← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2026:1010

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02-354369-24 vonnis van de meervoudige kamer van 18 februari 2026 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] wonende in [woonplaats] raadsvrouw mr. K.C.A.M. Oomen, advocaat te Breda 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 februari 2026, waarbij de officier van justitie, mr. P.W.P. Emmen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) is overleden, dan wel dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primaire feit. De in de tenlastelegging weergegeven feitelijke gedragingen kunnen worden bewezen en de combinatie van die gedragingen kan worden gekwalificeerd als aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit primair integraal vrijspraak van het feit. Ter plaatse geldt weliswaar een inhaalverbod, maar verdachte wist dit niet en er zijn meerdere omstandigheden die maken dat hij ook niet op de hoogte hoefde te zijn van dit verbod. Verder heeft verdachte alle nodige voorzichtigheid betracht en gekeken of er een tegenligger aankwam vóórdat hij de voor hem rijdende vrachtwagen ging inhalen. Het enkele feit dat verdachte de motorrijder niet heeft gezien, levert geen schuld in de zin van artikel 6 WVW op. Evenmin heeft verdachte daarmee gevaar op de weg veroorzaakt in de zin van artikel 5 WVW. Indien de rechtbank van oordeel is dat verdachte zich wel schuldig heeft gemaakt aan één van de twee verweten gedragingen, stelt de verdediging subsidiair dat er in dat geval enkel sprake is van één verkeersfout. Eén verkeersfout levert geen schuld in de zin van artikel 6 WVW op. Indien de rechtbank oordeelt dat verdachte wetenschap had of had moeten hebben van het inhaalverbod en gedurende de inhaalmanoeuvre onvoldoende zijn aandacht heeft gericht op het voor hem geldende weggedeelte, stelt de verdediging meer subsidiair dat de combinatie daarvan hooguit kan worden gekwalificeerd als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag in de zin van artikel 6 WVW. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen Indien hoger beroep wordt ingesteld worden de bewijsmiddelen uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht 4.3.2 De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs Feiten en omstandigheden Op 4 november 2024 omstreeks 20:24 uur heeft in Zevenbergen , gemeente Moerdijk, een dodelijk verkeersongeval plaatsgevonden. Verdachte is als bestuurder van een personenauto bij dit ongeval betrokken geweest. Hij reed op dat moment op de Hazeldonkse Zandweg, komend uit de richting van Zwartenberg. Deze weg bestaat op die plek uit twee rijstroken, bestemd voor verkeer in beide richtingen, en heeft een recht wegverloop. Verdachte is op enig moment ter hoogte van perceelnummer 101 een voor hem rijdende vrachtwagen gaan inhalen door gebruik te maken van de rijstrook, die is bestemd voor het tegemoetkomende verkeer. Bij die inhaalmanoeuvre is verdachte op diezelfde rijstrook in frontale botsing gekomen met een tegemoetkomende motorfiets, als gevolg waarvan het slachtoffer, die deze motorfiets bestuurde, is overleden. Ter plaatse geldt een inhaalverbod dat staat aangegeven door middel van een verkeersbord langs de weg. Vanuit de rijrichting van verdachte gezien, staat dit verkeersbord op 375 meter vóór de plaats waar het verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Primair artikel 6 WVW De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of verdachte door zijn gedragingen schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW en zo ja, in welke mate. Bij de beoordeling daarvan komt het aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst van de verkeersovertreding(

  1. en)en de overige omstandigheden van het geval. Het rijgedrag van verdachte moet worden afgezet tegen dat wat van de gemiddelde verkeersdeelnemer mag worden verwacht, waarbij in ieder geval sprake moet zijn van een aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend handelen door verdachte. De stelling van de verdediging dat verdachte niet op de hoogte was of had moeten zijn van het ter plaatse geldende inhaalverbod wordt gepasseerd. Van een bestuurder mag in de eerste plaats worden verwacht dat hij op de hoogte is van, en zich conformeert aan, de geldende verkeerstekens. Ter zitting is Google Street View-beeldmateriaal getoond, waaruit blijkt dat het desbetreffende verkeersbord al jarenlang ter plaatse aanwezig is en goed zichtbaar is voor weggebruikers . Verdachte heeft verklaard dat hij ter plaatse goed bekend is. Van verdachte mocht daarom worden verwacht dat hij op de hoogte was van het inhaalverbod en zijn rijgedrag daarop had afgestemd. Verdachte heeft verklaard dat hij voorafgaand aan zijn inhaalmanoeuvre heeft gekeken of er een tegenligger aankwam, maar dat hij de motor van het slachtoffer niet heeft gezien. In het verlengde hiervan is door de verdediging de mogelijkheid geopperd dat het slachtoffer mogelijk op de andere rijstrook heeft gereden, waardoor verdachte hem niet kon zien. De rechtbank volgt deze lezing van verdachte niet. Op de aan het dossier toegevoegde camerabeelden is goed te zien dat het slachtoffer op zijn eigen rijstrook reed en verlichting voerde. Daarnaast heeft de bestuurder van voornoemde vrachtwagen het slachtoffer op de motor waargenomen en in zijn verklaring met geen woord gerept dat het slachtoffer op zijn rijstrook zou hebben gereden of plotseling of onverwachts op hem zou zijn afgereden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte zijn aandacht onvoldoende gericht heeft gehad op de weg en zich onvoldoende ervan heeft vergewist dat de weghelft bestemd voor het tegemoetkomende verkeer vrij was alvorens de inhaalmanoeuvre in te zetten. Onder de gegeven omstandigheden had hij het slachtoffer kunnen en moeten zien. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door in strijd met een inhaalverbod een inhaalmanoeuvre uit te voeren en daarbij een goed zichtbare, hem tegemoetkomende verkeersdeelnemer over het hoofd te zien, aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden. Aldus is er sprake van aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 6 WVW. Conclusie De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte primair op 4 november 2024 te Zevenbergen , gemeente Moerdijk, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Hazeldonkse Zandweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend met dat motorrijtuig rijdende over voormelde weg geen gevolg te geven aan een inhaalverbod (aangegeven middels een verkeersbord langs de weg) en zich op, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, linker rijstrook (bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer) te begeven en (vervolgens) een, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, vóór hem in dezelfde richting over die weg rijdend motorrijtuig (vrachtwagen) links in te halen, gedurende welke inhaalmanoeuvre verdachte onvoldoende zijn aandacht heeft gericht op het zich voor hem, verdachte, gelegen weggedeelte van die Hazeldonkse Zandweg en op het zich aldaar bevindende overige verkeer, en (daarbij) in aanrijding te komen met een hem op die linker rijstrook tegemoetkomende motorrijder en diens motorfiets, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis, indien de taakstraf niet naar behoren wordt verricht, en daarnaast een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor een periode van één jaar, met aftrek van de tijd dat zijn rijbewijs al ingevorderd is geweest. 6.2 Het standpunt van de verdediging Indien en voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring van artikel 6 WVW komt, acht de verdediging een taakstraf en een (voorwaardelijke) rijontzegging aangewezen. Voor wat betreft de hoogte daarvan, verzoekt de verdediging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft op 4 november 2024 op de Hazeldonkse Zandweg in Zevenbergen een dodelijk verkeersongeval veroorzaakt door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Verdachte heeft in strijd met het ter plaatse geldende inhaalverbod een inhaalmanoeuvre ingezet op de rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer, waarbij hij zich onvoldoende ervan heeft vergewist dat die rijstrook vrij was. Gedurende zijn inhaalmanoeuvre is hij in botsing gekomen met de motor van het slachtoffer, waardoor het slachtoffer is overleden. Hoewel duidelijk is dat verdachte nooit heeft gewild dat er een ongeval zou plaatsvinden, noch dat het slachtoffer als gevolg hiervan zou komen te overlijden, is dit wel het tragische gevolg geweest van verdachtes rijgedrag die avond. Het verlies van een mensenleven is onomkeerbaar en heeft zeer ingrijpende gevolgen. Uit de ter zitting voorgelezen en aangrijpende verklaring van de partner van het slachtoffer is gebleken hoeveel het blijvend moeten missen van het slachtoffer voor haar gezin met jonge kinderen en hun familie betekent. De rechtbank neemt de forse gevolgen die het handelen van verdachte heeft gehad mee bij de bepaling van de op te leggen straf. De rechtbank heeft kennisgenomen van het blanco strafblad van verdachte van 23 december 2025. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 28 januari 2026. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte ten tijde van het feit zijn leven goed op orde had. Er is sprake van een koopwoning, een goedbetaalde baan, ondersteunende familiebanden en geen problemen op het gebied van middelengebruik of psychische problematiek. Verder stelt de rechtbank vast dat het ongeval een grote invloed heeft gehad op het leven van verdachte en nog steeds heeft. Dat geldt ook voor de dochter van verdachte die tijdens het ongeval als bijrijder in het voertuig aanwezig was. Een dag na het ongeval heeft verdachte via de praktijkondersteuner van de huisarts ondersteuning gezocht om zijn leven weer op te kunnen pakken. Er is sprake van een traumatische ervaring, waarbij EMDR-therapie nodig is geweest om alles een plek te kunnen geven. De reclassering heeft het recidiverisico ingeschat als laag en heeft een straf zonder bijzondere voorwaarden geadviseerd. Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin is vermeld welke straffen doorgaans worden opgelegd voor overtreding van artikel 6 WVW. Bij een aanmerkelijke mate van schuld, waarbij er geen sprake is van alcoholgebruik en waarbij een ander is overleden, wordt een taakstraf van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar als uitgangspunt genomen. Er is sprake van een ernstig feit en het handelen van verdachte heeft grote gevolgen voor slachtoffer en nabestaanden gehad. Tegelijkertijd houdt de rechtbank er rekening mee dat het ongeval en de gevolgen daarvan ook een grote impact hebben gehad op het leven van verdachte. Hij zal moeten leven met de wetenschap dat door zijn handelen een dodelijk slachtoffer is gevallen. Ter zitting heeft verdachte spijt betuigd.. Ook staat verdachte open voor mediation. Alles afwegende en in overeenstemming met de oriëntatiepunten voor de straftoemeting van het LOVS zal de rechtbank aan verdachte opleggen een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis, indien de taakstraf niet naar behoren wordt verricht. Daarnaast legt de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid van één jaar op, met aftrek van de tijd dat hij zijn rijbewijs al heeft ingeleverd. In afwijking van de oriëntatiepunten en de eis van de officier van justitie, ziet de rechtbank gerechtvaardigde redenen om daarvan een deel van zes maanden voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank heeft hierbij acht geslagen op het lage recidiverisico, de spijtbetuiging van verdachte en de omstandigheid dat hij zijn rijbewijs ook nodig heeft voor zijn werk. 7De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 8De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert: primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander is gedood; - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren; - beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen; Bijkomende straf - veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van één jaar, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar; - bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit; - bepaalt dat de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht op de rijontzegging. Dit vonnis is gewezen door mr. V.M. Schotanus, voorzitter, mr. E.B. Prenger en mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos, rechters, in tegenwoordigheid van M.C.C. Joosen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 18 februari 2026. De voorzitter en de jongste rechter zijn niet in de gelegenheid om dit vonnis te ondertekenen. Bijlage I De tenlastelegging hij op 4 november 2024 te Zevenbergen , gemeente Moerdijk, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Hazeldonkse Zandweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met dat motorrijtuig rijdende over voormelde weg geen gevolg te geven aan een inhaalverbod (aangegeven middels een verkeersbord langs de weg) en zich op, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, linker rijstrook (bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer) te begeven en (vervolgens) een, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, vóór hem in dezelfde richting over die weg rijdend motorrijtuig (vrachtwagen) links in te halen, gedurende welke inhaalmanoeuvre verdachte onvoldoende zijn aandacht heeft gericht op het zich voor hem, verdachte, gelegen weggedeelte van die Hazeldonkse Zandweg en/of op het zich aldaar bevindende overige verkeer, en/of (daarbij) in botsing/aanrijding te komen met een hem op die linker rijstrook tegemoetkomende motorrijder en/of diens motorfiets, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;(Artikel art 6 Wegenverkeerswet 1994) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 4 november 2024 te Zevenbergen , gemeente Moerdijk als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Hazeldonkse Zandweg, met dat motorrijtuig heeft gereden over voormelde weg en geen gevolg heeft gegeven aan een inhaalverbod (aangegeven middels een verkeersbord langs de weg) en zich op, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, linker rijstrook (bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer) heeft begeven en (vervolgens) een, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, vóór hem in dezelfde richting over die weg rijdend motorrijtuig (vrachtwagen) links in is gaan halen, gedurende welke inhaalmanoeuvre verdachte onvoldoende zijn aandacht heeft gericht op het zich voor hem, verdachte, gelegen weggedeelte van die Hazeldonkse Zandweg en/of op het zich aldaar bevindende overige verkeer, en/of (daarbij) in botsing/aanrijding is gekomen met een hem op die linker rijstrook tegemoetkomende motorrijder en/of diens motorfiets, door welke gedraging(
  2. en)van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.(Artikel art 5 Wegenverkeerswet 1994)

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.