RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/439733 / JE RK 25-1658 Datum uitspraak: 27 november 2025 Beschikking van de kinderrechter over een schriftelijke aanwijzing in de zaak van [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1] , advocaat mr. T. Möller uit Tilburg, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI. De kinderrechter merkt als informant aan: [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats 2] . 1Het verloop van de procedure 1.
- De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 september 2025; het bericht van mr. Möller, ontvangen op 18 september 2025; de brief van [minderjarige] , ontvangen op 19 september 2025; het bericht van de GI, met bijlagen, ontvangen op 26 september 2025; de brief van de GI, ontvangen op 20 oktober
- 1.
- De zitting heeft, met gesloten deuren, plaatsgevonden op 12 november
- Daarbij waren aanwezig: - de advocaat van de moeder, mr. J.J.A. van Roessel, waarnemend advocaat voor mr. Möller; - een vertegenwoordiger van de GI. 1.
- De vader is, met kennisgeving vooraf, niet verschenen. De moeder is niet in persoon verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen. 1.
- De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft een brief gestuurd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2De feiten 2.
- De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.
- [minderjarige] woont bij zijn moeder. 2.
- De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 november 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 26 november 2024 tot 27 november
- 2.
- De GI heeft op 22 augustus 2025 een vooraankondiging schriftelijke aanwijzing aan de moeder gegeven, gevolgd door de schriftelijke aanwijzing van 1 september 2025, betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige] , welke aanwijzing is gericht aan de moeder. Hierin is, voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, het volgende opgenomen: De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering geeft de volgende aanwijzing(en) :
- Zodra de zorgboerderij voor [minderjarige] kan starten, laat u [minderjarige] ieder moment naar de zorgboerderij gaan volgens de afspraken die de zorgboerderij met u en de Gl zal maken.
- Maak voor vrijdag 12 september 2025 een nieuwe afspraak met [school] , waarbij u samen met de school een concreet plan maakt voor de onderwijsvorm (zowel deelname aan de zorgboerderij, als afspraken met school)van [minderjarige] in het nieuwe schooljaar.
- Bespreek met de school de mogelijkheden van onderwijsvormen voor [minderjarige] , gecombineerd met de adviezen van het volledige psychologisch rapport van [jeugdhulp] en kijkend naar een passende opbouw die zowel haalbaar is voor [minderjarige] als de school.
- Benoem en blijf benoemen naar [minderjarige] dat [school] zijn school is.
- Neem deel en laat [minderjarige] deelnemen aan ieder hulpverleningsaanbod wat de GI noodzakelijk acht om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] tegen te gaan. 3Het verzoek 3.
- De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel vervallen te verklaren. 4De standpunten De moeder 4.
- Ter onderbouwing van het verzoek voert de moeder, samengevat, het volgende aan. De GI heeft op 1 september 2025 een schriftelijke aanwijzing gegeven aan de moeder. De moeder kan zich niet vinden in de schriftelijke aanwijzing. Zij is het eens met de GI dat onderwijs belangrijk is voor [minderjarige] , maar zij is van mening dat het niet in zijn belang is om gedwongen naar een school te gaan die volgens haar niet geschikt is ([school]). Daarnaast vindt zij dat de GI het tempo om weer naar school te gaan te snel opbouwt voor [minderjarige] . Ten aanzien van punt 1 in de schriftelijke aanwijzing geeft de moeder aan dat zij achter de aanmelding van [minderjarige] bij de zorgboerderij staat. Het traject moet nog starten, maar zij heeft er vertrouwen in dat de zorgboerderij aansluit bij de belangen en behoeften van [minderjarige] . Zij begrijpt niet waarom hier een schriftelijke aanwijzing voor is gegeven. Over punt 2 in de schriftelijke aanwijzing geeft de moeder aan dat zij altijd in contact gebleven met [school] . De moeder heeft op 10 september 2025 per mail contact opgenomen met school om een fysieke afspraak in te plannen indien [school] dit wenselijk acht. Inmiddels heeft dit gesprek ook plaatsgevonden, waarin duidelijke afspraken zijn gemaakt. Ondanks dat partijen verschillen van mening over wat in het belang is van [minderjarige] , blijft zij het gesprek met school, Amarant, de Zorgboerderij, de psycholoog en de huisarts aangaan. De moeder spant zich dus wel degelijk in om het ertoe te leiden dat [minderjarige] toe kan gaan werken aan opbouw van onderwijs. De moeder begrijpt dat onderwijs (op een basisschool) belangrijk is, maar in haar optiek dient dit op een wijze te worden opgebouwd en vormgegeven die niet schadelijk is voor [minderjarige] . Hierbij dient het tempo van [minderjarige] leidend te zijn. Punt 3 van de schriftelijke aanwijzing dient naar mening van de moeder daarom vervallen te worden verklaard. De moeder stelt daarnaast dat zij volkomen terecht niet instemt met [school] als basisschool voor [minderjarige] . De moeder wenst eerst het traject bij de Zorgboerderij af te wachten alvorens een concreet plan wordt uitgestippeld voor het onderwijs bij [school] . Zij is niet bereid om nu naar [minderjarige] uit te stralen dat [school] zijn school is (punt 4), want zij is ervan overtuigd dat deze school niet bij [minderjarige] aansluit. Punt 5 van de schriftelijke aanwijzing is te breed geformuleerd. Zij is van mening dat het niet zo kan zijn dat zij alle hulpverleningstrajecten klakkeloos moet accepteren zonder hier kritisch op te mogen zijn. Deze aanwijzing is niet toegespitst op een specifiek hulpverleningstraject, waardoor van haar niet verwacht kan worden dat zij op voorhand altijd en overal instemt zonder te weten waarmee zij precies akkoord gaat. Concluderend acht de moeder de schriftelijke aanwijzing onterecht genomen en grotendeels onnodig. Zij verzoekt om de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren. De GI De GI geeft, samengevat, het volgende aan. Het afgelopen jaar heeft [minderjarige] heel beperkt onderwijs gevolgd. Sinds de herfstvakantie ( naar de rechtbank begrijpt in het jaar 2024) tot de kerstvakantie is [minderjarige] op [school] gestart met een opbouw. Na de kerstvakantie 2024/2025 tot nu is hij niet meer op school verschenen, omdat de moeder van mening is dat de school onvoldoende rekening houdt met zijn beperkingen. De afgelopen tijd is er, ondanks een eerdere schriftelijke aanwijzing, geen vooruitgang geboekt in de schoolgang van [minderjarige] . Recent is hij aangemeld voor de zorgboerderij, hiervoor staat hij nog op de wachtlijst. Ten aanzien van de schriftelijke aanwijzing geeft de GI het volgende aan. De moeder laat op dit moment zien dat de zorgboerderij een belangrijk onderdeel van het proces van [minderjarige] is en dit is erg positief. De zorgboerderij is op dit moment echter nog niet gestart en in de praktijk zal gaan blijken hoe dit zal gaan verlopen. De GI acht het daarom noodzakelijk om punt 1 van de schriftelijke aanwijzing te laten staan. Ten aanzien van punt 2 van de schriftelijke aanwijzing geeft de GI aan dat de moeder een gesprek heeft gevoerd met school. Aan dit punt is voldaan, maar de GI verzoekt om punt 2 en punt 3 niet vervallen te verklaren, aangezien het belangrijk is dat ook in de toekomst gesprekken plaats blijven vinden. In het verleden was het vaak moeilijk om het gesprek met de moeder aan te gaan. Om te waarborgen dat het proces voor [minderjarige] niet stagneert, is daarom punt 3 van de schriftelijke aanwijzing opgesteld. Het is daarbij belangrijk dat het volledige psychologische rapport als leidraad wordt gebruikt, en niet alleen de punten die de moeder eruit haalt. Bij punt 4 van de schriftelijke aanwijzing geeft de GI aan dat [minderjarige] van de herfstvakantie 2024 tot nu niet meer naar school is geweest. De moeder heeft op 13 augustus 2025 een mail gestuurd naar [school] , waarin zij aangeeft dat [minderjarige] in de toekomst niet meer terug gaat komen. Dit getuigt niet van het motiveren van [minderjarige] om terug te werken naar school en uit te stralen dat [school] zijn school blijft. De moeder doet daarbij juist het tegenovergestelde. De relatie tussen de moeder en [minderjarige] is heel sterk, en [minderjarige] is gevoelig voor wat de moeder uitstraalt naar hem en anderen. Deze houding maakt de stap terug naar school alleen maar complexer voor [minderjarige] . De moeder stelt zich op dit moment wel open voor het hulpverleningsaanbod. Zij werkt mee met IAG van Amarant en staat open voor de zorgboerderij. De GI is daar blij mee en vindt dit in het belang van [minderjarige] . Het is echter noodzakelijk dat zij dit voort blijft zetten en mee zal werken met alle toekomstige hulpverlening. Gelet daarop heeft de GI punt 5 in de schriftelijke aanwijzing opgenomen. De GI acht het noodzakelijk dat de schriftelijke aanwijzing gehandhaafd blijft, zodat duidelijk voor de moeder is wat er van haar verwacht wordt en waar zij zich aan moet houden. 5De beoordeling Ontvankelijkheid 5.
- De kinderrechter zal allereerst ingaan op de ontvankelijkheid van het verzoek. De schriftelijke aanwijzing is gedateerd op 1 september 2025 en is op die datum verzonden of uitgereikt aan de moeder. Het verzoek van de moeder tot geheel, dan wel gedeeltelijke vervallenverklaring is door de kinderrechter ontvangen op 12 september
- Op grond van artikel 1:264 eerste en derde lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) is het verzoek derhalve door de met het gezag belaste ouder tijdig ingediend, zodat de moeder kan worden ontvangen in haar verzoek. 5.
- Op grond van artikel 1:263 BW kan de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De met het gezag belaste ouders of ouder en de minderjarige volgen een schriftelijke aanwijzing op. Op grond van artikel 1:264 BW kan op verzoek van een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder de kinderrechter een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. 5.
- Voor de inhoudelijke beoordeling van het verzoek is van belang dat de schriftelijke aanwijzing valt aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, tweede lid van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb), zodat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing zijn. Dat betekent concreet dat de kinderrechter moet beoordelen of bij de besluitvorming door de GI de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (met name het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel) in acht zijn genomen en of de GI in redelijkheid tot de schriftelijke aanwijzing heeft kunnen komen. Inhoudelijke beoordeling 5.
- Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting blijkt het volgende. [minderjarige] is bij beschikking van 27 november 2023 onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling loopt tot en met 27 november
- Eind 2024 en begin 2025 is door [jeugdhulp] een psychologisch onderzoek uitgevoerd bij [minderjarige] . Hieruit is gebleken dat [minderjarige] autistisch is en een achterstand heeft in zijn ontwikkeling. Hij is gevoelig voor prikkels en heeft een trage verwerkingssnelheid. Daardoor wordt [minderjarige] al snel overvraagd. Het afgelopen jaar heeft [minderjarige] heel beperkt onderwijs gevolgd. Sinds de kerstvakantie tot nu is hij niet meer naar school gegaan, omdat de moeder van mening is dat de school onvoldoende rekening houdt met zijn beperkingen. De GI heeft de moeder hierom twee schriftelijke aanwijzingen gegeven, aangezien zij van mening is dat dit erg schadelijk is voor [minderjarige] . 5.
- De moeder is van mening dat de schriftelijke aanwijzing van 1 september 2025 niet zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Volgens haar is de schriftelijke aanwijzing te algemeen en onvoldoende toegespitst op de problematiek van [minderjarige] . Zij heeft aangegeven dat de GI zich onvoldoende in deze problematiek verdiept heeft en zij zich daardoor niet gehoord en gezien voelt. Zorgvuldige totstandkoming 5.
- Naar het oordeel van de kinderrechter is de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig tot stand gekomen. De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] onder toezicht van de GI is gesteld en dat dit met zich meebrengt dat de uitvoering daarvan in handen is van die GI. Zij was daarom bevoegd en er was aanleiding om aan de moeder, zijnde een met het gezag belaste ouder, een schriftelijke aanwijzing te geven. De schriftelijke aanwijzing is zorgvuldig opgesteld en voldoet aan de wettelijke vereisten. Zo heeft de GI de moeder een vooraankondiging verstuurd op 22 augustus
- De moeder is in de gelegenheid gesteld om daarop haar reactie te geven en deze reactie is verwerkt in de uiteindelijke schriftelijke aanwijzing. Deugdelijke motivering 5.
- De kinderrechter zal voor wat betreft de deugdelijke motivering hieronder per punt ingaan op de schriftelijke aanwijzing.
- Zodra de zorgboerderij voor [minderjarige] kan starten, laat u [minderjarige] ieder moment naar de zorgboerderij gaan volgens de afspraken die de zorgboerderij met u en de Gl zal maken. De kinderrechter zal de hierboven geformuleerde aanwijzing in stand laten. De moeder is het eens met de aanmelding van [minderjarige] bij de zorgboerderij, maar dit traject moet nog van start gaan. Zoals de GI heeft aangegeven, heeft de moeder in het verleden laten zien dat zij kan meebewegen met beslissingen van de GI zo lang deze aansluiten bij haar eigen visie, maar dat zij soms ook haar eigen plan trekt wanneer het anders loopt dan zij voor ogen heeft. De kinderrechter is van oordeel dat de GI voldoende heeft onderbouwd dat het starten van [minderjarige] bij de zorgboerderij in het belang van [minderjarige] is. Dit traject vormt namelijk een tussenstap richting het uiteindelijke doel: dat [minderjarige] weer naar school gaat. Ook is het van belang dat [minderjarige] vervolgens naar de zorgboerderij blijft gaan volgens de afspraken die daarover gemaakt gaan worden, ook als het [minderjarige] even tegenvalt of als hij liever bij de moeder blijft. Hij moet de stap zetten om uit huis te komen en leren dat hij dit vol moet houden. De zorgboerderij is een prima plek voor hem om dit te leren. De moeder moet dit echter wel (blijven) ondersteunen. Het verzoek van de moeder zal op dit punt dan ook worden afgewezen.
- Maak voor vrijdag 12 september 2025 een nieuwe afspraak met [school] , waarbij u samen met de school een concreet plan maakt voor de onderwijsvorm (zowel deelname aan de zorgboerderij, als afspraken met school)van [minderjarige] in het nieuwe schooljaar. De kinderrechter heeft begrepen dat de betreffende afspraak inmiddels heeft plaatsgevonden. De GI heeft echter voldoende onderbouwd dat het belangrijk is dat de moeder contact blijft houden met de school. Er moeten de komende tijd immers ook nieuwe afspraken worden gemaakt om te bepalen hoe het traject van [minderjarige] richting een geregelde schoolgang verder vorm moet krijgen. Hoewel de in de aanwijzing genoemde datum inmiddels is verstreken, blijft de strekking van de aanwijzing onverminderd van kracht: het is van belang dat door de moeder het contact met de school wordt voortgezet. Om die reden acht de kinderrechter het niet aangewezen om dit punt vervallen te verklaren. Deze aanwijzing zal dus in stand blijven.
- Bespreek met de school de mogelijkheden van onderwijsvormen voor [minderjarige] , gecombineerd met de adviezen van het volledige psychologisch rapport van [jeugdhulp] en kijkend naar een passende opbouw die zowel haalbaar is voor [minderjarige] als de school. De kinderrechter is van oordeel dat de GI voldoende heeft onderbouwd waarom het van belang is dat de moeder en de school met elkaar in gesprek gaan om af te stemmen hoe de schoolgang van [minderjarige] verder vorm moet krijgen. Hoewel dit mogelijk wat vroeg lijkt, aangezien [minderjarige] nog moet starten op de zorgboerderij en de uitkomsten van dat traject wellicht nieuwe inzichten kunnen geven over welke onderwijsvorm het beste bij hem past, blijft afstemming noodzakelijk. Ook wanneer in de toekomst een andere school aan de orde zou komen, is het van belang dat de moeder met die school in contact treedt en daarbij het volledige rapport van [jeugdhulp] en de daaruit voortvloeiende adviezen meeneemt bij het uitzetten van een stappenplan richting een geregelde schoolgang van [minderjarige] . De kinderrechter ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om dit onderdeel van de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren.
- Benoem en blijf benoemen naar [minderjarige] dat [school] zijn school is. In de beschikking van 4 juli 2025 is bepaald dat deze aanwijzing in stand blijft. De kinderrechter zal dit punt in de schriftelijke aanwijzing ook nu in stand houden. De moeder dient te blijven uitdragen dat [school] de school van [minderjarige] is, mede omdat deze school op dit moment de onderwijsinstelling is die verantwoordelijk voor hem is. Zolang de GI en de moeder niet gezamenlijk tot een ander inzicht komen over de schoolkeuze, blijft deze situatie van kracht. Het verzoek van de moeder om de aanwijzing ook op dit punt vervallen te verklaren wordt daarom afgewezen.
- Neem deel en laat [minderjarige] deelnemen aan ieder hulpverleningsaanbod wat de GI noodzakelijk acht om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] tegen te gaan. Punt 5 is naar het oordeel van de kinderrechter te algemeen geformuleerd. Een schriftelijke aanwijzing moet voldoende concreet zijn om te kunnen spreken van een zorgvuldig tot stand gekomen besluit. De moeder werkt mee aan de hulpverlening van IAG en staat open voor de plaatsing van [minderjarige] bij de zorgboerderij. Nu blijkt dat zij aan beide trajecten haar medewerking verleent, heeft de GI onvoldoende gemotiveerd dat deze ruim geformuleerde aanwijzing noodzakelijk is voor de uitoefening van de ondertoezichtstelling. Dit leidt ertoe dat deze aanwijzing op dit punt vervallen wordt verklaard. Dit neemt echter niet weg dat er sprake is van een ondertoezichtstelling, en dus van een dwangmaatregel. Het blijft daarom van belang dat de moeder blijft samenwerken met de jeugdbeschermer en zijn aanwijzingen opvolgt. 5.
- Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing daarom deels vervallen verklaren en wel voor wat betreft punt 5: - Neem deel en laat [minderjarige] deelnemen aan ieder hulpverleningsaanbod wat de GI noodzakelijk acht om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] tegen te gaan. 5.
- De kinderrechter beslist als volgt. 6De beslissing De kinderrechter: 6.
- verklaart de schriftelijke aanwijzing van 1 september 2025, voor zover het betreft punt 5 vervallen; 6.
- wijst het verzoek tot het vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing van 1 september 2025 voor het overige af. Deze beslissing is gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 november
- Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).