Rechtbank Zeeland-West-Brabant – ECLI:NL:RBZWB:2025:9852
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Cluster II Handelszaken Middelburg Zaaknummer / rolnummer: C/02/427212 / HA ZA 24-558 Vonnis van 17 december 2025 in de zaak van 1 [de vrouw] , wonende te [plaats 1] , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B.V. 1] gevestigd te [plaats 1] , eiseressen in conventie, verweersters in reconventie, advocaat mr. A.J.C. Nuijten, gevestigd te Bergen op Zoom, tegen 1 [de man] , wonende te [plaats 2] , gedaagde in conventie, eiser in reconventie, advocaat mr. N.M. van Leeuwen, gevestigd te Den Haag, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B.V. 2] gevestigd te [plaats 1] , gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. C. van Meines, gevestigd te Gouda.
Partijen zullen hierna achtereenvolgens de vrouw, [B.V. 1] , de man en [B.V. 2] worden genoemd.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 25 september 2025. Daarbij waren aanwezig partijen en hun advocaten. De advocaten van partijen hebben ter zitting pleitnotities voorgedragen. De griffier heeft van de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt.
1.3.
Van de mondelinge behandeling is een (verkort) proces-verbaal opgemaakt. In dit proces-verbaal is geen inhoudelijke weergave opgenomen van de standpunten van partijen. Wel zijn daarin een aantal onderwerpen opgenomen die tijdens de mondelinge behandeling zijn besproken. Aan partijen is gelegenheid gegeven om over die onderwerpen te proberen in onderling overleg tot overeenstemming te komen. De zaak is daarvoor aangehouden en verwezen naar de rol van woensdag 15 oktober 2025.
1.4.
Na de mondelinge behandeling heeft de rechtbank (in volgorde van ontvangst) nog de volgende stukken ontvangen:
Deze stukken worden toegevoegd aan het procesdossier.
1.5.
Partijen hebben de rechtbank bericht dat zij enkel overeenstemming hebben bereikt over de voor de waardering van de vennootschap onder firma van partijen, [V.O.F. 1] , te benoemen deskundige, maar dat zij verder over geen van de openstaande punten overeenstemming hebben weten te bereiken. Zij verzoeken de rechtbank om vonnis te wijzen.
1.6.
Bij de hiervoor genoemde brief van 11 november 2025 heeft de vrouw de rechtbank verzocht om vanwege de daarin genoemde redenen zo spoedig mogelijk - bij vervroeging - uitspraak te doen over de verdeling van de woning in [plaats 1] . De man heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De rechtbank heeft partijen meegedeeld dat zij op korte termijn, bij tussenvonnis, een beslissing zal nemen over de vraag aan wie van partijen de woning in [plaats 1] wordt toegedeeld. De rechtbank legt hierna onder de beoordeling uit waarom zij dit heeft gedaan.
Partijen hebben van 2004 tot en met 8 augustus 2022 een affectieve relatie met elkaar gehad, waarbij zij hebben samengewoond. Zij hebben geen samenlevingsovereenkomst gesloten.
2.2.
Partijen hebben drie nog minderjarige kinderen over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. Partijen hebben de zorg voor de kinderen zo verdeeld dat de kinderen - kort gezegd - afwisselend twee weken bij de vrouw en twee weken bij de man verblijven.
2.3.
Partijen zijn op 6 januari 2020 samen eigenaar geworden van de bedrijfsruimte alsmede vier wooneenheden en verdere toebehoren aan [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] te [plaats 1] en [adres 4] en [adres 5] te [plaats 1] (hierna: woning [plaats 1] ). Zij zijn ieder voor de helft eigenaar.
2.4.
Op de woning [plaats 1] rust een hypothecaire geldlening, aangegaan bij de ABN AMRO Bank. De hoogte van het bij de ABN AMRO Bank afgesloten krediet is sinds 13 januari 2025 niet gewijzigd, omdat partijen na 21 januari 2025 niet meer hebben afgelost. Omdat partijen niet aan hun verplichtingen jegens de bank hebben voldaan, heeft de ABN AMRO Bank de hypothecaire geldlening vervroegd opgeëist en heeft zij op 17 juli 2025 de executie van haar hypotheekrecht aangezegd.
2.5.
Partijen zijn ook ieder voor de helft eigenaar van de onroerende zaak te Portugal aan het [adres 6] , Portugal (hierna: pand Portugal). De notariële levering van het pand Portugal aan partijen vond plaats op 17 oktober 2022. Het pand Portugal bestaat uit twee identieke woningen en is aangekocht met de intentie om hiervan een B&B te maken.
2.6.
De vrouw woont samen met de kinderen op het adres [adres 2] te [plaats 1] . De man woonde aanvankelijk op het adres [adres 3] ; de man woont nu in een huurwoning in [plaats 2] .
2.7.
Partijen hebben gedurende twaalf jaren samen een onderneming gedreven. Op 30 juni 2022 hebben zij hun vennootschap onder firma [V.O.F. 2] omgezet in een vennootschapsstructuur. Sindsdien zijn zij indirect aandeelhouder van [B.V. 3] (hierna: [B.V. 3] ). Die vennootschap houdt alle aandelen in de vennootschap [B.V. 4] (hierna: [B.V. 4] ).
2.8.
De aandelen van [B.V. 4] zijn per 1 september 2023 verkocht aan een derde, [B.V. 5] , voor een bedrag van € 420.000,--. De verkoopopbrengst is voldaan aan de moedermaatschappij [B.V. 3] .
2.9.
De man en de vrouw zijn middels een persoonlijke holding 50% eigenaar van de vennootschap [B.V. 3] ; de man middels zijn persoonlijke holding [B.V. 2] (gedaagde sub 2), hierna [B.V. 2] ; de vrouw middels haar persoonlijke holding [B.V. 1] (eiseres sub 2), hierna [B.V. 1] .
2.10.
Partijen zijn daarnaast samen vennoot van de vennootschap onder firma [V.O.F. 1] . De onderneming verricht activiteiten op het terrein van studiebegeleiding, vorming en onderwijs, taallessen, inburgering en alfabetisering.
Partijen hebben over en weer een grote hoeveelheid aan vorderingen ingediend. De weergave daarvan beslaat een kleine twintig pagina’s. Voor de leesbaarheid van dit tussenvonnis zal de rechtbank enkel de vorderingen opnemen van de man en de vrouw (in privé) die betrekking hebben op het onderwerp van dit tussenvonnis, de verdeling van de woning [plaats 1] .
In conventie 3.2.
De vrouw vordert bij vonnis, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
A. De verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschap vast te stellen en te bepalen dat aan de vrouw toekomt :
C. te bepalen dat indien de man in gebreke blijft aan de hiervoor sub B genoemde veroordeling te voldoen, dit vonnis ex artikel 3:300 en artikel 3:301 BW in de plaats treedt van de verklaring en medewerking van de man in de notariële akte of het deel van de akte van verdeling en levering van de sub B genoemde onroerende zaak, waaraan de man moet meewerken c.q. dat deel van de akte dat de man dient te ondertekenen, indien de man niet op de eerste uitnodiging daartoe van de betrokken notaris aan het ondertekenen van het verlijden van de akte van verdeling en levering zijn medewerking verleent.
3.3.
De man vindt dat de vorderingen van de vrouw moeten worden afgewezen. Op de standpunten van partijen wordt hierna waar nodig uitgebreider ingegaan.
In reconventie :
3.4.
De man vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Onroerend goed [plaats 1] (Nederland) Scenario 1: toedeling onroerend goed aan de man II. de verdeling van de eenvoudige gemeenschap bestaande uit het onroerend goed te [plaats 1] (Nederland) ingevolge art. 3:185 BW vast te stellen c.q. te gelasten, waarbij:
Voorwaardelijk 1 Scenario 2: onroerend goed wordt (executoriaal) verkocht III. de verdeling van de eenvoudige gemeenschap bestaande uit het onroerend goed te [plaats 1] (Nederland) ingevolge art. 3:185 BW vast te stellen c.q. te gelasten, waarbij:
Voorwaardelijk 2 Scenario 3: toedeling onroerend goed aan de vrouw IV. Voor het geval het onroerend goed in [plaats 1] - onverhoopt - aan de vrouw wordt toegedeeld, de verdeling van de eenvoudige gemeenschap bestaande uit het onroerend goed te [plaats 1] (Nederland) ingevolge art. 3:185 BW vast te stellen c.q. te gelasten, waarbij:
In alle drie de scenario's :
Schuld aan de ABN AMRO Bank V. Primair : te bepalen c.q. voor recht te verklaren dat partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schuld voortvloeiende uit de kredietovereenkomsten van respectievelijk 14 februari 2019 en 18 augustus 2022 en in de onderlinge verhouding voor 50% draagplichtig zijn alsmede te bepalen dat indien de man meer betaalt op de schuld dan zijn aandeel aangaat zijnde de helft, hij voor al het meerdere een vordering op de vrouw krijgt c.q. heeft;
VI. voor zover de rechtbank - onverhoopt - meent dat partijen niet hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schuld voortvloeiende uit de kredietovereenkomst van 18 augustus 2022 doch uitsluitend de man:
Subsidiair: te bepalen dat de man een regresvordering jegens de vrouw heeft ten bedrage van € 220.620,43 zijnde de helft van het door de man in 2022 afgeloste krediet waarvoor partijen hoofdelijk aansprakelijk waren (en nog steeds zijn), althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, en de vrouw te veroordelen om het bedrag van € 220.620,43, althans een zodanig bedrag als Uw rechtbank juist acht, ter gelegenheid van het notariële transport van het onroerend goed te [plaats 1] door de vrouw aan de man te voldoen; alsmede te bepalen dat de man een vergoedingsrecht heeft jegens de vrouw, op grond van een stilzwijgende overeenkomst dan wel op grond van ongerechtvaardigde verrijking dan wel op grond van de redelijkheid en billijkheid, ten bedrage van € 56.054,58 zijnde de helft van de kredietverhoging voor de verbouwing van het onroerend goed in [plaats 1] en de vrouw te veroordelen om het bedrag van € 56.054,58, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, aan de man te voldoen ter gelegenheid van het notariële transport van het onroerend goed te [plaats 1] , alsmede te bepalen dat indien het bedrag van € 276.675,00 (€ 220.620,43 + € 56.054,58) de helft van de door de man af te lossen schuld aan de ABNAMRO Bank niet dekt, hij voor dit tekort een vordering heeft jegens de vrouw op grond van een stilzwijgende overeenkomst dan wel ongerechtvaardigde verrijking dan wel de redelijkheid en billijkheid en de vrouw te veroordelen dit tekort aan de man te voldoen ter gelegenheid van het notariële transport van het onroerend goed te [plaats 1] ;
Subtotaal: de vrouw te veroordelen om de helft van de totale door de man af te lossen som bij de ABN AMRO Bank aan de man te voldoen, althans een zodanige som als de rechtbank juist acht, zulks te voldoen aan de man ter gelegenheid van het notariële transport van het onroerend goed te [plaats 1] ;
Schuld aan [persoon 1], VII. te bepalen c.q. voor recht te verklaren dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld ad € 150.000,00 aan [persoon 1] en te bepalen dat indien de man meer betaalt op de schuld dan zijn aandeel aangaat zijnde de helft, hij voor al het meerdere een vordering op de vrouw krijgt c.q. heeft zulks door de vrouw aan de man te voldoen ter gelegenheid van het notariële transport van het onroerend goed te [plaats 1] ;
Schuld aan [persoon 2] VIII. te bepalen c.q. voor recht te verklaren dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de (resterende) schuld ad € 55.245,00 aan [persoon 2] en te bepalen dat indien de man meer betaalt op de schuld dan zijn aandeel aangaat zijnde de helft, hij voor al het meerdere een vordering op de vrouw krijgt c.q. heeft zulks door de vrouw aan de man te voldoen ter gelegenheid van het notariële transport van het onroerend goed te [plaats 1] ;
Vergoedingsrecht man (verschil in verhuuradministratie) IX. de vrouw te veroordelen om een bedrag van € 46.674,00 aan de eenvoudige gemeenschap te vergoeden ter zake van het verschil in opnames van de verhuurrekening dan wel de vrouw te veroordelen om een bedrag van € 23.337,00 (zijnde de helft van € 46.674,00) rechtstreeks aan de man te vergoeden, zulks ter gelegenheid van het notariële transport van het onroerend goed te [plaats 1] uiterlijk binnen drie maanden na afgifte van het (tussen)vonnis van de rechtbank, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van de vordering, welke rente gerekend wordt vanaf drie maanden na afgifte van het (tussen)vonnis van de rechtbank tot het moment van algehele voldoening, althans met ingang van een datum als de rechtbank juist acht.
Huurpenningen [adres 5] te [plaats 1] X. de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 3.062,50 (zijnde de helft van de door de vrouw ontvangen huurpenningen per 1 april 2025 tot en met 1 augustus 2025), te vermeerderen vanaf 1 augustus 2025, met een bedrag van € 612,50 per maand, voor iedere maand of gedeelte van de maand dat de vrouw in gebreke blijft de helft van de door haar te ontvangen huurpenningen aan de man te voldoen, waarbij het totaal door de vrouw aan de man verschuldigde bedrag wordt voldaan ter gelegenheid van het notariële transport van het onroerend goed te [plaats 1] uiterlijk binnen drie maanden na afgifte van het (tussen)vonnis van de rechtbank.
3.5.
De vrouw vindt dat de vorderingen van de man moeten worden afgewezen. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling In conventie en in reconventie Inleiding 4.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Deze procedure gaat over de financiële afwikkeling van hun relatie. Omdat de vorderingen van partijen met elkaar samenhangen, worden de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk beoordeeld.
4.2.
Partijen zijn het niet eens geworden over de verdeling van de tussen hen bestaande eenvoudige gemeenschappen en hebben elk hun eigen voorstellen ingediend voor de wijze van verdeling. Zij verzoeken de rechtbank om een beslissing te nemen op basis van deze voorgestelde wijzen van verdeling.
4.3.
Artikel 3:185, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de rechter (op vordering van een van partijen) de wijze van verdeling vaststelt, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang.
4.4.
Partijen hebben de volgende eenvoudige gemeenschappen naar voren gebracht:
A. de woning [plaats 1] ;
B. het pand Portugal;
C. de gemeenschappelijke rekeningen;
D. de inboedelgoederen;
E. de voertuigen; en F. de vennootschap onder firma [V.O.F. 1] .
4.5.
Daarnaast hebben partijen de rechtbank verzocht een beslissing over de spaarrekeningen van de kinderen (G) te geven.
4.6.
Door de persoonlijke houdstervennootschappen van partijen, [B.V. 1] en [B.V. 2] , is de rechtbank verzocht om de verdeling van de aandelen van [B.V. 3] vast te stellen (H).
A. Verdeling van de woning [plaats 1] Met voorrang beslissing over verdeling van de woning [plaats 1] 4.7.
In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 25 september 2025 is over de woning het volgende vastgelegd.
Onroerende zaak [plaats 1] Partijen laten de rechtbank op de rol van 15 oktober 2025 weten aan wie van partijen de onroerende zaak in [plaats 1] kan worden toebedeeld.
Partijen hebben aangegeven dat wanneer zij hierover geen overeenstemming bereiken, zij in verband met de aangekondigde executie van het hypotheekrecht door de ABN AMRO Bank de rechtbank verzoeken een tussenvonnis te wijzen waarin wordt beslist aan wie van partijen de onroerende zaak in [plaats 1] wordt toebedeeld. Partijen dienen ter onderbouwing van dit verzoek stukken van de ABN AMRO Bank over te leggen waaruit blijkt dat het nodig is dat er op dit punt op korte termijn een beslissing wordt genomen.
4.8.
Partijen hebben over de verdeling van de woning geen overeenstemming bereikt. De vrouw heeft de rechtbank verzocht zo spoedig mogelijk in een tussenvonnis te beslissen aan wie van partijen de woning in [plaats 1] wordt toebedeeld.
4.9.
In haar brief van 11 november 2025 heeft de vrouw toegelicht dat zij de mogelijkheid heeft de financiering (zelfstandig, zonder de man) over te nemen. Hierdoor kan zij zowel de schuld als de achterstand bij ABN AMRO Bank inlossen, waarmee de in het vooruitzicht gestelde executieveiling kan worden voorkomen. Zij heeft een e-mail van de ABN AMRO Bank van 28 oktober 2025 overgelegd waarin de bank schrijft voor 28 november 2025 de opdracht tot executieveiling aan de notaris te zullen geven. Ook heeft zij een e-mail van Briqwise overgelegd van 4 november 2025, ter onderbouwing van haar stelling dat Briqwise op korte termijn een beslissing nodig heeft van de rechtbank om de financiering definitief aan de vrouw te kunnen verstrekken.
4.10.
De man heeft betwist dat er reden is om op korte termijn, dus bij tussenvonnis, een beslissing te nemen over de vraag aan wie van partijen de woning in [plaats 1] kan worden toebedeeld. De man heeft de e-mailwisseling tussen hem en de bank overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat de bank vast houdt aan de executieverkoop ook als de rechtbank beslist dat de woning aan de vrouw wordt toegedeeld. Daarnaast heeft de man een e-mail van Briqwise van 11 november 2025 overgelegd. Volgens de man blijkt daaruit dat Briqwise op basis van uitsluitend een tussenvonnis geen financiering kan verstrekken.
4.11.
De rechtbank heeft, op basis van de door beide partijen na de mondelinge behandeling ingediende stukken, voldoende aanleiding gezien om snel een beslissing te nemen over de toedeling van de woning [plaats 1] aan een van partijen. De dreiging van een executieveiling door de bank is er nog steeds; de rechtbank heeft geen bericht van de bank gezien waaruit blijkt dat de executie wordt gestaakt. Anders dan de man stelt, kan de rechtbank uit de overgelegde berichten niet opmaken dat de bank onder geen beding van een executieverkoop wenst af te zien. Uit de e-mail van de ABN AMRO Bank die de vrouw heeft overgelegd blijkt dat de bank de executieveiling zal afbreken zodra zij de aan haar verschuldigde hypotheeksom heeft ontvangen. Bovendien is de e-mailwisseling tussen de man en de bank van een eerdere datum, wat de vraag oproept of deze nog actueel is. Daarnaast blijkt uit de door beide partijen overgelegde e-mailcorrespondentie met Briqwise dat Briqwise een beslissing van de rechtbank nodig heeft over de toedeling van de woning [plaats 1] om de financiering definitief te kunnen verstrekken. Dat een tussenvonnis daarvoor niet voldoende is, blijkt daaruit niet. De rechtbank zal daarom in dit (tussen)vonnis beslissen aan wie van partijen de woning [plaats 1] wordt toebedeeld.
Waarde woning 4.12.
Partijen hebben de woning [plaats 1] in opdracht van de bank recentelijk laten taxeren. Volgens de meest recente taxatie heeft de woning [plaats 1] een marktwaarde van € 1.265.000,00. Partijen zijn het erover eens dat de woning [plaats 1] tegen deze waarde in de verdeling moet worden betrokken.
Hypothecaire geldlening 4.13.
De vrouw heeft aanvankelijk het verweer gevoerd dat zij niet aansprakelijk is voor de hypothecaire schuld, omdat de kredietovereenkomst alleen op naam van de man is afgesloten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw dit verweer ingetrokken.
Belangenafweging 4.14.
Beide partijen stellen - kort gezegd - dat zij voor toedeling van de woning [plaats 1] aan hen een zwaarwegender belang hebben dan de ander en dat zij in staat zijn de ander uit te kopen.
4.15.
De vrouw wil dat de woning [plaats 1] aan haar wordt toebedeeld, zodat zij samen met de drie kinderen van partijen in de woning [plaats 1] kan blijven wonen. De scheiding van partijen heeft al de nodige impact gehad op de kinderen en de vrouw wenst de vertrouwde woonomgeving voor de kinderen intact te laten. De vrouw heeft niet de mogelijkheid om een andere woning te verkrijgen die geschikt is voor haar en drie kinderen én rolstoeltoegankelijk is. De vrouw kampt namelijk met fysieke gezondheidsproblemen waardoor zij regelmatig op een rolstoel is aangewezen. De man beschikt al wel over vervangende woonruimte. Hij huurt sinds 6 april 2024 een woning in [plaats 2] . Bovendien verblijft hij in de weken dat hij niet de zorg heeft voor de kinderen vaak in de woning van partijen in Portugal. Ook heeft de man meer financiële mogelijkheden om een woning te huren dan de vrouw.
De vrouw kan voldoende financiering verkrijgen om de man door de bank te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de gezamenlijke hypotheek en om de helft van de overwaarde aan de man te voldoen. De woning heeft namelijk zoveel overwaarde dat de bank bereid is om de vrouw hiervoor een lening te verstrekken.
4.16.
De man stemt er niet mee in dat de woning aan de vrouw wordt toebedeeld; hij wenst de woning [plaats 1] toebedeeld te krijgen. De man stelt dat zijn belang bij toedeling groter is dan dat van de vrouw. Hij heeft bij de aankoop van de woning [plaats 1] meer financieel risico gelopen dan de vrouw en hij heeft jarenlang zijn vrije tijd gestopt in de verbouwing van de woning. Hierdoor is zijn betrokkenheid bij de woning [plaats 1] groot en heeft hij ook een emotionele binding met de woning. Daarnaast heeft de man een zakelijk belang bij toedeling van het onroerend goed. Hij heeft vergevorderde plannen voor een samenwerking met [B.V. 6] waarbij de woning [plaats 1] (het zakelijke gedeelte van het onroerend goed) een centrale rol vervult. Toedeling van de woning aan de man is daarom noodzakelijk voor de uitvoering van deze zakelijke afspraken. De man kan de toedeling ook financieren, de vrouw niet. Uit contact dat de man heeft gehad met Briqwise blijkt dat Briqwise niet bereid is de vrouw een financiering te verstrekken ter hoogte van de nog af te lossen (hypotheek)schuld bij de bank. Laat staan dat Briqwise bereid is een financiering te verstrekken voor het uitkopen van de man en voor de aflossing van de schuld die partijen hebben bij de vader van de man.
4.17.
De rechtbank overweegt als volgt. Beide partijen wensen met uitsluiting van de ander toedeling van de woning [plaats 1] . Bij de vraag welke partij de woning toegedeeld dient te krijgen, gaat het om een belangenafweging waarbij alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen. Daarbij geldt dat de rechter die de verdeling vaststelt, een grote mate van vrijheid geniet en niet is gebonden aan hetgeen partijen hebben gevorderd en niet expliciet behoeft in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren (vgl. Hoge Raad 17 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2631, NJ 1999, 550). Wel dient de rechter naar redelijkheid rekening te houden met de belangen van partijen en het algemeen belang.
4.18.
De vrouw verzoekt om de woning [plaats 1] aan haar toe te delen, primair ten behoeve van haar en de drie kinderen, terwijl de man erop aandringt dat de woning aan hem wordt toegedeeld vanwege zijn emotionele binding en zakelijke belangen.
De vrouw heeft gemotiveerd dat de scheiding reeds aanzienlijke impact op de kinderen heeft gehad, wat de man niet heeft betwist. Voor het emotionele en sociale welzijn van de kinderen vindt de rechtbank het daarom belangrijk dat zij met de vrouw in hun vertrouwde woonomgeving kunnen blijven wonen. De kinderen hebben daar, dat staat tussen partijen vast, ook hun hoofdverblijf. Daar komt bij dat de man al andere woonruimte tot zijn beschikking heeft en de vrouw niet. Zij zal dus op zoek moeten naar een verblijfplek voor haar en de drie kinderen en dat zal in de huidige woningmarkt niet eenvoudig zijn. De man beroept zich erop dat hij een bijzondere binding heeft met de woning [plaats 1] , maar uit wat de vrouw naar voren heeft gebracht blijkt dat zij die binding net zo goed heeft. Daarom kan dit niet van doorslaggevend belang zijn in het kader van de belangenafweging. Dat de man bij de aankoop van de woning meer risico zou hebben gelopen dan de vrouw, wat zij overigens betwist, oordeelt de rechtbank in het kader van de belangenafweging als niet relevant. Tot slot vindt de rechtbank dat de man onvoldoende heeft aangetoond dat zijn zakelijke belangen niet op een andere manier kunnen worden gerealiseerd.
4.19.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat in dit geval de belangenafweging in het voordeel van de vrouw uitvalt. Daarbij heeft het belang van de kinderen om in hun vertrouwde omgeving te kunnen blijven wonen de doorslag gegeven.
4.20.
Bij toedeling aan een van beide partijen moet de partij die de woning toebedeeld krijgt in staat zijn de ander uit te kopen. Of de vrouw daar ook daadwerkelijk toe in staat is, wat de man betwist, kan de rechtbank op basis van de thans overgelegde stukken niet voldoende overzien. De rechtbank vindt daarentegen het door de vrouw overgelegde financieringsvoorstel van Briqwise ook niet zo weinig reëel dat op voorhand al vast staat dat de vrouw de benodigde financiering voor het uitkopen van de man met ontslag uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid niet kan verkrijgen. Uit de eerder al genoemde e-mail van Briqwise van 4 november 2025 maakt de rechtbank bovendien op dat Briqwise op basis van door de vrouw al ingediende stukken een positieve grondhouding heeft om de aanvraag van de hypotheek te honoreren. Naar het oordeel van de rechtbank is ook niet aangetoond dat Briqwise niet bereid is om de vrouw de benodigde financiering te verstrekken. In de e-mail van Briqwise waar de man zich op beroept, leest de rechtbank niet dat Briqwise geen financiering zal verstrekken. Daarin staat alleen dat Briqwise een beslissing van de rechtbank nodig heeft om de financiering definitief te verstrekken. Die beslissing wordt met dit vonnis gegeven.
4.21.
Uit de hiervoor onder 3.4 opgenomen vorderingen van de man blijkt dat hij van mening is dat bij de beoordeling of de vrouw de woning kan overnemen, ook andere aan de woning gerelateerde verplichtingen moeten worden meegenomen. Hij noemt onder andere de schuld aan [persoon 1] , de schuld aan [persoon 2] , het mogelijke vergoedingsrecht en eventueel verschuldigde huurpenningen. De rechtbank overweegt dat het hier niet gaat om hypothecaire leningen waarvan de terugbetaling is gezekerd via de woning, maar om persoonlijke schulden of verplichtingen van partijen. De rechtbank laat zich gelet op de aard van die schulden op dit moment niet uit over wat daarmee moet gebeuren. Het gaat nu immers slechts om de toedeling van de woning. De vraag of, en in welke mate, de vrouw (mede) aansprakelijk is voor eventuele andere aan de woning gerelateerde verplichtingen zal de rechtbank op een later moment in een ander kader beoordelen.
4.22.
De rechtbank vindt op basis van al het vorenstaande dat de vrouw als eerste de mogelijkheid moet krijgen om de woning en de daaraan gekoppelde hypotheekschuld over te nemen. De rechtbank bepaalt daarom de wijze van verdeling als volgt: de woning wordt tegen een waarde van € 1.265.000,00 toebedeeld aan de vrouw, dit onder de (opschortende) voorwaarde dat de man kan worden ontslagen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. De vrouw krijgt een periode van vier maanden, ingaande op de datum van dit vonnis, de tijd om de financiering rond te krijgen. Als zij de financiering binnen die periode niet rond krijgt, wordt de woning vervolgens (eveneens tegen een waarde van € 1.265.000,00) toebedeeld aan de man, onder de (opschortende) voorwaarde dat de vrouw kan worden ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. Ook de man krijgt daarvoor vier maanden de tijd. Als hij binnen die periode de daarvoor benodigde financiering niet rond krijgt, zal de woning moeten worden verkocht aan een derde, waarbij na aflossing van de hypotheekschuld de resterende overwaarde aan ieder van partijen voor de helft toekomt. De rechtbank geeft verderop in dit vonnis onder ‘de beslissing’ een uitgebreid stappenplan voor de verschillende scenario’s van de verdeling.
Slotoverweging 4.23.
In dit vonnis is alleen een beslissing gegeven over de verdeling van de woning. De rechtbank houdt alle verdere beslissingen over de verdeling van de overige door partijen naar voren gebrachte eenvoudige gemeenschappen (B tot en met F), de draagplicht voor andere schulden dan de hypotheekschuld in verband met de woning [plaats 1] , de spaarrekeningen van de kinderen en de verdeling van de aandelen van [B.V. 3] aan.
5De beslissing In conventie en in reconventie De rechtbank:
5.1. stelt de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke onroerende zaak van partijen bestaande uit de bedrijfsruimte alsmede vier wooneenheden en verder toebehoren, plaatselijk bekend [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] te [plaats 1] en [adres 4] en [adres 5] te [plaats 1] (hierna: woning [plaats 1] ) als volgt vast:
Voorwaardelijke toedeling van de woning [plaats 1] aan de vrouw met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld 5.1.1. de woning wordt toegedeeld aan de vrouw onder de opschortende voorwaarde dat zij binnen vier maanden na dagtekening van dit vonnis schriftelijk aantoont dat zij in staat is de man te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening bij de ABN AMRO Bank, onder de verplichting:
5.1.2. als de vrouw binnen de genoemde termijn aantoont dat de man kan worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld moet de man, zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen twee maanden, meewerken aan levering van de woning aan de vrouw bij één van de notarissen van [notariskantoor 1] , gevestigd te [adres 7] , waarbij de kosten van het notariële transport van de woning voor rekening van de vrouw komen;
Voorwaardelijke toedeling van de woning aan de man met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld 5.1.3. als het de vrouw niet lukt binnen de gestelde termijn en onder de gestelde voorwaarden zich de woning op bovenstaande wijze te laten toedelen, wordt de woning toegedeeld aan de man onder de opschortende voorwaarde dat hij binnen vier maanden nadat de hiervoor onder 5.1.1. aan de vrouw gegeven termijn is verstreken, schriftelijk aantoont dat hij in staat is de vrouw te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening bij de ABN AMRO Bank, onder de verplichting:
5.1.4. als de man binnen de genoemde termijn aantoont dat de vrouw kan worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld moet de vrouw, zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen twee maanden, meewerken aan levering van de woning aan de man, waarbij de man [notariskantoor 2] te [plaats 3] opdracht zal geven de akte van verdeling en levering op te stellen en waarbij de kosten van het notariële transport van de woning voor rekening van de man komen;
Voor het geval toedeling van de woning [plaats 1] aan geen van beide partijen binnen de gestelde termijnen kan worden gerealiseerd:
5.1.5. als het de man niet lukt binnen de gestelde termijn en onder de gestelde voorwaarden zich de woning op bovenstaande wijze te laten toedelen, moet de woning worden verkocht en geleverd aan een derde. In dat geval moet binnen twee weken nadat de hiervoor onder 5.1.3 aan de man gegeven termijn is verstreken, gestart worden met de verkoop van de woning aan een derde. Die verkoop aan een derde moet geschieden op de volgende manier:
Daarna verrichten partijen zo spoedig mogelijk de volgende handelingen:
5.1.6. als partijen niet binnen twee weken na de verlening van een opdracht tot verkoop aan een makelaar erin slagen gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, dan bepaalt de makelaar de bindende marktconforme vraagprijs;
5.1.7. bij verkoop van de woning zal de hypothecaire geldlening bij gelegenheid van de levering van de woning aan een derde worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning. Vervolgens wordt de (restant) verkoopopbrengst tussen partijen bij helfte verdeeld;
5.1.8. bij overdracht van de woning aan (een) derde(n) is iedere partij gehouden de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten, voor zover die ter zake van de verkoop en levering aan partijen in rekening worden gebracht, te dragen;
5.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. Hopmans, Van Dijk en Bastiaansen, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025 door mr. Hopmans.