← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2026:1092

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/443763 / JE RK 26-33 Datum uitspraak: 21 januari 2026 Nadere beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, Locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats] , advocaat: mr. D. Boudrad uit Gilze, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. P.F.M. Gulickx uit Breda. 1Het verdere verloop van de procedure 1.

  1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - De in deze zaak gegeven beschikking van 8 januari 2026 en alle daarin genoemde stukken. 1.
  2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 januari
  3. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord: - de vader met zijn advocaat; - de moeder met haar advocaat; - twee vertegenwoordigers van de GI. 1.
  4. Gelet op de nauwe samenhang tussen het resterende verzoek van de GI in deze zaak en het verzoek in de zaak met kenmerk C/02/443492 / JE RK 25-2317, zijn de verzoeken gelijktijdig behandeld. In beide zaken is bij separate beschikking beslist. 2De feiten 2.
  5. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.
  6. Bij beschikking van deze rechtbank van 6 november 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 9 november 2025 tot 9 oktober
  7. 2.
  8. [minderjarige] verbleef tot 8 januari 2026 met de moeder en zijn halfzusje [persoon] bij [accommodatie 1] op de observatieafdeling met 24-uurs begeleiding door [hulpverlening] . In de in deze zaak gegeven beschikking van 8 januari 2026 verleende de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing met ingang van 8 januari 2026 tot 22 januari 2026 en is het resterende deel van het verzoek aangehouden. Op grond van voormelde machtiging verblijft [minderjarige] op dit moment in een gezinsgerichte accommodatie (gezinshuis). 3Het (resterende) verzoek Thans ligt het volgende verzoek nog ter beoordeling voor. 3.
  9. De GI verzoekt een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie te verlenen voor de resterende duur van twee weken. 3.
  10. Tevens verzoekt de GI om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen in een gezinsgerichte accommodatie voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4Het standpunt van de GI 4.
  11. Ter onderbouwing van het resterende verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [hulpverlening] heeft geconcludeerd dat het niet langer veilig is dat de moeder, [minderjarige] en zijn halfzusje ( [persoon] ) daar verblijven. Er zijn geen andere 24/7-settings waar zij terecht kunnen. [minderjarige] kan in het gezinshuis blijven waar hij bij de eerdere uithuisplaatsing ook heeft verbleven. Het contact met dat gezinshuis is onderhouden tijdens de plaatsing bij [hulpverlening] . Dit gezinshuis is perspectiefbiedend. Het is helaas niet haalbaar dat [minderjarige] samen met zijn halfzusje [persoon] wordt geplaatst. De GI gaat onderzoeken wat de mogelijkheden zijn voor een plaatsing van [minderjarige] bij de oma (vz). Complicerende factoren daarbij zijn het moeilijke gedrag van [minderjarige] en de vraag hoe het contact tussen [minderjarige] en de moeder onderhouden blijft als [minderjarige] bij de oma (vz) zou verblijven. 4.
  12. De begeleide omgang met de vader verloopt wisselend. Met de moeder is er begeleide omgang geweest op het kantoor van de GI. Er was gisteren een gesprek gepland met een omgangspartij en de moeder, maar de moeder heeft dat afgezegd. De vader wordt niet meegenomen in dit traject. De vader heeft eerder gezegd dat hij geen contact meer wil met [minderjarige] , maar sinds kort zou hij wel weer contact willen hebben. De GI vindt dat het contact structureel en duurzaam moet verlopen. 5Het standpunt van belanghebbenden 5.
  13. Door en namens de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in het verzoek, maar zij vindt zes maanden erg lang en verzoekt de duur van de machtiging te beperken. De moeder vindt het spijtig dat het verzoek tot plaatsing bij [accommodatie 2] is ingetrokken. De moeder wil alle hulp accepteren zodat [minderjarige] en [persoon] veilig bij haar kunnen opgroeien. De moeder is uitgerekend over zes weken. 5.
  14. Door en namens de vader is naar voren gebracht dat hij zich kan vinden in het verzoek. 6De (nadere) beoordeling Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing 6.
  15. Bij de in deze zaak gegeven beschikking van 8 januari 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de duur van twee weken zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. 6.
  16. Uit de overgelegde stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken, zijn de kinderrechter geen nieuwe feiten en/of omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot een ander oordeel dan reeds is verwoord in voornoemde beschikking. 6.
  17. Nu de kinderrechter zal beslissen op het reguliere deel van het verzoek, zal zij het resterende deel van het verzoek om een spoedmachtiging te verlenen, afwijzen. Aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing 6.
  18. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 6.
  19. Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. De zorgen over [minderjarige] zijn groot. [minderjarige] vertoont heftig gedrag en er hebben zich zeer onveilige situaties voorgedaan. Het is goed dat er (aanvullende) hulpverlening is gezocht, maar de zorgen zijn daarmee niet weggenomen. Gebleken is dat [hulpverlening] niet de juiste plek is en dat een andere plek, waar [minderjarige] samen met de moeder kan verblijven, er op dit moment niet is. [minderjarige] kan terecht bij het gezinshuis waar hij eerder ook heeft verbleven. Dat is voor hem een veilige en vertrouwde plek die bovendien perspectiefbiedend is. 6.
  20. De kinderrechter zal het verzoek om een aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing toewijzen, nu aan de wettelijke criteria is voldaan. De door de GI verzochte periode acht de kinderrechter passend. De kinderrechter is van oordeel dat een kortere duur van de uithuisplaatsing, zoals door de moeder verzocht, niet aan de orde kan zijn. Er is sprake van een langdurige instabiele situatie en er is nog onvoldoende zicht op veiligheid en stabiliteit voor [minderjarige] bij de moeder. 6.
  21. Hoewel het gezinshuis waar [minderjarige] verblijft perspectiefbiedend is, moeten ook de opties van een eventuele netwerkplaatsing door de GI worden onderzocht. Daarbij dient de GI rekening te houden met het feit dat [minderjarige] in het verleden verschillende wisselingen van zijn opvoedsituatie heeft gehad. Het is in zijn belang om voor een langere periode op een stabiele en veilige plek te verblijven, waar hij zich op een gezonde manier kan ontwikkelen. Tot slot moet de komende periode aandacht worden besteed aan de opbouw en uitbreiding van de omgang met de moeder en de vader, waarbij het tempo van [minderjarige] gevolgd moet worden. Hoe dit wordt vormgegeven is aan de GI. Uitvoerbaar bij voorraad 6.
  22. De kinderrechter zal de toewijzende beslissing, gelet op de aard van de maatregel, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dit betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er daartegen beroep wordt ingesteld. 6.
  23. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 7De beslissing De kinderrechter: 7.
  24. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie (gezinshuis) met ingang van 22 januari 2026 tot 9 oktober 2026; 7.
  25. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 7.
  26. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 4 februari
  27. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.