RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats Breda parketnummer : 96-313291-23 raadkamernummer : 25-006065 datum : 2 december 2025 beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker], geboren op [datum] 1989 te [plaats], woonplaats kiezend op het kantoor van mr. L.C. Folkerts advocaat te Utrecht, (Euclideslaan 55, 3584 BM Utrecht), hierna te noemen: verzoeker. 1De procedure De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken: het op 28 februari 2025 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van: € 693,94, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand; € 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer; de kennisgeving sepot van 27 november 2024; de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie; de overige stukken in het raadkamerdossier. Op 4 november 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. C.P.G. Tax, en mr. L.C. Folkerts als gemachtigd waarnemend advocaat van verzoeker, gehoord. Verzoeker is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen. Namens verzoeker is verzocht een vergoeding van bovengenoemde schade toe te wijzen. De advocaat heeft in raadkamer in aanvulling op het verzoekschrift aangevoerd dat in geval van een beleidssepot beoordeeld dient te worden of zich de situatie voordoet dat de zaak onmiskenbaar tot een veroordeling van verzoeker zou hebben geleid. In casu is dat niet het geval. Het ging om een verdenking van overtreding van de APV Bergen op Zoom waarin ook geweldshandelingen verscholen zaten. Volgens de advocaat zou bij een inhoudelijke behandeling van de zaak daartegen een noodweerverweer gevoerd zijn. Gelet op de omstandigheden zoals die blijken uit het dossier acht zij de kans dat verzoeker zou zijn veroordeeld klein. Gronden van billijkheid voor toekenning van de verzochte vergoeding zijn aanwezig. De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke conclusie van het Openbaar Ministerie en zich op het standpunt gesteld dat er geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor het toekennen van een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand, aangezien gezegd kan worden dat verzoeker het aan zichzelf te wijten heeft dat hij deze kosten heeft moeten maken. Bij een inhoudelijke behandeling van de zaak is het - gelet op alle feiten en omstandigheden - maar zeer de vraag of een noodweerverweer wel stand zou houden. 2De beoordeling De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd. Op grond van artikel 530 Sv kan aan een gewezen verdachte een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd. Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen. Het Openbaar Ministerie is op 27 november 2024 overgegaan tot een beleidssepot vanwege de ouderdom van het feit. In zo’n geval kunnen gronden van billijkheid voor toekenning van een vergoeding ontbreken als verzoekster de kosten aan zichzelf te wijten had. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het procesdossier niet zonder meer kan worden vastgesteld dat verzoeker de verdenking aan zichzelf te wijten heeft gehad en ziet gronden van billijkheid om een vergoeding voor de door hem gemaakte kosten van rechtsbijstand toe te kennen. Het verzochte bedrag ter hoogte van € 693,94 is in voldoende mate onderbouwd en komt de rechtbank billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen. Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 680,00 toegekend. 3De beslissing De rechtbank: wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van € 1.319,94, bestaande uit: - € 639,94 aan kosten van rechtsbijstand; - € 680,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer; bepaalt dat een bedrag van € 1.319,94 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden RDH Advocaten Utrecht, onder vermelding van “530 Sv, [verzoeker] [kenmerk]”. Deze beslissing is genomen door mr. M.H.M. Collombon, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 2 december 2025. INFORMATIE RECHTSMIDDEL Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.