RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/6795 uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 januari 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. 1.1. Verzoeker heeft beroep aangetekend tegen een uitspraak op bezwaar van de inspecteur met dagtekening 28 maart 2025 betreffende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting met [aanslagnummer]. Dit beroep is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer 25/2104. 1.2. Naast het ingestelde beroep, heeft verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. In zijn verzoekschrift verzoekt verzoeker om zijn beroep met zaaknummer 25/2104 direct gegrond te verklaren. In een aanvullend stuk verzoekt verzoeker om de door de inspecteur gesteld te laat ingediende stukken buiten beschouwing te laten en vast te stellen dat de vordering van de inspecteur onrechtmatig is vanwege gebrek aan wettelijk bewijs. 1.3. De rechtbank heeft vervolgens bij brief van 5 januari 2026 het ingekomen verzoekschrift van belanghebbende doorgezonden aan de inspecteur en de inspecteur verzocht om uiterlijk 19 januari 2026 te reageren. 1.4. Belanghebbende heeft de voorzieningenrechter bij brief van 5 januari 2026 verzocht om geen verdere reactie van de inspecteur af te wachten en per ommegaande uitspraak te doen. Beoordeling door de voorzieningenrechter Geen zitting, direct uitspraak 2. De voorzieningenrechter heeft aanleiding gezien om geen verdere reactie van de inspecteur af te wachten en direct op het verzoek te beslissen. Het verzoek om een voorlopige voorziening is naar het oordeel van de voorzieningenrechter namelijk kennelijk ongegrond (zie hierna onder 2.6 en 2.7), zodat de voorzieningenrechter het afwachten van een verdere reactie van de inspecteur niet zinvol acht. Als een verzoek kennelijk ongegrond is, kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen voor de zitting. De voorzieningenrechter heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en daarom een zitting achterwege gelaten. Beoordeling van het verzoek 2.1. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, ook wel bodemprocedure genoemd, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen. Daarbij gelden als voorwaarden dat tegelijkertijd tegen hetzelfde besluit een bezwaar- of beroepsprocedure loopt (vereiste van connexiteit) en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemprocedure niet. 2.2. De rechtbank constateert dat tegelijkertijd tegen hetzelfde besluit van de inspecteur een beroepsprocedure op naam van belanghebbende loopt (zie 1.1). Aan het vereiste van connexiteit is dus voldaan. 2.3. Slechts in het geval sprake is van een spoedeisend belang en de aanslagen onmiskenbaar lichtvaardig of onrechtmatig zijn opgelegd, kan de voorzieningenrechter de gevraagde voorlopige voorziening toewijzen. Het is aan verzoeker om dat aannemelijk te maken. 2.4. Belanghebbende heeft verzocht om zijn beroep met zaaknummer 25/2104 (de hoofdprocedure) direct gegrond te verklaren omdat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.