIC, waarna er een cessie heeft plaatsgevonden van BMD’s vorderingen op TIC aan Factris. Factris meent dat zij een bedrag van € 57.790,42 tegoed heeft van TIC. Het gaat om dienstverlening in het kader van binnenlands wegvervoer en bewaarneming. De rechtbank overweegt dat de vrachtvorderingen verjaard zijn. Er is geen sprake van feiten en omstandigheden die maken dat TIC geen beroep mag doen op de relevante verjaringstermijn van één jaar. Wat betreft de vorderingen in het kader van bewaarneming overweegt de rechtbank dat TIC’s beroep op verrekening slaagt. Als gevolg daarvan heeft Factris onder aan de streep niets meer van TIC te vorderen. Ook dit deel van de vordering wordt afgewezen. Tot slot wordt geoordeeld dat Factris geen belang heeft bij de door haar gevorderde inzage in en/of afschrift van bepaalde documenten. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 26 februari 2025; - de mondelinge behandeling van 30 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de spreekaantekeningen van mr. van Gastel namens Factris; - de akte van Factris;- de antwoordakte van TIC. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. TIC houdt zich bezig met de koop en verkoop van verschillende consumentenartikelen. Voor de opslag en het vervoer van deze zaken werd door TIC opdracht gegeven aan BMD Transportservice B.V. (hierna: BMD). 2.2. Factris is een factormaatschappij die van ondernemingen hun debiteurenportefeuille overneemt. BMD was één van Factris’ klanten. 2.3 Op 11 juli 2022 is het faillissement van BMD uitgesproken. 3Het geschil 3.1. Factris vordert – samengevat – primair veroordeling tot betaling van een bedrag van € 57.790,42, te vermeerderen met wettelijke rente. Subsidiair vordert Factris dat TIC haar van informatie voorziet over de in randnummer 13 van haar dagvaarding genoemde onderwerpen, met onderbouwing daarvan door middel van stukken, op straffe van een dwangsom. Ook wenst Factris dat TIC wordt veroordeeld de toezegging na te komen dat de facturen van Factris betaalbaar worden gesteld zodra uit de beantwoording van de vragen en/of gegevens blijkt dat er een schade-uitkering heeft plaatsgevonden, vermeerderd met de wettelijke rente. Zowel primair als subsidiair vordert Factris betaling van de buitengerechtelijke kosten en proceskosten. 3.2. TIC voert verweer. TIC concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Factris, dan wel tot ontzegging van Factris’ vorderingen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Factris, dan wel tot matiging daarvan, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Factris in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling Bevoegdheid en toepasselijk recht 4.1. Factris is een vennootschap naar buitenlands recht en daarom hebben de vorderingen waarop de rechtbank moet beslissen een internationaal karakter. De rechtbank heeft haar bevoegdheid en het toe te passen recht ambtshalve beoordeeld. De rechtbank overweegt dat zij bevoegd is een beslissing te nemen en dat zij bij het nemen van deze beslissing Nederlands recht moet toepassen. Partijen verschillen hierover ook niet van mening. Inhoudelijk 4.2. Factris meent dat zij een bedrag van € 57.790,42 tegoed heeft van TIC. Volgens TIC is het juist dat zij dit bedrag verschuldigd is aan BMD, op een bedrag van € 4.982,84 incl. BTW na. Dat bedrag werd volgens TIC in rekening gebracht voor de opslag van goederen nadat deze al uit BMD’s loods gestolen waren en die daar dus niet meer opgeslagen lagen. Volgens Factris kan dit laatste wel kloppen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat zij de vraag moet beantwoorden of TIC een bedrag van € 52.807,58 verschuldigd is. 4.3. Het totaalbedrag van € 52.807,58 ziet op twee soorten werkzaamheden die BMD in opdracht van TIC heeft verricht. Het gaat enerzijds om facturen voor vervoerwerkzaamheden voor een totaalbedrag van € 33.693,34 en anderzijds om facturen voor opslagwerkzaamheden voor een totaalbedrag van € 19.114,24. 4.4. Het gaat er in deze procedure om of TIC zich met succes kan beroepen op: een ongeldige cessie waardoor Factris de vorderingen niet bij TIC kan innen; verjaring van de vorderingen die zien op de door BMD verrichte vervoerwerkzaamheden; verrekening van de vorderingen die zien op de door BMD verrichte vervoerwerkzaamheden met een tegenvordering van TIC; verrekening van de vorderingen die zien op de door BMD verrichte opslagwerkzaamheden met een tegenvordering van TIC; en Factris’ gebrek aan belang bij het verkrijgen van de door haar gevorderde informatie en documenten. 4.5. De rechtbank zal hierna eerst ingaan op de vraag of Factris het recht heeft om de openstaande facturen van BMD op TIC te innen bij TIC. Cessie 4.6. Het is de rechtbank niet helemaal duidelijk of TIC de rechtsgeldigheid van de cessie betwist daar waar zij ingaat op de vermeende verpanding van de vorderingen. Hoe het ook zij, de rechtbank is van oordeel dat Factris de openstaande facturen van BMD op TIC mag innen bij TIC. Allereerst bevindt zich tussen de processtukken een factorovereenkomst gesloten tussen TIC en BMD. Op grond van die overeenkomst droeg BMD haar vorderingen op haar eigen debiteuren (waaronder TIC) in eigendom over aan Factris. Factris betaalde deze factuurbedragen (verminderd met een afgesproken vergoeding) vervolgens bij wijze van voorschot uit aan BMD. Als zodanig is dit ook niet betwist door TIC. 4.7. Ook de mededeling van de cessie door BMD aan TIC vindt de rechtbank voldoende duidelijk. BMD vermeldde namelijk op de facturen die zij aan TIC stuurde het volgende: “(…) Wij hebben conform art. 3:94 Burgerlijk Wetboek onze huidige en toekomstige vorderingen op u, waaronder deze, gecedeerd aan Factris Channel S.A. (“Factris”) bij akte. Mitsdien kan rechtsgeldige en bevrijdende betaling van het factuurbedrag uitsluitend plaatsvinden door betaling op (…) ten name van Factris Channel S.A., behoudens indien Factris u andersluidend heeft bericht. (…).” De lettergrootte van deze tekst wijkt niet noemenswaardig af van de overige tekst op de factuur, is direct onder het te betalen bedrag opgenomen en bevindt zich op de voorzijde van de factuur. Tussen partijen staat tot slot niet ter discussie dat TIC de facturen met deze mededeling erop ook daadwerkelijk ontvangen heeft. 4.8. Kortom, er is sprake geweest van een rechtsgeldige cessie van de vorderingen waar het in deze zaak om gaat. De vraag of eveneens sprake geweest is van een rechtsgeldige verpanding, doet naar het oordeel van de rechtbank niet ter zake. 4.9. Daarmee komt de rechtbank toe aan een beoordeling van TIC’s beroep op verjaring van de vrachtvorderingen. Verjaring vrachtvorderingen (ad € 33.693,34) 4.10. Partijen zijn het erover eens dat de facturen waarvan betaling wordt gevorderd voor een deel van € 33.693,34 zien op vervoerwerkzaamheden die BMD heeft verricht in opdracht van TIC. Het ging daarbij om binnenlands wegvervoer in de periode van week 21 t/m week 26 van 2022 (23 mei t/m 3 juni 2022). 4.11. Op grond van artikel 8:1711 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) verjaart een op een vervoerovereenkomst gegronde rechtsvordering door verloop van één jaar. Tussen partijen is niet in geschil dat deze termijn verstreken is en dat Factris de vordering niet tijdig gestuit heeft, zodat de vordering in beginsel verjaard is. Factris stelt echter dat toepassing van deze termijn in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, gelet op alle feiten en omstandigheden van het geval. 4.12. Volgens Factris is de uitzonderingssituatie gelegen in de correspondentie tussen de advocaten van partijen onderling. Factris stelt dat door de advocaten telefonisch afgesproken werd dat geen rechtsmaatregelen zouden worden getroffen. De advocaat van Factris zou een update van TIC’s advocaat afwachten over het verloop van diens discussie met BMD’s aansprakelijkheidsverzekeraar. TIC’s advocaat betwist dat voornoemde afspraak gemaakt is en verwijst naar zijn e-mail van 10 november 2022. Daarin is het volgende opgenomen: “(…) Mochten de expert binnenkort de schade tegensprekelijk vaststellen, dan zullen verzekeraars mogelijk de schade gaan betalen aan mijn cliënte. Na ontvangst van betaling zal mijn cliënte dan niet langer een beroep doen op verrekening en de openstaande facturen betalen. Ik verzoek uw cliënte daarom nog even geduld te betrachten en het onderzoek van de experts af te wachten. Mochten verzekeraars van BMD uiteindelijk geen betaling doen aan mijn cliënte, dan wordt het beroep op verrekening uiteraard onverkort gehandhaafd. Voor nu worden namens mijn cliënte alle rechten en weren voorbehouden. (…).” 4.13. De rechtbank oordeelt dat het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid niet slaagt. Zij overweegt daartoe als volgt. Uit de wettelijke formulering ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’ van artikel 6:2 lid 2 BW blijkt dat de rechtbank terughoudend moet zijn bij het toepassen van dit artikellid. De enkele omstandigheid dat de advocaat van TIC heeft toegezegd dat hij na ontvangst van het expertiserapport van de expert van de zijde van BMD’s verzekeraars op de situatie terug zou komen, is onvoldoende om een beroep op verjaring in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten. Voor de rechtbank is duidelijk dat TIC bij monde van haar advocaat steeds alle rechten en weren heeft voorbehouden. Dat volgt ook expliciet uit de laatste zinsnede van de e-mail zoals hiervoor geciteerd. Bovendien blijkt uit de inhoud van deze e-mail dat de situatie op dat moment nog erg onzeker was voor TIC. Zo wordt expliciet benoemd dat het beroep op verrekening gehandhaafd blijft als de situatie niet kan worden opgelost via BMD’s aansprakelijkheidsverzekeraar. Gelet op deze mededeling kan ook niet gesproken worden van onderhandelingen tussen partijen, zoals door Factris bepleit. Als het al zo zou zijn dat TIC’s advocaat telefonisch (meer) vertrouwen zou hebben gewekt dat het goed zou komen met een verzekeringsuitkering, maakt dit nog niet dat Factris niet alert had moeten blijven op het aspect van verjaring. Er staat ook vast dat nooit gesproken is over het afzien van een beroep op verjaringstermijnen door TIC. Dat Factris buiten rechte werd bijgestaan door een advocaat, is ook een factor die de rechtbank meeweegt. Tot slot geldt meer in het algemeen dat de rechtszekerheid gediend is met strikte toepassing van verjaringstermijnen. 4.14. Omdat het beroep op verjaring van de vrachtvorderingen slaagt, zal het gevorderde bedrag van € 33.693,34 worden afgewezen. De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling van het verrekeningsverweer ten aanzien van de vrachtvorderingen. Beroep op verrekening t.a.v. vordering opslagwerkzaamheden (ad € 19.114,24) 4.15. Factris vordert een bedrag van € 19.114,24 aan bewaarloon, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum van de facturen tot de dag der algehele voldoening. Ook ten aanzien van deze vordering doet TIC een beroep op verrekening. Zij stelt een tegenvordering te hebben van ten minste € 537.630,99. Dit bedrag overstijgt de vordering in het kader van de opslagwerkzaamheden. De rechtbank zal hierna beoordelen of TIC een vordering heeft op BMD, of haar een beroep op verrekening toekomt en, zo ja, of dit dan leidt tot afwijzing van Factris’ vordering in het kader van de opslagwerkzaamheden. Heeft TIC een vordering op BMD? 4.16. TIC stelt dat zij een vordering heeft op BMD omdat BMD tekortgeschoten is in de nakoming van de bewaarnemingsovereenkomst met TIC. De rechtbank oordeelt dat dit voldoende is komen vast te staan. Er is in ieder geval sprake geweest van 15 vermist geraakte smart tv’s, 124 televisies en een aantal matrassen. Zoals hierna zal blijken, kan in het midden blijven of de overige door TIC gestelde schade geleden is. 4.17. De rechtbank baseert haar oordeel over de tv’s en matrassen op de stukken die TIC in dit kader ter onderbouwing heeft overgelegd, zoals de verschillende aansprakelijkstellingen, de politieaangifte van BMD en de onderlinge correspondentie tussen TIC en BMD. Ook heeft TIC een expertiserapport in het geding gebracht van Van Ameyde Marine van 19 december 2022 (hierna: het expertiserapport). De expert onderschrijft dat sprake is geweest van verduistering van goederen door personeel van BMD. Factris werd zelf ook in de gelegenheid gesteld om een expert aan te stellen, maar heeft dit niet gedaan. Dit maakt dat de rechtbank TIC’s stellingen over de neutraliteit van Van Ameyde Marine zal passeren. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij, gelet op de inhoud van het expertiserapport, zelf geen reden ziet om te twijfelen aan het verrichte onderzoek. 4.18. Factris heeft nog aangevoerd dat de genoemde stukken niet authentiek zijn en dat sprake kan zijn geweest van fraude gepleegd door BMD en/of TIC. De rechtbank oordeelt dat enige onderbouwing op dit punt ontbreekt. Factris heeft niet concreet weten te maken waarom er getwijfeld moet worden aan het handelen van BMD en/of TIC. TIC heeft ter zitting nog toegelicht dat het vaker voorkwam dat zij een schade meldde bij BMD en dat BMD dan liet weten dat zij het zou voorleggen aan haar (BMD’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.