RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/440751 / JE RK 25-1829 Datum uitspraak: 28 november 2025 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland–West-Brabant, Middelburg, hierna te noemen de Raad, over [de ongeboren baby] , hierna te noemen de ongeboren baby, [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2022 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2024 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1] , advocaat: mr. F. Pool in Rotterdam, [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats 2] . De kinderrechter merkt als informant aan: de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west Zeeland, hierna te noemen de GI. 1Het verloop van de procedure 1.
- De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 14 oktober 2025, het op 24 november 2025 ontvangen verweerschrift. 1.
- De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 november
- Daarbij waren aanwezig: - de vader; - de moeder, bijgestaan door mr. Pool; - twee vertegenwoordigers van de Raad; - twee vertegenwoordigers van de GI. Aan mevrouw [persoon] , werkzaam bij [hulpverlening] , is bijzondere toestemming verleend om de zitting bij te wonen. 2De feiten 2.
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader. 2.
- De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 2.
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder. 2.
- De moeder is zwanger van de ongeboren baby. 3Het verzoek 3.
- De Raad verzoekt de ongeboren baby, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4De standpunten 4.
- In het verzoekschrift voert de Raad aan dat er eerder al 2 onderzoeken door de Raad zijn uitgevoerd waarbij de ouders zijn terugverwezen naar hulpverlening in het vrijwillig kader om te werken aan de gestelde doelen. Een ondertoezichtstelling is nodig omdat Praktijk Memo niet verder komt in de samenwerking met de vader. De moeder werkt mee, maar de grootste zorg is dat de vader niet stabiel aanwezig is voor de kinderen. De vader komt af en aan, wat voor veel onrust blijft zorgen. De ouders ontlasten elkaar niet wanneer dit nodig is. Daarnaast blijft de moeder wisselvallig in haar opvoeding. De moeder handelt met de beste bedoelingen maar prioriteren blijft lastig, waardoor de emotionele beschikbaarheid van de moeder een zorg blijft. De basale verzorging van de kinderen is in orde, maar de kinderen hebben ook baat bij structuur en duidelijkheid en die is er niet altijd voldoende. In de huidige situatie kan er onvoldoende worden doorgepakt. In alle hectiek is het nodig dat iemand in de chaos (mee) beslissingen kan maken in het belang van de kinderen. In augustus 2025 wordt er opnieuw terug gemeld bij de Raad. Het lukt niet te werken aan de eerder gestelde doelen. De moeder doet haar best en werkt mee aan de hulpverlening, maar de vader is niet aanwezig en het lukt vaak ook niet om hem te bereiken. De vader geeft aan te kampen met gezondheidsklachten (angst- en paniekaanvallen en maag-darmklachten) en daardoor niet aanwezig te kunnen zijn. De afwezigheid van de vader zorgt voor veel onrust binnen het gezin. Dit omdat de vader in woord zegt er te willen zijn en mee te willen werken, maar zijn acties het af laten weten. De moeder draagt het grootste deel van de zorg voor de kinderen alleen. Inmiddels zijn er vier onderzoeken geweest in drie jaar en is de situatie van de vader alleen maar verslechterd. De Raad betreurt dit, omdat de situatie voor de kinderen hierdoor onvoldoende verbetert. Het is positief dat de vader de GGD inmiddels binnen heeft gelaten, maar deze ontwikkeling is dusdanig pril dat de Raad niet weet of de vader deze positieve ontwikkeling wel doorzet. De Raad ziet dat de moeder de hulpverlening toelaat en hard aan het werk is. De Raad ziet dat de moeder hard werkt maar dat het gezin draaiende houden veel van haar vraagt. De gezinsvoogd zou een rol kunnen spelen in het aansturen van de vader ten aanzien van zijn betrokkenheid in het gezin en het waarborgen van zijn eigen hulpverleningstraject. De Raad is van mening dat het vrijwillig kader ontoereikend is gebleken. De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige(n) zijn gelegen in het herhaaldelijk niet kunnen aangaan/volhouden van hulpverlening door de vader waardoor de kinderen niet kunnen rekenen op betrokkenheid van beide ouders en een voorspelbare opvoedomgeving. 4.
- Door en namens de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. Niet voldaan is aan de voorwaarden op basis waarvan een ondertoezichtstelling kan worden uitgesproken. De moeder accepteert de noodzakelijke hulpverlening en zij werkt hier ook aan mee. Dat er hulp nodig is is volgens de moeder geen reden dat de kinderen onder toezicht moeten worden gesteld. De moeder is van mening dat een ondertoezichtstelling niet gerechtvaardigd is en dat de zorgen die de Raad benoemt kunnen worden weggenomen door hulpverlening in het vrijwillig kader. Bovendien is het verzoek van de Raad onvolledig nu eerdere rapportages ontbreken. De advocaat van de moeder zal bij de hulpverleningsinstanties van de moeder en de vader recente en actuele informatie opvragen en die informatie, bij een eventueel nieuw verzoek tot ondertoezichtstelling van de Raad, in die procedure inbrengen. 4.
- De vader verklaart tijdens de zitting dat het klopt dat hij een tijd lang niet heeft meegewerkt aan de hulpverlening en dat de moeder het gezin draaiende moest houden. Inmiddels gaat het veel beter met hem. Hij heeft begeleiding van de GGD, het SMWO en het buurtteam. Ook komt hij weer buiten en hij is dagelijks bij de moeder en de kinderen. Hij ondersteunt de moeder ook in het gezin. Inmiddels is er dus sprake van een geheel nieuwe situatie. De vader is ook van mening dat de door de Raad benoemde zorgen door middel van vrijwillige hulpverlening kunnen worden weggenomen. 4.
- De Raad verklaart tijdens de zitting dat er nu sprake is van een nieuwe situatie nu de vader inmiddels betrokken is bij de moeder en de kinderen en ook hulpverlening accepteert. De Raad is van mening dat er opnieuw onderzoek moet worden gedaan en dat de nieuwe, positieve ontwikkelingen die de vader doormaakt hierin worden meegenomen. De Raad zal in dat onderzoek ook IPT en MST-CAN betrekken als informanten. Mocht uit het nieuwe onderzoek blijken van zorgen die niet door middel van hulpverlening in het vrijwillig kader kunnen worden weggenomen dan zal de Raad overwegen een nieuw verzoek tot ondertoezichtstelling in te dienen. 5De beoordeling 5.
- De kinderrechter oordeelt als volgt. De kinderrechter is onvoldoende geïnformeerd om een beslissing te kunnen nemen op het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van de kinderen. De rapportages van de twee eerdere onderzoeken die de Raad heeft verricht, ontbreken. De kinderrechter heeft deze rapportages echter wel nodig om een inhoudelijke beslissing te kunnen nemen op het verzoek van de Raad. Bovendien is tijdens de zitting gebleken dat de situatie rondom de vader ten positieve is veranderd en is deze positieve ontwikkeling nog niet meegenomen in het onderzoek van de Raad. Op basis van de stukken die de Raad aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd kan de kinderrechter niet vaststellen dat aan de voorwaarden van een ondertoezichtstelling zijn voldaan. De kinderrechter zal het verzoek van de Raad dan ook afwijzen. 6De beslissing De kinderrechter: 6.
- wijst het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling af. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2025 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga als griffier, en op schrift gesteld op 15 december
- Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.