RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/442039 / FA RK 25-5931 datum uitspraak: 19 januari 2026 beschikking op de vraag van de minderjarige door middel van een informele rechtsingang [minderjarige] , hierna te noemen [minderjarige] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2011, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres van haar moeder in [plaats 1] , De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [plaats 1] , advocaat: mr. P.P.M. Hendrikx-Heeren uit Breda, [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [plaats 2] . 1Het verloop van de zaak 1.1 Op 18 november 2025 heeft de rechtbank een brief ontvangen van [minderjarige] . 1.2 De kinderrechter heeft op 4 december 2025 met [minderjarige] gesproken over haar brief. 1.3 Naar aanleiding van dit gesprek heeft de kinderrechter de ouders uitgenodigd voor een zitting. De zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari
- Hierbij zijn verschenen de moeder, bijgestaan door haar advocaat en de vader. 2De feiten 2.1 De ouders zijn met elkaar getrouwd geweest. Uit dit huwelijk is [minderjarige] geboren. [minderjarige] heeft nog een oudere broer [persoon] . 2.2 De ouders hebben samen het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.3 Bij beschikking van deze rechtbank van 28 februari 2017 is de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken. Deze beschikking is op 11 april 2017 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. 2.4 De ouders hebben op 31 januari 2017 een ouderschapsplan opgesteld. Dit plan is gehecht aan de echtscheidingsbeschikking en maakt daar onderdeel van uit. In dit plan is bepaald dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft. Ook zijn de ouders ten aanzien van [minderjarige] een zorgregeling overeengekomen. 2.5 Bij beschikking van deze rechtbank van 27 december 2022 is onder wijziging van de beschikking van 28 februari 2017 en het daaraan gehechte ouderschapsplan bepaald dat [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voortaan in de even weken bij de vader verblijft en in de oneven weken bij de vrouw, waarbij het wisselmoment plaatsvindt op maandag, nader in onderling overleg door de ouders te regelen. 3De vraag van [minderjarige] 3.1 vraagt de kinderrechter om de zorgregeling te wijzigen. Zij wil één keer in de twee weken een weekend bij haar moeder zijn en de overige tijd bij haar vader. 3.2 [minderjarige] heeft in haar brief en tijdens het gesprek met de kinderrechter, samengevat, aangegeven dat zij zich niet fijn en prettig voelt bij haar moeder. Zij hebben vaak ruzie. Ook liegt haar moeder veel. [minderjarige] heeft moeite om haar moeder te vertrouwen. Daarnaast ervaart [minderjarige] dat zij te weinig privacy bij haar moeder heeft en teveel verantwoordelijkheden krijgt. Zij moet vaak de boodschappen doen voor het avondeten en koken. Dit alles heeft invloed op de school van [minderjarige] . Zij heeft moeite om zich te concentreren op school. De huidige situatie vraagt teveel van [minderjarige] . Zij zou zich fijner voelen en beter kunnen concentreren op school als zij meer bij haar vader kan zijn. Bij haar vader wordt [minderjarige] meer met rust gelaten, en gaat het ook beter tussen haar en haar broer [persoon] . Met haar vraag aan de kinderrechter kiest zij niet voor de gemakkelijke weg. Haar moeder woont namelijk dichter bij haar school dan haar vader. [minderjarige] heeft eerder therapie gehad, waarbij gesproken werd over de scheiding tussen haar ouders. Zij ervaart daar niet zo zeer last van, maar wel van de gevolgen van de scheiding. 4De standpunten van de ouders 4.1 Door en namens de moeder is tijdens de zitting naar voren gebracht dat zij en de vader recent een hulpverleningstraject bij [hulpverlening] hebben gevolgd. In dit traject is ook [minderjarige] betrokken geweest. Gedurende dit traject is hetgeen waarvan [minderjarige] op dit moment stelt last van te hebben, niet naar boven gekomen. De moeder is dan ook zeer verbaasd over de inhoud van de brief die [minderjarige] aan de kinderrechter heeft geschreven. Ze wil graag dat [minderjarige] zich fijn en prettig bij haar voelt. De moeder staat ervoor open om zaken waar [minderjarige] moeite mee heeft met haar te bespreken. Zij wordt dan niet boos, maar wil juist samen tot een oplossing komen. De moeder baalt dan ook van de huidige situatie. Het had volgens haar niet zo ver hoeven komen. De vader was, in tegenstelling tot haarzelf, wel op de hoogte van de brief van [minderjarige] . Er heeft hierover echter geen communicatie tussen hen plaatsgevonden. De bedoeling was om binnen het hulpverleningstraject van [hulpverlening] in te zetten op parallel solo ouderschap. Dit is echter niet van de grond gekomen omdat de vader daaraan niet wilde meewerken. Een wijziging van de zorgregeling, zoals door [minderjarige] gevraagd, is niet alleen een grote switch nu het netwerk van [minderjarige] zich met name in [plaats 1] bevindt, maar heeft ook veel meer consequenties. Het is de moeder die veelal de praktische zaken regelt, zoals afspraken met artsen. De vader zal dit moeten overnemen. De oplossing is volgens de moeder bovendien niet gelegen in een wijzing van de zorgregeling, maar eerder in een verbetering van de onderlinge communicatie en samenwerking tussen de ouders. Voorkomen moet worden dat [minderjarige] gaat hoppen tussen haar ouders. Belangrijk is ook dat zij gaat leren zich uit te spreken als zij ergens mee zit. De mogelijkheid bestaat om het hulpverleningstraject bij [hulpverlening] , dat stil is komen te liggen, voort te zetten. De moeder hoopt dat de vader daartoe alsnog bereid is. Dan kan [minderjarige] de begeleiding krijgen die zij nodig heeft, en kan tussen de ouders gewerkt worden aan een verbetering van de onderlinge relatie op ouderniveau. Dit zodat [minderjarige] hopelijk minder klem komt te zitten tussen haar ouders, en met haar beide ouders een fijn en plezierig contact kan hebben. 4.2 De vader heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij op de hoogte was van de brief van [minderjarige] aan de kinderrechter. De vader wil dat [minderjarige] zich fijn en prettig voelt en op een veilige manier kan opgroeien. Hij gunt [minderjarige] hetgeen voor haar het beste is. Als dat een uitgebreider verblijf van [minderjarige] bij hem is, staat de vader daarvoor open. Wel vindt hij het belangrijk dat zij goed contact met haar moeder houdt. De vader heeft bewust geen contact met de moeder opgenomen over de brief van [minderjarige] . Hij en de moeder hebben een tijd met elkaar gecommuniceerd, maar dit ging gepaard met veel verwijten en strijd. Het gaf veel negatieve energie. De vader wil dit niet meer. Hij wil rust en heeft deze rust gevonden nadat hij had besloten om enkel nog over het hoognodige met de moeder te communiceren. Afgevraagd kan worden wat verdere hulpverlening [minderjarige] op dit moment nog gaat brengen. In het hulpverleningstraject van [hulpverlening] , maar ook in eerdere trajecten, werd met [minderjarige] voornamelijk gesproken over de echtscheiding. Daar zit voor [minderjarige] echter niet het probleem. In het laatst geplande gesprek bij [hulpverlening] was het de bedoeling om de brief van [minderjarige] toen geschreven had, zonder haar aanwezigheid, voor te lezen en te bespreken met de ouders. De vader stond hier niet achter. Hij wilde dat [minderjarige] erbij aanwezig was omdat alleen op die manier een dialoog tot stand komt. Hieraan werd echter geen gehoor gegeven. De vader verwacht niet dat met een voortzetting van het hulpverleningstraject bij [hulpverlening] toegewerkt gaat worden naar solo parallel ouderschap. Hier is eerder al heel veel tijd en energie in gestoken, maar het is uiteindelijk de moeder die hieraan niet meewerkt. Bovendien heeft [minderjarige] duidelijk te kennen gegeven klaar te zijn met dit traject. Er is veel gebeurd en [minderjarige] heeft haar eigen manier gevonden om met de situatie om te gaan. De stelling van de moeder dat zij veelal de praktische zaken voor en rondom [minderjarige] regelt, is onjuist. Ook de vader heeft hierin een groot aandeel. Daarnaast bevindt het netwerk van [minderjarige] zich niet enkel in [plaats 1] , maar ook daarbuiten. 5De beoordeling van de kinderrechter 5.1 [minderjarige] heeft de kinderrechter een vraag gesteld via de zogenaamde ‘informele rechtsingang’. De informele rechtsingang biedt een kind van twaalf jaar en ouder een eigen toegang tot de rechtbank. Op informele wijze, zoals bijvoorbeeld met een brief, e-mailbericht of telefoontje, kan een kind een vraag aan de kinderrechter stellen. Niet alle vragen van een kind kunnen door de kinderrechter via de informele rechtsingang worden behandeld. Een kind kan alleen gebruik maken van de informele rechtsingang als dat in de wet is bepaald. Dat betekent dat de kinderrechter over een beperkt aantal onderwerpen een beslissing kan nemen. Wat zegt de wet? 5.2 Op de vraag van [minderjarige] is allereerst artikel 1:253a Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing. Dit artikel gaat over de gezamenlijke uitoefening van het gezag door de ouders, waaronder onder meer de toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken (de zorgregeling). Een minderjarige kan ook vragen om het toekennen van eenhoofdig gezag, het vaststellen en/of wijzigen van een informatieregeling en om de benoeming van een bijzondere curator. In artikel 1:253a lid 4 BW worden de artikelen 1:377e en 1:377g BW van overeenkomstige toepassing verklaard. Hieruit leidt de kinderrechter af dat de in artikel 1:377g BW genoemde informele rechtsingang voor minderjarigen van twaalf jaar en ouder ook open staat voor minderjarigen die een ambtshalve beslissing wensen betreffende het in artikel 1:253a lid 2 onder b BW genoemde hoofdverblijf, nu dat naar het oordeel van de kinderrechter het “mindere” betreft ten opzichte van een gezagswijziging. 5.3 Artikel 1:377g BW bepaalt dat de rechter, indien haar blijkt dat een minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing over een zorgregeling kan wijzigen op de voet van artikel 1:377e BW. Dit laatste artikel bepaalt dat de rechtbank een beslissing inzake de zorgregeling kan wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Wat vindt de kinderrechter? 5.4 De kinderrechter is gebleken dat na voormelde vaststelling van de zorgregeling de omstandigheden zijn gewijzigd. Bij [minderjarige] is namelijk de wens ontstaan om de zorgregeling die ouders zijn overeengekomen, anders vorm te geven. Gelet hierop kan [minderjarige] worden ontvangen in haar vraag. 5.5 De kinderrechter is van oordeel dat de huidige zorgregeling (en dus het hoofdverblijf van [minderjarige] ) voor een proefperiode van vier maanden gewijzigd moet worden. De zorgregeling moet passen en aansluiten bij de ontwikkelingsfase en behoeften van [minderjarige] . De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] op dit moment vastloopt bij haar moeder. Ze voelt zich niet fijn en prettig bij haar moeder, en heeft moeite om zich te concentreren op school. Dit is niet goed voor haar ontwikkeling. Daarbij geeft zij duidelijk aan dat de huidige situatie haar teveel wordt. Vanaf het moment dat [minderjarige] de brief aan de rechtbank heeft geschreven is zij standvastig geweest in haar wens tot wijziging van de zorgregeling. Zij wil één keer in de twee weken het weekend bij de moeder zijn en de overige tijd bij haar vader. Zij is hier tot op heden niet van teruggekomen. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat [minderjarige] , mede gezien haar leeftijd, serieus in haar wens moet worden genomen. Daarnaast acht zij het niet in het belang van [minderjarige] om de hartenkreet die zij heeft geuit nu opzij te schuiven, omdat de ouders mogelijk alsnog positieve stappen gaan maken in een hulpverleningstraject ter verbetering van de onderlinge communicatie en samenwerking. Hierop is al meermaals ingezet, en op dit moment is nog onbekend of beide ouders bereid zijn om mee te werken aan een voorzetting van het hulpverleningstraject van [hulpverlening] . 5.7 In overleg met de ouders is de kinderrechter tot de volgende afspraken gekomen: - [minderjarige] heeft met ingang van heden voorlopig haar hoofdverblijf bij de vader; - [minderjarige] en de moeder hebben gedurende deze maanden om de week contact met elkaar van vrijdag uit school tot maandagochtend voor school, waarbij de omgangsweekenden van [minderjarige] met haar moeder gelijk lopen met de weekenden dat haar broer [persoon] bij de moeder verblijft; - de vakanties en feestdagen worden in onderling tussen de ouders bij helfte (50-50) verdeeld; - Als [minderjarige] langer bij de moeder wil verblijven mag dat, onder de voorwaarde dat dit in goed overleg tussen de ouders en [minderjarige] wordt afgesproken. Deze afspraken gelden voorlopig en worden over ongeveer vier maanden geëvalueerd. 5.8 De kinderrechter zal gezien de hierboven overeengekomen afspraken op dit moment nog geen definitieve beslissing nemen over het (hoofd)verblijf van [minderjarige] en het contact met haar moeder. Zij zal de vraag van [minderjarige] aanhouden voor de duur van vier maanden, namelijk tot dinsdag 19 mei 2026 (dit is geen zittingsdatum maar een pro forma datum). De griffier van de rechtbank zal worden verzocht om [minderjarige] uiterlijk op die datum opnieuw uit te nodigen voor een gesprek met de kinderrechter en, daarop volgend, de ouders uit te nodigen voor een nadere zitting. Tijdens het gesprek met de kinderrechter en de nadere zitting zal onder meer besproken worden hoe het met [minderjarige] gaat, hoe het verblijf van [minderjarige] bij de vader en het contact met de moeder is verlopen, of er sprake is geweest van een voortzetting van het hulpverleningstraject bij [hulpverlening] , en of [minderjarige] haar vraag nog handhaaft en wat de visie van de ouders daarop is. 5.9 Het is aan de ouders om te bepalen of zij verder gaan met de hulpverlening van [hulpverlening] . Dit betreft een hulpverleningstraject in het vrijwillig kader. De kinderrechter kan de ouders dan ook niet verplichten tot (verdere) deelname aan dit traject. Wel acht zij dit raadzaam. Niet in geschil is dat de communicatie en samenwerking tussen de ouders moeizaam verloopt en dat [minderjarige] hier last van heeft. Ook ervaart [minderjarige] problemen in de relatie met haar moeder, zoals onder andere de onderlinge ruzies en het verminderde vertrouwen van [minderjarige] in haar moeder. Voor een goede ontwikkeling van [minderjarige] is het van belang dat hierin verbetering komt. 6Brief aan [minderjarige] 6.1 De kinderrechter vindt het belangrijk om [minderjarige] een brief te sturen met uitleg over haar - voorlopige - beslissing en beide ouders daarvan op de hoogte te stellen. In deze brief die naar het adres van de vader wordt verzonden, leest [minderjarige] het volgende. Beste [minderjarige] , Op 4 december 2025 heb jij met kinderrechter mr. Tempel gesproken over jouw brief die jij op 16 november 2025 aan de rechtbank hebt verstuurd. Je hebt toen aan de kinderrechter verteld dat jij wil dat de zorgregeling wordt gewijzigd. Jij wil niet langer de ene week bij je moeder zijn en de andere week bij je vader, maar één keer in de twee weken een weekend bij je moeder verblijven en de overige tijd bij je vader. De kinderrechter vindt het heel knap dat je naar de rechtbank bent gekomen en met haar hebt gepraat. Zoals afgesproken, heeft er een gesprek met jouw ouders plaatsgevonden. Dit was op 19 januari
- Jouw beide ouders zijn naar dit gesprek gekomen. Het was een prettig gesprek. Niet kinderrechter mr. Tempel, maar kinderrechter mr. Van Triest heeft met jouw ouders gesproken. Ik wil je in deze brief graag vertellen welke afspraken jouw ouders, in overleg met de kinderrechter, hebben gemaakt. Jouw beide ouders willen graag dat het goed met je gaat. Zij vinden het erg vervelend en verdrietig voor jou dat jij je bij jouw moeder minder fijn en prettig voelt. Zij maken zich hierover zorgen en willen dat jij je weer goed voelt zowel bij je vader als bij je moeder. De kinderrechter vindt het belangrijk dat jij in jouw gevoelens, maar ook in jouw wens om meer bij jouw vader te kunnen zijn, serieus wordt genomen. Gelet hierop en om jou rust bieden, is besloten dat jij voorlopig bij jouw vader gaat wonen. Wel is het belangrijk dat jij contact houdt met je moeder. Daarom is afgesproken dat jij om de week van vrijdag uit school tot maandagochtend naar school bij jouw moeder bent. De vakanties en feestdagen worden gelijk tussen je ouders verdeeld. Dat betekent dat je in de vakanties en tijdens feestdagen voor de helft van de tijd bij je moeder bent en voor ander andere helft van de tijd bij je vader. Als jij meer contact wilt met je moeder dan is afgesproken, dan is dat natuurlijk mogelijk. Daar moeten jij en jouw beide ouders het wel samen over eens zijn en goede afspraken over maken. De kinderrechter zal op dit moment nog geen definitieve beslissing nemen op jouw vraag gezien de afspraken die met jouw ouders zijn gemaakt. De kinderrechter wil graag weten hoe deze regeling verloopt en of het nu beter met je gaat. Rond 19 mei 2026 zal je weer een brief krijgen van de rechtbank met daarin een uitnodiging voor een volgend gesprek met de kinderrechter. Tijdens dit gesprek kun je aan de kinderrechter vertellen hoe het met je gaat en hoe het contact tussen jou en je moeder verloopt. De kinderrechter vindt het fijn om persoonlijk met je te praten, maar het is niet verplicht. Je mag ook weer een brief of e-mail sturen. Daarna zal de kinderrechter jouw ouders opnieuw uitnodigen voor een gesprek en beslissen hoe het verder zal gaan. Mocht je vragen hebben, dan mag je mij e-mailen of bellen. Met vriendelijke groet, De griffier mr. Snatersen 7De beslissing van de kinderrechter De kinderrechter: 7.1 houdt de behandeling van de vraag van [minderjarige] aan tot dinsdag 19 mei 2026 pro forma; 7.2 verzoekt de griffier van de rechtbank om uiterlijk op die datum [minderjarige] opnieuw uit te nodigen voor een kindgesprek met de kinderrechter (mr. Van Triest) en, daarop volgend, de ouders uit te nodigen voor een nadere zitting; 7.3 behoudt zich verder iedere beslissing voor. Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2026 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Snatersen als griffier en schriftelijk vastgesteld op 6 februari
- Mededeling van de griffier: Voor zover in deze beschikking één of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan tegen deze beschikking hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof: a. namens de minderjarige door zijn wettelijk vertegenwoordiger of de bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking; b. door de minderjarige zelf als zijn aanvraag ziet op de benoeming van een bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking; c. door de anderen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking; d. door andere belanghebbenden: binnen 3 maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op een andere manier bekend is geworden. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.