← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2025:9831

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/445069 / JE RK 26-258 Datum uitspraak: 25 februari 2025 Nadere beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] (Syrië), hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, verblijvende in [woonplaats 1] , advocaat: mr. J.J.J. van Rijsbergen uit Breda [minderjarige] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats 2] , advocaat: mr. S. Klootwijk uit Breda. De kinderrechter merkt als informant aan: de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI. 1Het verloop van de procedure 1.

  1. De kinderrechter neemt mee in de beoordeling: - de beschikking van 13 februari 2026 en alle daarin genoemde stukken. 1.
  2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 februari
  3. Daarbij waren aanwezig: de moeder en haar advocaat, de vader en zijn advocaat, twee vertegenwoordigsters van de Raad, een vertegenwoordiger van de GI. 1.
  4. Daarnaast was voor de moeder een tolk Arabisch Syrisch en voor de vader een tolk Arabisch Syrisch Libanees aanwezig. 1.
  5. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2De feiten 2.
  6. De moeder en de vader zijn met elkaar gehuwd geweest. [minderjarige] is gedurende het huwelijk van de ouders geboren. 2.
  7. De ouders en [minderjarige] hebben de Syrische nationaliteit. 2.
  8. [minderjarige] verblijft sinds 6 februari 2026 in een crisisgroep, de [groep] van [accommodatie] in [plaats 1] . 2.
  9. De kinderrechter heeft bij beschikking van 13 februari 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, met ingang van 13 februari 2026 tot 27 februari 2026 en een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend, met ingang van 13 februari 2026 tot 27 februari
  10. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden. 3Het verzoek 3.
  11. De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Aan de orde is nog het resterende deel van het verzoek. 4De standpunten 4.
  12. De Raad heeft ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd dat zij niets heeft toe te voegen aan het schriftelijke verzoek. Het was gelet op de ernstige zorgen over [minderjarige] en het feit dat hij aan het afglijden was noodzakelijk dat er (voorlopige) kinderbeschermingsmaatregelen werden getroffen. Een plaatsing bij de ouders is niet verantwoord en ook binnen het netwerk waren er onvoldoende waarborgen. [minderjarige] heeft een gestructureerde leefomgeving nodig met toezicht, begrenzing en de mogelijkheid tot behandeling en begeleiding. De Raad heeft ter zitting gehoord dat de GI voornemens is om [minderjarige] met ambulante spoedhulp bij de vader te plaatsen. De Raad kan dit ondersteunen, maar vindt het belangrijk dat het resterende deel van het verzoek wel wordt toegewezen. Dat biedt ruimte om te bekijken welke hulpverlening nodig is en deze in te zetten en om afspraken over veiligheid en het gedrag van [minderjarige] te maken. Bovendien zorgt de machtiging tot uithuisplaatsing ervoor dat als er onverhoopt iets mis gaat niet opnieuw een spoedverzoek nodig is. 4.
  13. De GI heeft naar voren gebracht dat uit de stukken uit een eerder verzoek ondertoezichtstelling blijkt dat de familie veel heeft meegemaakt in Syrië en Turkije en dat [minderjarige] en zijn broer daar last van hebben. Toen [minderjarige] in Nederland bij de vader kwam bleek dat de vader de opvoeding niet aan kon. De vader kan streng zijn en heeft [minderjarige] geslagen. [minderjarige] is daarom in [gezinshuis] geplaatst. Dat ging goed maar de laatste paar maanden is hij afgegleden, zo is hij dronken thuisgekomen, heeft hij softdrugs gebruikt en laat hij negatief gedrag zien. [minderjarige] is uit het gezinshuis gezet en op de crisisgroep geplaatst. De GI moest op zoek naar een passende plek voor [minderjarige] . Er is plek in een gezinshuis in [plaats 2] of [plaats 3] . Dit stuit echter op veel verzet bij [minderjarige] omdat hij graag contact wil hebben met zijn familie. De GI heeft goed nagedacht over wat het beste is voor [minderjarige] en denkt dat een plaatsing buiten de regio niet in zijn belang is. De situatie is nu zo dat hij tot de zitting op de crisisgroep mag blijven, daarna moet hij of naar een gezinshuis of thuis worden geplaatst. De GI wil kijken of het mogelijk is om [minderjarige] met intensieve ambulante spoedhulp zo snel mogelijk bij de vader te plaatsen, voor een geleidelijke thuisplaatsing is simpelweg geen ruimte. Dit wel onder de voorwaarde dat met de vader veiligheidsafspraken worden gemaakt en dat beide ouders meewerken aan de hulpverlening. Ook is nodig dat [minderjarige] weer naar school gaat en dat hij met iemand kan praten over het verleden en zijn problemen. 4.
  14. Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat zij het liefste wil dat [minderjarige] bij haar is, maar dat als dat niet kan hij zo snel als mogelijk weer bij de vader moet gaan wonen. 4.
  15. Door en namens de vader is naar voren gebracht dat hij zich kan vinden in de voorlopige ondertoezichtstelling, maar niet in de machtiging tot uithuisplaatsing. De ouders en [minderjarige] zitten op één lijn. Zij zouden het liefst zien dat [minderjarige] bij de moeder kan wonen, maar als dat niet mogelijk is dan moet hij weer bij de vader gaan wonen. De vader kan [minderjarige] een stabiele opvoedsituatie bieden waardoor hij niet meer in de problemen zal komen. Hij is bereid om aan alle nodig geachte hulpverlening mee te werken en vindt het net als de Raad en de GI belangrijk dat [minderjarige] weer naar school gaat. Als [minderjarige] bij de vader woont kan hij makkelijk contact onderhouden met de moeder en zijn andere familie, iets wat voor hem heel belangrijk is. Met de inzet van ambulante spoedhulp moet een thuisplaatsing spoedig mogelijk zijn. 5De beoordeling Internationaal privaatrecht (IPR) 5.
  16. Aangezien [minderjarige] in het buitenland is geboren, zijn gewone verblijfplaats in het buitenland heeft gehad en [minderjarige] , de moeder en de vader de Syrische nationaliteit hebben, draagt deze zaak een internationaal karakter. Gelet op deze internationale aspecten dient de rechtbank eerst vast te stellen of de rechtbank internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek 5.
  17. Op grond van artikel 7 lid 1 van de EU-Verordening 2019/1111 van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (hierna: Brussel II-ter), is de Nederlandse rechter bevoegd het verzoek te beoordelen, nu [minderjarige] op het moment van de indiening van het verzoek zijn gewone verblijfplaats in Nederland had. Op grond van artikel 265 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda relatief bevoegd nu het verzoek een minderjarige betreft die woonplaats heeft in het arrondissement van deze rechtbank. 5.
  18. Het toepasselijk recht dient te worden vastgesteld aan de hand van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, Trb. 1997, 299, oftewel het Haag Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna: HKBV 1996). Op grond van artikel 15 HKBV 1996 wordt het Nederlands recht toegepast op het verzoek. Van rechtswege gezagsverhouding 5.
  19. Alvorens het verzoek inhoudelijk te kunnen behandelen, dient allereerst te worden vastgesteld wie op het moment van indiening van het verzoek met het gezag is belast. Er is op dit moment geen rechterlijke beslissing betreffende het gezag, waardoor de vraag rijst wie van rechtswege met het gezag is belast. [minderjarige] is geboren vóór 1 mei
  20. Voor de vraag wie van rechtswege is belast met het ouderlijk gezag en de erkenning van dergelijke gezagsverhoudingen moet daarom gekeken worden naar het Verdrag betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen (hierna: HKBV 1961). 5.
  21. Op grond van artikel 3 HKBV 1961 erkent Nederland als verdragsstaat een gezagsverhouding die van rechtswege voortvloeit uit de interne wet van de staat waarvan de minderjarige onderdaan is. Aangezien [minderjarige] vanaf zijn geboorte de Syrische nationaliteit heeft, zal de rechtbank dan ook het Syrisch recht als uitgangspunt nemen om vast te stellen wie op het moment van indiening van het verzoek met het gezag is belast. De rechtbank concludeert dat op basis van het Syrisch recht de ouders bij de geboorte gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uitoefenen. Uit de basisregistratie personen blijkt dat dat het huwelijk van de ouders in 2018 is ontbonden. De rechtbank gaat uit van de juistheid van deze gegevens, nu deze zijn opgenomen op basis van een door (een van) de ouder(s) overgelegd brondocument. Uit de stukken is niet gebleken dat een rechter daarna heeft beslist over de gezagsverhouding, wat betekent dat deze na ontbinding van het huwelijk doorloopt. Ook de wijziging van de gewone verblijfplaats van [minderjarige] naar Turkije en later naar Nederland heeft geen wijziging in de gezagsverhouding tot gevolg gehad. Nu de ouders met het gezamenlijk gezag naar het Syrisch recht zijn belast blijven zij op grond van artikel 16 lid 3 HKBV 1996 met het gezag belast. Het op grond van het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van het kind bestaande ouderlijke verantwoordelijkheid blijft bestaan na verplaatsing van die gewone verblijfplaats naar een andere Staat (zie ook artikel 30 lid 3 Uitvoeringswet Internationale Kinderbescherming). 5.
  22. Dit betekent dat op het moment van indiening van het verzoek de ouders met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] zijn belast. Inhoudelijke behoordeling 5.
  23. Bij beschikking van 13 februari 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend, met ingang 13 februari 2026 tot 26 januari
  24. De Raad, de moeder, de vader en de GI zijn thans door de kinderrechter gehoord. Uit de overgelegde stukken en hetgeen bij de mondelinge behandeling is besproken, zijn de kinderrechter geen nieuwe feiten en/of omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot een ander oordeel dan reeds is verwoord in de voornoemde beschikking. 5.
  25. Nu ligt nog voor het resterende deel van het verzoek. 5.
  26. Op grond van artikel 1:257 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 1:255 BW, eerste lid, is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen. 5.
  27. Op grond van artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. 5.
  28. Op grond van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid). 5.
  29. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Ook is het noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 5.
  30. De kinderrechter heeft gehoord en gelezen dat [minderjarige] en beiden ouders hetzelfde willen, namelijk dat [minderjarige] bij een van hen komt wonen zodat hij niet opnieuw van zijn ouders wordt gescheiden. Dat uitgangspunt wordt gedeeld door de GI en de Raad. De kinderrechter sluit zich daarbij aan, het is het meest in het belang van [minderjarige] dat hij opgroeit naar volwassenheid bij een van zijn ouders. Daarbij gaat hij uit van een plaatsing bij de vader. Een plaatsing bij de moeder is op dit moment niet mogelijk, nu zij momenteel in een asielzoekerscentrum verblijft. Wel acht de kinderrechter het noodzakelijk dat [minderjarige] en de ouders op adequate wijze worden ondersteund. De familie heeft in hun leven ontzettend veel meegemaakt, er is een taalbarrière en bovenal zijn er serieuze zorgen over [minderjarige] . [minderjarige] en de ouders hebben gelukkig een zeer betrokken, ervaren jeugdbeschermer getroffen die het belang van [minderjarige] inziet en daar ook voor opkomt. Hij bekijkt de situatie met een holistische blik en neemt de ouders daarin in mee. De kinderrechter complimenteert de jeugdbeschermer voor zijn inzet. Iedereen is het er dan ook over eens dat het goed is als de GI betrokken blijft. 5.
  31. Over de machtiging tot uithuisplaatsing is er meer discussie en de kinderrechter begrijpt dat. De kinderrechter verwacht net als alle betrokkenen dat de plaatsing van [minderjarige] bij de vader op zeer korte termijn gerealiseerd kan worden, echter acht hij het niet in het belang van [minderjarige] om de machtiging voor een korte periode te verlenen. De plaatsing bij vader dient duurzaam, zorgvuldig en met waarborgen omkleed te zijn. Er dient ambulante spoedhulp te worden ingezet, er dienen veiligheidsafspraken te worden gemaakt, [minderjarige] moet weer naar school en er dient te worden gekeken hoe [minderjarige] ruimte kan krijgen om over het verleden en zijn problemen te praten. Enkel als aan die voorwaarden wordt voldaan kan de plaatsing bij de vader een eerlijke kans krijgen. Bovendien wil de kinderrechter voorkomen dat halsoverkop weer een spoedmachtiging moet worden verzocht, dat is namelijk in niemands belang. 5.
  32. Daarom stelt de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de resterende duur van het verzoek en machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling. Uitvoerbaar bij voorraad 5.15 De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6De beslissing De kinderrechter: 6.1 stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, met ingang van 27 februari 2026 tot 13 mei 2026; 6.
  33. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 27 februari 2026 tot 13 mei 2026; 6.
  34. verklaart de beslissing onder 6.
  35. uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Noort als griffier, en op schrift gesteld op 16 maart
  36. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.