RECHTBANK Zeeland-West-Brabant Civiel recht Zittingsplaats Breda Zaaknummer: C/02/434704 / HA ZA 25-258 Vonnis van 31 december 2025 in de zaak van ING BANK N.V., te Amsterdam, eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: ING, advocaat: mr. P.C. Nieuwenhuizen, tegen [persoon 1] , te [plaats 1] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [persoon 1] , advocaat: mr. W. van Elven. 1Waar gaat de zaak over 1.
- [persoon 1] had een loodgieterbedrijf samen met zijn vader [persoon 2] . [persoon 1] is bestuurder van [bedrijf 1] en middellijk bestuurder van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] . [bedrijf 2] en [bedrijf 3] hebben meerdere kredietovereenkomsten gesloten met ING. [persoon 1] heeft zich voor die kredietovereenkom-sten borg gesteld tot een bedrag van € 100.000,-. 1.
- [bedrijf 3] is op 26 januari 2016 failliet verklaard. ING heeft [persoon 1] aangesproken uit hoofde van de borgstelling omdat [bedrijf 3] en [bedrijf 2] volgens ING een restschuld hebben. ING vordert in deze procedure betaling van een bedrag van € 100.000,- op grond van de borgstelling. [persoon 1] is het daar niet mee eens en heeft meerdere verweren aangevoerd. [persoon 1] heeft een voorwaardelijke tegenvordering ingesteld. [persoon 1] stelt dat ING haar zorgplicht heeft geschonden waardoor [persoon 1] schade heeft geleden. Voor het geval de rechtbank oordeelt dat [persoon 1] gehouden is de vordering van ING te voldoen, wil [persoon 1] deze verrekenen met zijn schade. 1.
- De rechtbank wijst in conventie de verweren van [persoon 1] af. De rechtbank komt ook tot het oordeel dat ING haar zorgplicht niet heeft geschonden. De rechtbank wijst de vordering van ING toe. De tegenvordering van [persoon 1] wordt afgewezen. 2De procedure 2.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 2 juli 2025 en de onderliggende stukken, - de akte antwoord vermeerdering van eis van de zijde van [persoon 1] , - de mondelinge behandeling van 28 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 2.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 3De feiten 3.
- [persoon 1] is bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf 1] B.V. ( [bedrijf 1] ). [bedrijf 1] is mede bestuurder van [bedrijf 2] B.V. ( [bedrijf 2] ) . [bedrijf 2] is bestuurder van [bedrijf 3] B.V. ( [bedrijf 3] ). 3.
- ING heeft op grond van een kredietofferte d.d. 9 juni 2010 een krediet verstrekt aan [bedrijf 2] en [bedrijf 3] . Dit krediet bestaat uit een rekening courant krediet met een limiet van € 200.000,- en een lening van € 484.700,
- [bedrijf 2] en [bedrijf 3] zijn op grond van die kredietovereenkomst hoofdelijk aansprakelijk voor de betalingsverplichtingen aan ING. Partijen zijn in die overeenkomst als zekerheden overeengekomen een recht van hypotheek aan ING voor een bedrag van € 700.000,-, een pandrecht op de bedrijfsactiva en een borgstelling van € 100.000,- af te geven door [persoon 1] . 3.
- [persoon 1] heeft een borg akte d.d. 14 juni 2010 getekend waarbij hij zich ‘onder afstand doening van de rechten voortvloeiend uit artikel 7:852 t/m 856 , artikel 6:139 en artikel 6:154 BW (…)’ borg heeft verklaard ten behoeve van ING tot een bedrag van € 100.000,-, vermeerderd met rente en kosten voor de voldoening van al hetgeen [bedrijf 2] en [bedrijf 3] tezamen zowel als ieder afzonderlijk schuldig is of mocht worden aan ING uit welke hoofde ook. 3.
- ING heeft op grond van een kredietofferte d.d. 8 november 2010 (getekend door [bedrijf 2] en [bedrijf 3] op 11 november 2010) de bestaande kredietfaciliteit van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] uitgebreid en een lening verstrekt ter grootte van € 100.000,-. Op de overeenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing verklaard. 3.
- [bedrijf 3] is op 26 januari 2016 failliet verklaard. 3.
- ING heeft [persoon 1] bij brief van 29 januari 2016 medegedeeld dat hij er rekening mee dient te houden dat hij wordt aangesproken tot betaling uit hoofde van de borgstelling. 3.
- ING heeft bij brief van 29 januari 2016 haar vordering bij de curator in het faillissement van [bedrijf 3] ingediend. De curator heeft de vordering erkend. 3.
- Bij brief d.d. 14 februari 2019 heeft ING [persoon 1] bericht dat de vordering van ING op [bedrijf 3] en [bedrijf 2] € 224.702,89 bedraagt en dat zij [persoon 1] op grond van de borgtocht aanspreekt tot betaling van een bedrag van € 100.000,-. 3.
- Bij e-mail van 17 februari 2019 heeft [persoon 1] ING bericht dat het hem niet duidelijk is waar het genoemde bedrag op is gebaseerd en heeft hij verzocht om een overzicht van de opbouw van het bedrag. 3.
- Bij brief van 13 maart 2019 heeft [persoon 1] ING onder meer verzocht om een specificatie van door ING genoemde bedragen. Ook heeft [persoon 1] in die brief een beroep gedaan op verrekening van door hem geleden en te lijden schade met de gestelde vordering van ING uit hoofde van de borgtocht. Verder heeft [persoon 1] ING instemming gevraagd om in opdracht (last) van ING op eigen kosten te proberen de vorderingen op debiteuren van [bedrijf 3] B.V. te incasseren, in het bijzonder de vordering op [debiteur] ( [debiteur] ). 3.
- Bij brief van 6 november 2019 heeft ING [persoon 1] bericht over de hoogte van de vordering. Ook heeft ING [persoon 1] meegedeeld dat er een vordering is/was van ongeveer € 191.000,- op [debiteur] en dat de curator heeft geadviseerd om die vordering als oninbaar te beschouwen mede gelet op de te maken juridische kosten. ING heeft aangegeven dat het [persoon 1] na betaling aan ING vrij staat om haar regresrechten op onder andere [debiteur] uit te oefenen. ING handhaaft haar standpunt ten aanzien van betaling uit hoofde van de borgstelling door [persoon 1] . 3.
- Nadien heeft er nog correspondentie en contact plaatsgevonden tussen partijen over de vordering van ING op [persoon 1] uit hoofde van de borgstelling. 3.
- Per 16 juni 2020 is het faillissement van [bedrijf 3] opgeheven bij gebrek aan baten. 3.
- Ook in de periode nadien heeft er meerdere malen contact plaatsgevonden tussen ING en [persoon 1] over de vordering uit hoofde van de borgstelling. ING heeft haar vordering uit handen gegeven aan Vesting Finance. Vesting Finance heeft namens ING aan [persoon 1] een aantal sommaties gestuurd om tot betaling over te gaan. 3.
- Bij brief van 17 december 2024 heeft Vesting Finance [persoon 1] in gebreke gesteld en nogmaals gesommeerd om tot betaling van een bedrag van € 100.000,- over te gaan. 3.
- [persoon 1] heeft geen gehoor gegeven aan de sommaties. 4Het geschil In conventie 4.
- ING vordert – na vermeerdering van eis – [persoon 1] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 100.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding met veroordeling van [persoon 1] in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente. 4.
- [persoon 1] voert verweer In voorwaardelijke reconventie 4.
- [persoon 1] vordert, voor het geval de rechtbank in conventie van oordeel is dat [persoon 1] gehouden is enig bedrag aan ING te betalen, ING te veroordelen tot betaling van schadevergoeding ter hoogte van het bedrag waartoe [persoon 1] in conventie wordt veroordeeld, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis met veroordeling van ING in de kosten van de procedure. 4.
- ING voert verweer. 5De beoordeling in conventie 5.
- Tijdens de mondelinge behandeling is het bezwaar van [persoon 1] tegen de eisvermeerdering door ING beoordeeld en besproken. De rechtbank heeft het bezwaar afgewezen. De vermeerderde eis is toegestaan en ligt daarmee voor in deze zaak. 5.
- ING legt aan haar vordering ten grondslag dat [persoon 1] op grond van de borgstelling gehouden is aan ING een bedrag van € 100.000,- te voldoen. ING voert daartoe aan dat zij uit hoofde van de kredietovereenkomsten een opeisbare vordering heeft van € 203.754,59 op [bedrijf 2] en [bedrijf 3] . Geen tenietgaan borgstelling op grond van 7:853 BW en geen verjaring 5.
- [persoon 1] voert allereerst het verweer dat de vordering van ING op de hoofdschuldenaren [bedrijf 2] en [bedrijf 3] is verjaard en dat de borgstelling daarom is tenietgegaan op grond van het bepaalde in artikel 7:853 BW. [persoon 1] stelt dat er sprake is van een particuliere borgtocht en dat daarom niet ten nadele van hem kan worden afgeweken van artikel 7:853 BW. Hij beroept zich op vernietiging van de bepaling in de borgakte waarin hij afstand doet van de mogelijkheid een beroep te doen op artikel 7:853 BW in verband met strijd met de wet. 5.
- ING heeft gemotiveerd betwist dat [persoon 1] een particuliere borg is. Volgens ING is [persoon 1] een zakelijke borg en kan [persoon 1] geen beroep doen op artikel 7:853 BW omdat hij daarvan afstand heeft gedaan in de borgakte. Bovendien is de vordering van ING op [bedrijf 3] niet verjaard gezien het bepaalde in de artikelen 2:23c BW en 3:320 BW, aldus ING. 5.
- Vast staat dat in de borgakte is opgenomen dat [persoon 1] afstand heeft gedaan van de rechten voortvloeiend uit (onder meer) artikel 7:853 BW. In zoverre komt [persoon 1] geen beroep toe op artikel 7:853 BW. Dit is anders als [persoon 1] een particuliere borg is. In dat geval kan niet ten nadele van de borg worden afgeweken van (onder meer) artikel 7:853 BW. 5.
- Om van een particuliere borgtocht te kunnen spreken, moet het gaan om een natuurlijke persoon die
(1)niet handelde in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf en
(2)ook niet handelde ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van (in dit geval) een besloten vennootschap, waarvan hij bestuurder is en alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid van de aandelen heeft (artikel 7:857 BW). Van een bestuurder in de zin van dit artikel is ook sprake als de bestuurder niet rechtstreeks maar via een of meer tussengeschakelde vennootschappen aandeelhouder is van de desbetreffende vennootschap. 5.
- Vaststaat dat [persoon 1] geen onmiddellijk bestuurder is van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] . Hij kan wel via [bedrijf 1] worden aangemerkt als middellijk bestuurder van [bedrijf 2] , die op haar beurt weer bestuurder en aandeelhouder is/was van [bedrijf 3] . [persoon 1] kan derhalve worden aangemerkt als bestuurder in de zin van artikel 7:857 BW. [persoon 1] heeft ter zitting ook verklaard dat het standpunt van ING op dit punt juist is. 5.
- De vraag of de bestuurder handelde ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van de vennootschap, moet volgens vaste rechtspraak worden beantwoord aan de hand van de maatstaf of de rechtshandeling waarvoor de zekerheid wordt verstrekt, zelf behoort tot de rechtshandelingen die ten behoeve van de normale uitoefening van een bedrijf plegen te worden verricht. Het gaat dan dus om de vraag of het afsluiten van de kredietovereenkomst(en) behoorde tot de normale uitoefening van het bedrijf van [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] . Dat is het geval. De rechtbank stelt vast dat de borgtocht is gesloten op 14 juni 2010, enkele dagen na het sluiten van de kredietovereen-komst op 9 juni
- Die kredietovereenkomst betrof een rekening courant krediet met een limiet van € 200.000.- en een lening van € 484.700,-. Niet in geschil tussen partijen is dat de rekening-courant zou worden aangewend voor de financiering van het werkkapitaal en in zoverre voor de normale bedrijfsuitoefening zou worden gebruikt. Dit geldt ook voor het sluiten van de lening van € 484.700,-. [persoon 1] heeft ter zitting verklaard dat deze lening bedoeld was voor het kopen van een groter pand. Ook dit valt naar het oordeel van de rechtbank onder de normale bedrijfsuitoefening. 5.
- Op grond van het voorgaande wordt daarom aangenomen dat er sprake is van zakelijke borgtocht. Dit betekent dat in de borgakte kon worden afgeweken van het bepaalde in artikel 7:853 BW in die zin dat [persoon 1] afstand heeft gedaan van zijn rechten voortvloeiend uit dat artikel en dat de borgstelling niet teniet gaat bij verjaring. Ter zijde wordt nog opgemerkt dat de vordering op [bedrijf 3] ook niet is verjaard nu het faillissement is opgeheven bij gebrek aan baten waardoor de verjaringstermijn van de vordering van ING op [bedrijf 3] is doorgelopen. 5.
- Dit verweer van [persoon 1] treft dan ook geen doel. Omvang vordering ING op [bedrijf 2] en [bedrijf 3] 5.
- [persoon 1] betwist verder de juistheid van de hoofdsom van € 203.754,59, zoals door ING aangevoerd. Volgens [persoon 1] is het onduidelijk hoe dit bedrag is opgebouwd. [persoon 1] voert aan dat ten tijde van het faillissement van [bedrijf 3] de vordering van ING € 739.373,17 bedroeg en dat na verkoop van het pand [adres] waarbij ING - na aftrek van de notariële kosten - een bedrag van € 585.078,94 heeft ontvangen, de hoofdsom € 154.294,23 bedraagt. Daarnaast waren volgens [persoon 1] bedrijfsuitrustingen, voorraden en boekvorderingen van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] aan ING verpand en volgt uit het faillissementsverslag van [bedrijf 3] dat de bedrijfsmiddelen en voorraden zijn verkocht voor € 5.000,- + € 2.000,- + € 24.000,- = € 31.000,- exclusief BTW. Aangezien ING hierop een pandrecht had, stelt [persoon 1] dat ook dit de vordering van ING op de hoofdschuldenaren ten behoeve waarvan de borgstelling is afgegeven doet verlagen en toont dit volgens [persoon 1] aan dat het door ING genoemde bedrag van € 203.754,59 niet juist kan zijn. Tijdens de zitting heeft [persoon 1] nog aangevoerd dat er na het faillissement van [bedrijf 3] nog allerlei afschrijvingen zijn gedaan (debetrentes en bankkosten) terwijl de kredietfaciliteit is geëindigd op het moment dat [bedrijf 3] failliet is verklaard. [persoon 1] betwist dat hij zich daarvoor borg heeft gesteld. 5.
- ING heeft in reactie daarop aangevoerd dat de debetsaldi op 15 maart 2021 op de betaalrekeningen van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] werden aangezuiverd vanuit de kredietrisicoreserve van ING en dat door ING bedragen van respectievelijk € 197.045,21 en € 6.709,38, derhalve een totaalbedrag van € 203.754,59 werden overgemaakt naar de twee betaalrekeningen van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] waardoor het saldo op die betaalrekeningen nul werd en die rekeningen konden worden opgeheven. ING onderbouwt dit met de als productie 16 en 17 overgelegde bankafschriften. Ook voert zij aan dat [persoon 1] ten onrechte geen rekening houdt met de verschuldigde rente die ondanks de faillietverklaring wel is door blijven lopen evenals de verschuldigde kosten. ING stelt dat [bedrijf 2] en [bedrijf 3] over de periode 16 maart 2021 - 30 juni 2025 een bedrag aan wettelijke handelsrente verschuldigd zijn van € 104.897,
- Daarnaast stelt zij dat de verkoopopbrengst van de verpande zaken die aan de boedel toekwam niet een bedrag beloopt van € 31.000,- maar een bedrag van € 22.230,
- ING onderbouwt dit met het als productie 15 overgelegde e-mailbericht van haar aan de curator van [bedrijf 3] . ING heeft dus een vordering op [bedrijf 2] en [bedrijf 3] van in totaal € 308.652,03, aldus ING. 5.
- [persoon 1] heeft tegenover de door ING genoemde bedragen (waaronder de rente) en de onderbouwing daarvan met de e-mail en de bankafschriften, zijn verweer niet voldoende gemotiveerd gehandhaafd. [persoon 1] heeft ook onvoldoende gemotiveerd betwist dat de rente ondanks de faillietverklaring door is blijven lopen, zoals ING heeft aangevoerd. Het enkele feit dat de kredietovereenkomst door het faillissement is geëindigd (artikel 11 lid 1 sub d en m van de Algemene Bepalingen) betekent niet dat er geen rente meer verschuldigd is door [bedrijf 3] en [bedrijf 2] en dat [persoon 1] daarvoor niet borg zou staan. De rechtbank zal daarom uit gaan van de juistheid van de door ING gestelde bedragen. Dit betekent dat aangenomen kan worden dat de restschuld van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] per 30 juni 2025 € 308.652,03 beloopt, welke bedrag het bedrag van € 100.000,- waarvoor door [persoon 1] borg is gesteld, (ruim) overschrijdt. Terzijde wordt nog opgemerkt dat [persoon 1] zelf uit gaat van een restschuld van € 154.294,23 waarop volgens hem een bedrag van € 31.000,- exclusief btw in mindering moet worden gebracht. Dit betekent dat ook in dat geval sprake is van een restschuld van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] die hoger is dan het bedrag van € 100.000,- waarvoor [persoon 1] zich borg heeft gesteld. 5.
- Op grond van het voorgaande is [persoon 1] gehouden aan de borgstelling te voldoen en is hij gehouden een bedrag van € 100.000,- aan ING te voldoen. Geen schending zorgplicht ING, geen verrekening in conventie 5.
- [persoon 1] doet een beroep op verrekening met de schade die hij lijdt omdat ING haar zorgplicht jegens hem heeft geschonden en in strijd met artikel 6:154 BW heeft gehandeld. [persoon 1] stelt dat ING actie had moeten ondernemen om de aan ING verpande vorderingen van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] op derden en dan met name de substantiële en grotendeels onbetwiste vordering op [debiteur] , te incasseren. Volgens [persoon 1] zou dat voldoende hebben opgeleverd om de vordering van ING te voldoen. [persoon 1] stelt verder dat hij ING ook heeft aangeboden om op eigen kosten tot uitwinning over te gaan maar dat ING daar niet mee heeft ingestemd. Volgens [persoon 1] lijdt hij schade die ten minste gelijk is aan het bedrag dat hij bij een veroordeling aan ING zou moeten betalen. Hij legt dit ook ten grondslag aan zijn (voorwaardelijke) vordering in reconventie. 5.
- ING betwist dat zij haar zorgplicht en de verplichting uit artikel 6:154 BW heeft geschonden. 5.16.
- Zij voert allereerst aan dat het haar vrij stond om zelf de volgorde te bepalen van het uitwinnen van de aan haar verstrekte zekerheden. Er bestaat volgens ING geen algemene regel die haar ertoe verplichtte eerst andere zekerheden uit te winnen voordat zij [persoon 1] zou aanspreken uit hoofde van de borgstelling. Bovendien waren partijen dit ook overeengekomen (artikel 7 van de borgakte). 5.16.
- ING stelt ook dat zij na de faillietverklaring met de curator van [bedrijf 3] is overeengekomen dat de aan ING verpande debiteuren door de boedel zouden worden geïncasseerd. ING wijst verder op de door [persoon 1] als productie 11 overgelegde brief van 6 november 2019 aan [persoon 1] waarin zij hem heeft bericht dat de curator haar wat betreft het innen van de vordering van rond € 191.000,- op de [debiteur] heeft geïnformeerd over zijn intensieve incasso inspanningen en dat er sprake zou zijn van een hogere gedocumenteerde tegenvordering. Ook wijst ING erop dat de curator heeft aangegeven dat er destijds een gesprek heeft plaatsgevonden bij het bedrijf in [plaats 2] , waar hij vergezeld is geweest van [persoon 1] en dat [persoon 1] hem destijds helaas niet verder heeft kunnen helpen met het vormen van een deugdelijk inhoudelijk standpunt om [debiteur] in een juridische procedure te betrekken omdat belangrijke onderdelen van het dossier niet voorhanden waren. Het advies van de curator aan ING luidt om deze vordering als oninbaar te beschouwen mede met het oog op de hiervoor te maken juridische kosten. Verder wijst ING erop dat zij [persoon 1] heeft bericht dat het hem in afwijking van de borgakte vrijstaat om na voldoening van de schuld uit hoofde van de borgstelling hetgeen hij had betaald aan ING te verhalen op [debiteur] . ING voert aan dat [persoon 1] vervolgens niet inhoudelijk heeft gereageerd maar dat zijn raadsman pas bij brief van 14 december 2020 heeft aangegeven over een harde vordering op [debiteur] te beschikken en dat [persoon 1] zijn raadsman inmiddels documenten heeft verstrekt waaruit volgt dat de vordering op [debiteur] zeker tot een bedrag van € 125.000,- volledig onbetwist is. Volgens ING is al hetgeen in die brief staat onjuist en is er geen enkele onderbouwing van de stelling van de raadsman van [persoon 1] dat hij documenten heeft ontvangen waaruit zou volgen dat de vordering van [debiteur] tot een bedrag van € 125.000,- onbetwist is. Welke documenten hij zou hebben ontvangen en wat daarin zou staan, is volgens ING onduidelijk. Ook in deze procedure komt daarover geen enkele duidelijkheid. ING heeft haar zorgplicht jegens [persoon 1] dan ook niet geschonden door het advies van de curator te volgen en aanspraak te maken op betaling uit hoofde van de borgstelling, aldus ING. 5.
- Ook in het kader van een overeenkomst van borgtocht rust er op een bank een (bepaalde) zorgplicht. De rechtsverhouding tussen een bank en een borg wordt beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid uit artikel 6:2 en artikel 6:248 BW. De bank dient zorgvuldig met de belangen van de borg om te gaan, zowel bij het aangaan van de overeenkomst van borgtocht als tijdens de looptijd van deze overeenkomst. De schuldeiser die zowel beschikt over pandrechten op vorderingen als over borgtochten heeft in beginsel de vrijheid om te bepalen op welke wijze, en in welke volgorde, hij zijn zekerheden zal uitwinnen, mits hij daarbij in redelijkheid rekening houdt met de belangen van de borg. Indien de schuldeiser tekortgeschoten is in de nakoming van deze verplichtingen, is hij schadeplichtig jegens de borg voor de schade die deze daardoor lijdt en kan de borg het bedrag van deze schade verrekenen met hetgeen hij onder de borgtocht verschuldigd is. De stelplicht en bewijslast terzake van zowel de tekortkoming als de schade rusten op de borg. 5.
- De vraag is dan of ING in redelijkheid rekening heeft gehouden met de belangen van [persoon 1] . 5.
- [persoon 1] heeft ter zitting uitdrukkelijk aangeboden bewijs te leveren ten aanzien van de vordering op [debiteur] . De rechtbank begrijpt dat [persoon 1] wil aantonen dat de vordering op [debiteur] onbetwist en inbaar was. De rechtbank zal [persoon 1] niet tot dit bewijs toelaten. Want ook als [persoon 1] dit bewijs zou leveren, dan betekent dit nog niet dat ING onzorgvuldig heeft gehandeld/ in redelijkheid geen rekening heeft gehouden met de belangen van [persoon 1] . De curator heeft ING immers geadviseerd dat de vordering oninbaar was in verband met te hoge kosten, mede naar aanleiding van een gesprek met [persoon 1] bij [debiteur] omdat belangrijke onderdelen van het dossier ontbraken. Gesteld noch gebleken is dat ING reden had of moest hebben om aan de juistheid van het advies van de curator te twijfelen. In zoverre mocht zij dit advies van de curator ook volgen. Dat [persoon 1] aanvoert dat hij inmiddels over stukken beschikt waaruit de onbetwiste vordering van [debiteur] blijkt, maakt dat niet anders. Het had bovendien op de weg van [persoon 1] gelegen om deze stukken al in een eerder stadium aan ING voor te leggen en deze ook in de procedure over te leggen. Dat heeft [persoon 1] niet gedaan. Daar komt nog bij dat ING heeft aangeboden dat [persoon 1] zelf de vordering mocht incasseren, zelfs op een eerder moment. Dat zij daaraan de voorwaarde stelde dat de borg eerst betaald moest worden, maakt haar handelen niet onzorgvuldig. Het feit dat de financiële omstandigheden van [persoon 1] daar aan in de weg stonden, komt voor rekening en risico van [persoon 1] en niet van ING. De omstandigheid dat de vordering op [debiteur] inmiddels zou zijn verjaard, ligt daarmee evenmin in de risicosfeer van ING. Dit alles leidt ertoe dat niet aangenomen kan worden dat ING haar zorgplicht heeft geschonden dan wel in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 6:154 BW. Er is dan ook geen grond voor schadevergoeding. 5.
- Het voorgaande betekent dat [persoon 1] in conventie geen beroep toekomt op verrekening van de vordering van ING met schadevergoeding. 5.
- [persoon 1] heeft tot slot nog aangevoerd dat toewijzing van de vordering van ING naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Hij legt hier aan ten grondslag, dat de vordering op de hoofdschuldenaar is verjaard waardoor [persoon 1] zijn regresrecht niet meer kan uitoefenen, dat [persoon 1] de kans is ontnomen om de aan ING verpande vorderingen te incasseren en dat ING nalaat haar vordering deugdelijk te specificeren. Gelet op hetgeen hiervoor is geoordeeld, is van strijd met de redelijkheid en billijkheid geen sprake. Ook dit verweer slaagt niet. 5.
- Het voorgaande betekent dat de vordering van ING in conventie ten aanzien van de hoofdsom wordt toegewezen. Ook de gevorderde rente kan worden toegewezen. In reconventie 5.
- Nu aan de voorwaarde voor de reconventie is voldaan, zal ook deze worden behandeld. Zoals hiervoor overwogen heeft [persoon 1] ook aan deze vordering ten grondslag gelegd dat ING haar zorgplicht heeft geschonden en in strijd met haar verplichting uit artikel 6:154 BW heeft gehandeld. Nu hiervoor reeds is overwogen dat er geen sprake is van schending van de zorgplicht en ING ook anderszins niet gehouden is om de schade van [persoon 1] te vergoeden, wordt de vordering van [persoon 1] in reconventie afgewezen. Uitvoerbaar bij voorraad 5.
- [persoon 1] verzoekt de rechtbank om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Hij noemt daarbij een aantal omstandigheden die daartoe zouden moeten leiden. 5.
- ING heeft hiertegen verweer gevoerd. 5.
- Nu er verweer gevoerd is tegen de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden, bijvoorbeeld in verband met de spoedeisendheid van het voldoen aan de veroordeling, het belang van degene die de veroordeling verkrijgt zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. Het is vaste jurisprudentie dat degene die een veroordeling tot betaling van een geldsom verkreeg wordt vermoed het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad te hebben en dat een daartegenover gesteld restitutierisico geconcretiseerd moet worden. Voorts staat het feit dat mogelijk ingrijpende gevolgen van de executie, moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, op zichzelf niet in de weg aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad, maar deze moeten (slechts) meegewogen worden. 5.
- Naar het oordeel van de rechtbank heeft ING belang bij uitvoerbaar bij voorraadverklaring omdat zij een veroordeling tot betaling van een geldsom en rente verkrijgt. Daartegenover heeft [persoon 1] onvoldoende geconcretiseerd dat sprake is van een restitutierisico aan de zijde van ING. Dat [persoon 1] niet de financiële middelen heeft om de vordering van ING te betalen en daarnaast in hoger beroep te gaan, is geen omstandigheid die in dit geval zwaarder zou moeten wegen dan het belang van ING bij een uitvoerbaar bij voorraadverklaring. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het belang van ING bij uitvoerbaar bij voorraadverklaring zwaarder weegt dan het belang van [persoon 1] bij het behoud van de bestaande toestand totdat in een eventueel hoger beroep is beslist. Proceskosten in conventie en in reconventie 5.
- [persoon 1] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ING worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 146,14 - griffierecht € 1.534,00 - salaris advocaat € 3.858,00 (2 punten × € 1.929,00) - nakosten € 139,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 5.677,14 5.
- [persoon 1] is in reconventie het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ING worden begroot op: - salaris advocaat € 614,00 (2 punten × factor 0,5 × € 614,00) - nakosten € 139,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 753,00 6De beslissing De rechtbank in conventie 6.
- veroordeelt [persoon 1] om aan ING te betalen een bedrag van € 100.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling, 6.
- veroordeelt [persoon 1] in de proceskosten van € 5.677,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, in reconventie 6.
- wijst de vorderingen van [persoon 1] af, 6.
- veroordeelt [persoon 1] in de proceskosten van € 753,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, in conventie en in reconventie 6.
- veroordeelt [persoon 1] tot betaling van € 92,00 plus de kosten van betekening als [persoon 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 6.
- veroordeelt [persoon 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 6.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 6.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Stoof en in het openbaar uitgesproken op 31 december
- 7:862 BW Hoge Raad 11 juli 2003, «JOR» 2003/223, m.nt. Verdaas (Kelders/Fortis) Hoge Raad 14 april 2000, NJ 2000, 689 HR 27 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2602, NJ 1998/512 HR 17 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1400, NJ 1994/591 HR 28 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0976, NJ 1993/468