beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummers : C/02/413742 / FA RK 23-4251 (gezag en omgang) : C/02/436116 / JE RK 25-1004 (ondertoezichtstelling) Datum uitspraak: 18 juni 2025 (Nadere) beschikking over wijziging ouderlijk gezag, vaststelling contact-/omgangsregeling en ondertoezichtstelling in de zaken van [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 1] , Duitsland, verzoeker in de zaak FA RK 23-4251, belanghebbende in de zaak JE RK 25-1004, advocaat: mr. M. Akça-Altun in Breda, en RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ZUIDWEST NEDERLAND, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, verzoeker in de zaak JE RK 25-1004, adviseur op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in de zaak FA RK 23-4251, over de minderjarigen: - [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2014, hierna te noemen: [minderjarige 1] ; - [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2016, hierna te noemen: [minderjarige 2] ; - [minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2019, hierna te noemen: [minderjarige 3] , hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen. De rechtbank merkt in beide zaken als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 2] , advocaat: mr. N.P.C.C. Langenberg in Breda. De rechtbank merkt in beide zaken als informant aan: de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI. 1Het (verdere verloop) van de procedures 1.
- In het procesdossier zitten de volgende stukken: de beschikking van deze rechtbank van 23 april 2024 en alle daarin genoemde stukken (met zaaknummer C/02/413742 / FA RK 23-4251); het rapport en advies van 19 november 2024 van het loket van de samenwerkende gemeenten in de zorgregio West-Brabant-Oost, hierna te noemen: het loket; de brief van 19 november 2024 van de Raad; het op 12 januari 2025 ontvangen e-mailbericht van de Raad; het op 21 februari 2025 ontvangen e-mailbericht van de Raad; het F9-formulier van 25 februari 2025 van mr. Akça-Altun; de brief van 27 februari 2025 van de Raad; het F9-formulier van 26 maart 2025 van mr. Langenberg; het rapport en advies van 4 juni 2025 van de Raad, tevens houdende een verzoek tot ondertoezichtstelling (met zaaknummer C/02/436116 / JE RK 25-1004). 1.
- Op 18 juni 2025 heeft de rechtbank de verzoeken in beide zaken, gelet op de onderlinge samenhang, gelijktijdig mondeling behandeld, met gesloten deuren. Bij die behandeling zijn verschenen en gehoord: de vader, bijgestaan door mr. Akça-Altun; de moeder, bijgestaan door mr. Langenberg; een vertegenwoordigster namens de Raad; twee vertegenwoordigsters namens de GI. 1.
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben, gezien hun leeftijd, het recht om hun mening in deze zaken te geven. Daarom zijn zij per brief uitgenodigd om aan te geven of zij behoefte hebben om hun mening schriftelijk of tijdens een kindgesprek te geven, maar zij hebben daarop niet gereageerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder hierover aangegeven dat [minderjarige 1] geen behoefte heeft om zijn mening te geven en dat zij voor [minderjarige 2] de keuze heeft gemaakt om niet te reageren met het oog op zijn kindeigen problematiek. 2De (aangehouden) verzoeken In de zaak C/02/413742 / FA RK 23-4251: 2.
- Aan de orde zijn nog de verzoeken van de vader, samengevat, uitvoerbaar bij voorraad: een omgangsregeling vast te stellen waarbij de vader een weekend per veertien dagen van vrijdag na schooltijd tot zondag 18.00 uur omgang heeft met de minderjarigen; de vader samen met de moeder te belasten met het gezamenlijk ouderlijk gezag over de minderjarigen. In de zaak C/02/436116 / JE RK 25-1004: 2.
- De Raad verzoekt om de minderjarigen onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar en om deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3De (nadere) beoordeling Inleiding 3.
- De rechtbank verwijst naar de inhoud van voormelde beschikking van 23 april 2024 (met het zaaknummer C/02/413742 / FA RK 23-4251). Hierbij is een voorlopige omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen bepaald. Daarnaast zijn de ouders verwezen voor het doorlopen van een zorgtraject in het kader van het Uniform HulpAanbod (UHA). In afwachting van het verloop en het resultaat daarvan, is de (definitieve) beslissing over de verzoeken in deze zaak pro forma aangehouden tot 22 oktober
- 3.
- Uit voormelde UHA-rapportage van het loket blijkt, samengevat en voor zover hier van belang, dat het zorgtraject negatief is afgesloten en dat de in dat kader gestelde doelen niet zijn behaald. Uit de toelichting hierbij blijkt dat het contact tussen het loket en de vrouw moeizaam is verlopen. Het loket heeft voorgesteld om De Gezinsmanager en vervolgens Pro6 in te zetten als zorgaanbieder in het kader van het zorgtraject, maar vanwege het uitblijven van een reactie vanuit de vrouw, is het traject op een gegeven moment negatief terug gemeld. Het rapport en advies van de Raad, tevens verzoek tot ondertoezichtstelling 4.3.
- Omdat het UHA-zorgtraject negatief is afgesloten, heeft de Raad een onderzoek verricht naar de in voormelde zaak voorliggende verzoeken. Naar aanleiding daarvan heeft de Raad aan de rechtbank verzocht om de minderjarigen onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar (in de zaak met het zaaknummer C/02/436116 / JE RK 25-1004). De Raad heeft ter onderbouwing daarvan in voormeld rapport en tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. 4.3.
- In augustus 2024 is het contact tussen de vader en de minderjarigen plotseling stopgezet. Sindsdien is er geen sprake meer van omgang tussen hen. Dit als gevolg van een confrontatie tussen de ouders nadat [minderjarige 3] tegen de vader zou hebben gezegd dat de moeder haar zou hebben geslagen en dat zij aan haar haren zou hebben getrokken. Naar aanleiding van het onderzoek, ziet de Raad overigens geen zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder met betrekking tot fysiek geweld. Sinds voormelde escalatie is er geen sprake meer van een constructieve onderlinge communicatie en van samenwerking tussen de ouders. Op dit moment is er dan ook geen perspectief op contact(herstel) tussen de vader en de minderjarigen. De Raad vindt het zorgelijk dat het de ouders niet lukt om, wanneer er een ruzie tussen hen heeft plaatsgevonden, dingen tegenover elkaar uit te spreken en om daarna weer op een goede manier met elkaar om te gaan en te communiceren. Daarnaast zijn er zorgen over negatieve beïnvloeding en onrust vanuit het familiesysteem. 4.3.
- Gebleken is dat de moeder momenteel veel spanningen en stress ervaart ten aanzien van de vader. De verzorging en opvoeding van de minderjarigen vraagt veel van de moeder en het moeten communiceren en toewerken naar (herstel van) het contact tussen de vader en de minderjarigen, roept bij haar spanningen en weerstand op. De Raad maakt zich er zorgen over of de draagkracht van de moeder onder druk komt te staan en of de moeder wel voldoende aan zichzelf toekomt. 4.3.
- De Raad maakt zich, gelet op het voorgaande, zorgen dat de minderjarigen klem raken tussen hun ouders, met als gevolg dat zij loyaliteitsproblemen ontwikkelen. [minderjarige 1] heeft aangegeven dat hij geen contact met zijn vader wil. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben daarentegen tegenover de Raad aangegeven dat zij graag contact willen hebben met hun vader, maar dat dit niet mag van hun moeder. De Raad maakt zich dan ook zorgen of zij zich onvoldoende gehoord voelen. Van belang is dat de moeder als hoofdopvoeder emotionele toestemming kan en zal geven aan de minderjarigen voor contact(herstel) met de vader. Het risico bestaat dat de minderjarigen zich op termijn een negatief beeld zullen vormen over hun vader, of dat zij zich verdrietig, afgewezen of juist schuldig voelen over de ontstane situatie. 4.3.
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kampen met kindeigen problematiek en zitten op het speciaal onderwijs. [minderjarige 1] heeft ADD en ernstige dyslexie. Hij kan onzeker zijn, er zijn zorgen over zijn schrijfmotoriek en hij is wat jonger in het contact met andere kinderen. [minderjarige 2] heeft een leerachterstand op alle gebieden, een cognitieve beperking en een achterstand in zijn spraakontwikkeling. Bij [minderjarige 3] zijn er zorgen op didactisch gebied. Zij heeft moeite met naar school gaan en met afscheid nemen van haar moeder en zij kan dominant en bepalend gedrag vertonen. Gelet hierop hebben de minderjarigen verschillende zorg- en opvoedingsbehoeften en hebben zij een andere aanpak nodig in het contact(herstel) met de vader. 4.3.
- De hulpverlening op vrijwillige basis is ontoereikend gebleken voor het wegnemen van voormelde zorgen en het verbeteren van de situatie van de minderjarigen. Hoewel de moeder in het verleden heeft meegewerkt met de hulpverlening vanuit [hulpverlening] en zij goed contact heeft met de scholen van de minderjarigen, is de hulpverlening in het kader van het UHA niet van de grond gekomen, omdat de moeder onvoldoende in contact was en zij hieraan niet heeft meegewerkt. De moeder houdt bovendien vast aan haar visie dat contact(herstel) tussen de vader en de minderjarigen niet zo belangrijk is. Gelet hierop is de Raad van mening dat verplichte hulpverlening met regievoering vanuit de GI, noodzakelijk is. Omdat de moeder momenteel is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag, zal een ondertoezichtstelling zich in eerste instantie richten op de moeder. Echter zal de vader daar ook bij worden betrokken. De Raad maakt zich tenslotte zorgen over de mate waarin de vader initiatief neemt. Hoewel de vader aanvankelijk heeft aangegeven dat hij bereid is om hulpverlening te accepteren, heeft hij ook aangegeven dat hij enkel hulp wil accepteren als de moeder dit ook doet. 4.3.
- Om bovengenoemde zorgen weg te nemen, acht de Raad het van belang dat een zorgaanbieder per kind afzonderlijk zal kijken naar de (on)mogelijkheden voor contact(herstel) tussen de vader en de minderjarigen. De Raad ziet weliswaar geen contra-indicaties voor contact(herstel), maar omdat het contact tussen hen al enige tijd is verbroken, zal het contact(herstel) in eerste instantie onder begeleiding en op een neutrale plaats moeten plaatsvinden. Gelet op de weerstand die [minderjarige 1] uit tegen het contact(herstel) met de vader, zal er tussen hen mogelijk eerst het een en ander uitgesproken moeten worden. Daarbij geldt ten aanzien van alle drie de minderjarigen dat, hoe langer het contact uitblijft, hoe moeilijker het contactherstel zal verlopen. De Raad acht het daarom van belang dat er zo spoedig mogelijk wordt ingezet op contactherstel. De Raad ziet geen contra-indicaties voor contact/omgang tussen de vader en de minderjarigen of signalen van onveiligheid in de (opvoed)situatie van de vader. Daarnaast zal er moeten worden ingezet op een vorm van ouderschapsbemiddeling, gericht op het verbeteren van de onderlinge communicatie en samenwerking tussen de ouders. Voor de moeder acht de Raad psycho-educatie en eventueel aanvullende persoonlijke ondersteuning nodig. Gelet op het voorgaande verzoekt de Raad om de minderjarigen onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar. Een kortere termijn acht de Raad niet toereikend. 4.3.
- De Raad adviseert, in lijn met het voorgaande, om de beslissing over de verzoeken van de vader rondom het gezag en de (definitieve) contact-/omgangsregeling aan te houden voor de duur van negen maanden, in afwachting van het verloop en het resultaat van de ondertoezichtstelling. Hoewel de Raad schriftelijk heeft geadviseerd om na afloop van die termijn een (kort) aanvullend onderzoek te verrichten, heeft de Raad tijdens de mondelinge behandeling aangegeven zich ook te kunnen voorstellen dat de GI te zijner tijd zal rapporteren en adviseren over voormelde verzoeken. De Raad adviseert daarnaast om de regie over de opbouw van de contact-/omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen bij de GI te beleggen. Het standpunt van de vader 4.
- Namens en door de vader is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De vader vindt het moeilijk en frustrerend dat hij zijn kinderen al enige tijd niet heeft gezien. De vader stelt dat hij er alles aan heeft gedaan om de moeder ertoe te bewegen om de contacten tussen hem en de minderjarigen te herstellen, maar dat de moeder het contact met hem afhoudt. De vader is bereid om mee te werken met de noodzakelijk geachte hulpverlening, waaronder omgangsbegeleiding, en hij heeft toegezegd zich te zullen houden aan de vast te stellen (voorlopige) omgangsregeling en -afspraken. Dat hij op afstand woont, vormt hiervoor geen belemmering. Gelet op het voorgaande stemt de vader in met het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen alsmede met het advies om de beslissing voor het overige aan te houden in afwachting van het verloop en het resultaat van de ondertoezichtstelling. De vader verzoekt daarnaast om de regie over het herstel en de opbouw van de omgangsregeling nadrukkelijk bij de GI te beleggen. De vader heeft er geen vertrouwen meer in dat het de ouders zal lukken om hier in goed onderling overleg samen uit te komen. Tot slot wordt de vader niet geïnformeerd door de moeder over hoe het met de minderjarigen gaat en over wat hen bezighoudt. De vader verzoekt daarom aan de moeder om hem eenmaal per maand per e-mail over de minderjarigen te informeren. Het standpunt van de moeder 4.
- Namens en door de moeder is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. Vooropgesteld draagt de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen alleen, terwijl de minderjarigen “een rugzakje” hebben. De moeder heeft er altijd alles aan gedaan om de minderjarigen contact te laten hebben met hun vader en is steeds meegegaan in de wensen van de vader. Echter heeft de vader zich regelmatig niet aan de afspraken gehouden. Hij kwam niet opdagen, was ziek of stond naar eigen zeggen in de file, waardoor de omgangsmomenten vaak op het laatste moment niet doorgingen. Daarnaast erkent de moeder dat er in juli 2024 een escalatie tussen de ouders heeft plaatsgevonden, maar zij betwist dat zij [minderjarige 3] hardhandig heeft aangepakt. Volgens de moeder heeft de vader de beschuldigingen van [minderjarige 3] te letterlijk en onterecht voor waarheid aangenomen, waarna de vader dreigementen heeft geuit tegen de moeder in het bijzijn van de minderjarigen. Dit heeft ertoe geleid dat de moeder vervolgens de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen tot op de dag van vandaag heeft stopgezet. De moeder verzoekt om het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen af te wijzen omdat zij vindt dat zij geen hulp nodig heeft. Een ondertoezichtstelling ervaart zij bovendien als een belediging en als een brevet van onvermogen. De moeder stelt daarentegen voor om alsnog met de vader in gesprek te gaan en om te proberen om samen tot overeenstemming te komen over (het herstel van) de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen. Namens de moeder is subsidiair gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en heeft, indien de maatregel tot ondertoezichtstelling toch wordt uitgesproken, verzocht om de beslissing voor het overige aan te houden in afwachting van het verloop en het resultaat daarvan. Omdat er al enige tijd geen sprake is van contact tussen de vader en de minderjarigen, vindt de moeder dat het contact in ieder geval in eerste instantie onder begeleiding dient te worden hersteld, waarbij per kind afzonderlijk wordt bezien wat er mogelijk is. De moeder heeft tot slot toegezegd dat zij iedere eerste zondag van de maand de vader per e-mail zal informeren over hoe het met de minderjarigen gaat en wat hen bezighoudt. Het standpunt van de GI 4.
- De GI heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Gelet op wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is de GI van mening dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is en dat deze helpend kan zijn. De GI is bereid om die maatregel uit te voeren en zij heeft hiervoor op korte termijn een vaste jeugdbeschermer beschikbaar. In de tussentijd zal de maatregel vanuit de bureaudienst worden opgestart. 4.
- Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken, overweegt de rechtbank als volgt. Ondertoezichtstelling 4.
- Nu de Raad verzoekt om de minderjarigen onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar en deze adviseert om de beslissing over het gezamenlijk ouderlijk gezag betreffende de minderjarigen en de definitieve omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen aan te houden, in afwachting van het verloop en het resultaat daarvan, zal de rechtbank zich - in haar hoedanigheid als kinderrechter - hierna eerst uitlaten over voormeld verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen. 4.
- Op grond van artikel 1:255, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW, in staat zijn te dragen. 4.
- Uit de overgelegde stukken en uit wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken, blijkt dat er sinds augustus 2024 geen sprake meer is van enig contact tussen de vader en de minderjarigen. De directe aanleiding hiervan is een ruzie tussen de ouders geweest in
- [minderjarige 1] heeft aangegeven dat hij geen contact meer wil met zijn vader, terwijl [minderjarige 2] en [minderjarige 3] juist hebben aangegeven dat zij dit wel graag zouden willen maar dat zij dit niet mogen van hun moeder. Daarnaast is gebleken dat de ouders niet in staat zijn om op een goede manier met elkaar te communiceren en om te overleggen over de minderjarigen. Ook wordt de vader niet geïnformeerd door de moeder over hoe het met de minderjarigen gaat en wat hen bezighoudt. De rechtbank vindt het bovendien zorgelijk dat het de ouders kennelijk niet lukt om het een en ander tegen elkaar uit te spreken en om hun ruzie uit 2024 bij te leggen. Doordat er geen sprake is van contact tussen de vader en de minderjarigen, kunnen de minderjarigen geen positieve band opbouwen met hun beide ouders en dreigen zij klem te raken tussen hun ouders, met het risico dat zij loyaliteitsproblemen ontwikkelen. Ook al zijn de ouders niet gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen, toch zal er tussen hen een vorm van communicatie over de minderjarigen moeten zijn, zoals over het contact(herstel) van hen met de vader. De rechtbank overweegt daarnaast dat alle drie de minderjarigen kampen met kindeigen problematiek, waardoor zij verschillende zorg- en opvoedingsbehoeften hebben en zij een verschillende aanpak nodig hebben rondom het contactherstel met hun vader. Nu de moeder de verzorging en opvoeding van de minderjarigen alleen draagt en de huidige situatie veel spanningen en stress bij haar oproept, zijn er tot slot ook zorgen over haar belastbaarheid en of zij wel genoeg aan zichzelf toekomt. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Aangezien de zorgen meeromvattend zijn dan enkel het ontbreken van een structureel contact tussen de vader en de minderjarigen, kan er naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesproken over een “omgangsondertoezichtstelling”. 4.
- Voormelde zorgen zijn al langere tijd aanwezig. Ondanks dat de ouders zijn verwezen voor het doorlopen van een zorgtraject in het kader van het UHA, om die zorgen weg te nemen en om de situatie van de minderjarigen te verbeteren, is voormeld traject niet van de grond gekomen omdat de moeder niet in contact was, dan wel zij geweigerd heeft om haar medewerking daaraan te verlenen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat gedwongen hulpverlening nu noodzakelijk is. 4.
- Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor ondertoezichtstelling van de minderjarigen. De rechtbank zal het verzoek van de Raad daarom toewijzen en de minderjarigen onder toezicht stellen van de GI voor de (verzochte) termijn van een jaar, met ingang van heden en tot 18 juni
- 4.
- Als leidraad om in het kader van de ondertoezichtstelling aan te werken, kunnen onder meer de navolgende in het raadsrapport opgesomde en door de rechtbank aangevulde doelen worden genomen: De minderjarigen hebben een onbelast, structureel en prettig contact met hun beide ouders. Om dat te kunnen bereiken, dient er voor alle drie de minderjarigen afzonderlijk te worden bezien welke (on)mogelijkheden er zijn voor contact(herstel) met de vader, waarbij het tempo van de minderjarigen leidend is. De minderjarigen ervaren een onbelaste en spanningsvrije manier van communiceren tussen de ouders. De ouders hebben het ouderschap op een goede manier vormgegeven en afspraken gemaakt over onder andere het informeren van de andere ouder over de minderjarigen. 4.
- De rechtbank zal de beslissing, gelet op de aard daarvan, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de Raad. Dit betekent dat die beslissing per direct van kracht is en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst. Wijziging gezag en vaststelling contact-/omgangsregeling 4.
- In artikel 1:253c BW staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders klem komt te zitten tussen haar ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is. 4.
- In artikel 1:377a BW staat dat een ouder zonder gezag over het kind recht heeft op omgang met het kind. De rechtbank kan op verzoek van de ouders gezamenlijk of een van hen een omgangsregeling vaststellen. 4.
- Met het oog op bovengenoemde zorgen, acht de rechtbank het op dit moment niet in het belang om de ouders met het gezamenlijk ouderlijk gezag over de minderjarigen te belasten. De rechtbank acht zich bovendien onvoldoende geïnformeerd om te kunnen vaststellen welke omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen het meest in het belang van de minderjarigen te achten is. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, zal zij de minderjarigen onder toezicht stellen van de GI voor de duur van een jaar. Aangezien het verloop en het resultaat van deze maatregel relevant is bij de beslissing op de verzoeken van de vader over gezag en omgang, zal de rechtbank de beslissing hierover pro forma aanhouden voor de duur van negen maanden, tot hierna te noemen datum. 4.
- De rechtbank verzoekt aan de GI om uiterlijk op hierna te noemen datum een schriftelijk verslag over te leggen over de actuele stand van zaken, waarbij zij een standpunt inneemt over voormelde verzoeken van de vader rondom het gezag en de omgang. Vervolgens zal de rechtbank de ouders (via hun advocaten) in de gelegenheid stellen om binnen twee weken schriftelijk daarop te reageren. Indien de GI te zijner tijd van mening is dat er meer tijd nodig is om tot een gedegen advies te komen en zij een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen indient, dan zal dat verzoek wederom gelijktijdig worden behandeld met de resterende verzoeken in deze zaak. De rechtbank verzoekt aan de GI, indien zij te zijner tijd een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling indient, om dit in de begeleidende brief bij voormeld verzoek én in voormeld schriftelijk advies in deze zaak duidelijk aan te geven. 4.
- De rechtbank overweegt ten overvloede dat de vader en de minderjarigen voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van omgang met elkaar, waarbij de regie over het herstel en de opbouw van de omgang wat betreft de vorm, de duur en de frequentie daarvan bij de GI wordt belegd. De rechtbank acht het daarbij van belang, zoals de Raad heeft aangegeven, dat de GI, met het oog op de kindeigen problematiek van de minderjarigen en hun verschillende opvoed- en opgroeibehoeften, per kind afzonderlijk zal bezien wat hun wensen, behoeften en (on)mogelijkheden zijn met betrekking tot het contact(herstel) met de vader. Het tempo van de minderjarigen is hierbij dus leidend. 4.
- De rechtbank gaat er tot slot vanuit dat de moeder als hoofdverzorger haar wettelijke verplichting tot het informeren van de vader zal nakomen en dat zij, zoals zij tijdens de mondelinge behandeling heeft toegezegd, hem maandelijks op de eerste zondag van de maand per e-mail zal informeren over hoe het met de minderjarigen gaat en over wat de minderjarigen bezighoudt. 5De beslissing De rechtbank: C/02/436116 / JE RK 25-1004: 5.
- stelt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering voor de duur van een jaar, met ingang van 18 juni 2025 tot 18 juni 2026; 5.
- verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; C/02/413742 / FA RK 23-4251: 5.
- houdt de beslissing aan tot dinsdag 24 maart 2026 PRO FORMA, in afwachting van het schriftelijke bericht van de GI en haar standpunt over de resterende verzoeken in deze zaak, zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.18 is overwogen; 5.
- behoudt zich iedere verdere beslissing voor. Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2025 door mr. Bogaert, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. Wallerbos als griffier, en schriftelijk uitgewerkt op 23 juni
- Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.